Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:2210

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 17-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:2210, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02-665268-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665268-18

vonnis van de meervoudige kamer van 17 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]wonende te [adres]raadsman mr. M. Rasterhoff, advocaat te Amsterdam

ECLI:NL:RBZWB:2019:2210:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665268-18

vonnis van de meervoudige kamer van 17 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]wonende te [adres]raadsman mr. M. Rasterhoff, advocaat te Amsterdam
1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 29 maart, 1 april en 10 mei 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Van Setten en mr. Hermans, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat
- van een of meer geldbedrag(en), te weten 7011,37 euro en/of 979 euro, in elk geval een of meer geldbedrag(en),de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en) is/zijn, en/of- een of meer geldbedrag(en) te weten 7011,37 euro en/of 979 euro, in elk geval een of meer geldbedrag(en) heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het (een) - onmiddellijk ofmiddellijk - van (al dan niet uit eigen) misdrijf afkomstig(e) geldbedrag(en) betrof(fen)
- van een of meer geldbedrag(en) te weten 7011,37 euro en/of 979 euro, in elk geval een of meer geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen en/of verbergen wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en) is/zijn en/of- een of meer geldbedrag(en), te weten 7011,37 euro en/of 979 euro, in elk geval een of meer geldbedrag(en) te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen en/of om te zetten, althans van voornoemd(e) geldbedrag(en) gebruik te maken terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het (een)- onmiddellijk of middellijk- van (al dan niet uit eigen) misdrijf afkomstig(e) geldbedrag(en) betrof(fen) immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal, geprobeerd te pinnen bij een pinautomaat met een niet op zijn, verdachtes, naam gestelde pinpas terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of - een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven voorhanden hebben, waardoor toegang kan worden verkregen tot (een) (gedeelte van een) geautomatiseerd werk(en) (artikel 139d en/of 350d Wetboek van Strafrecht) en/of - computervredebreuk (artikel138ab Wetboek van Strafrecht) en/of - aantasting of manipulatie van computergegevens (artikel 350a Wetboek van Strafrecht) en/of - diefstal door middel van braak/verbreking, inklimming en/of een valse sleutel (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en/of - witwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht).
1.hij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2017 tot en met 6 augustus 2017 te 's-Gravenhage en/of Delft, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 5 augustus 2017 tot en met 6 augustus 2017 te 's-Gravenhage en/of Delft, althans in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

2.hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks 05 augustus 2017 tot en met 6 augustus 2017 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of meer geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijnmededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/ofdie/dat weg te nemen geldbedragen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel te weten door naar een pinautomaat te gaan en/of (vervolgens) door gebruik te maken van een niet op zijn, verdachtes en/of mededader(s), naam gestelde bankpas en/of pincode en/of bankrekening,in elk geval een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) niet is/zijn/was/waren gerechtigd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.hij in de periode van 01 december 2016 tot en met 31 oktober 2017 te Oosterland en/of Amsterdam en/of Almere en/of 's-Gravenhage en/of Delft, in elk geval een of meer plaats(en) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, gericht tegen (klanten van) de [naam 3] , namelijk
3

De dagvaarding is geldig.De rechtbank is bevoegd.De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 heeft gepleegd, gelet op de aangifte van de [naam 3] en [naam 1] de beelden van de poging tot het doen van pintransacties en de verklaring van verdachte.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte ontkent niet dat hij gepind heeft, maar geeft aan dat hij dit voor en in opdracht van een ander deed. Dit was gebruikelijk, omdat hij met regelmaat drugs leverde en daarvoor zelf zijn geld mocht gaan pinnen. Dit keer kreeg verdachte het verzoek extra te pinnen, wat hij probeerde. Van enig strafbaar feit had verdachte geen weet, wat maakt dat hij moet worden vrijgesproken.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

Aangeefster [naam 9] verklaart dat zij werkt voor [naam 2] welke [naam 2] eigenaar is van (onder andere) [naam 1] Op 7 augustus 2017 werd zij gebeld door de eigenaresse, mevrouw [naam 4] , die haar vertelde dat het bedrijf was opgelicht. Er zou een hoop geld verloren zijn en de [naam 3] had de rekeningen bevroren. Aangeefster en de eigenaresse herinnerden zich een e-mail, waarvan zij dachten dat die van de [naam 3] afkomstig was, waarin stond dat de bankpassen van het bedrijf vervangen moesten worden. Zowel aangeefster als haar werkgeefster twijfelde niet aan de mail, waarop aangeefster (op 2 augustus 2017) op de link in de e-mail klikte. Aangeefster moest inloggen met de [naam 5] , maar dit mislukte. Later die ochtend werd zij gebeld door een persoon die zich kenbaar maakte als medewerkster van de [naam 3] . Zij gaf aan dat was opgevallen dat het inloggen niet gelukt was en dat zij wilde helpen. Aangeefster heeft de telefoon aan mevr. [naam 4] gegeven. Mevr. [naam 4] heeft haar verteld dat zij, samen met de dame aan de telefoon, nieuwe passen heeft aangevraagd. Daarvoor moest worden ingelogd.Op 5 augustus 2017 werd, tussen 18:43 uur en 20:34 uur, in zeven transacties, in totaal € 7.011,37 overgeschreven van de rekening van [naam 2] naar een rekening op naam van [naam 6] (hierna: [naam 6] ). Een bedrag van € 979,- werd op 5 augustus 2017, om 20:02 uur, overgemaakt – van een rekening van [naam 6] – naar de rekening van [naam 6] . Op 5 augustus 2017, om 22:10 uur, werd geprobeerd om € 970,- te pinnen van de rekening van [naam 6] . Ook op 6 augustus 2017 wordt meerdere malen geprobeerd geld op te nemen van deze rekening. Van deze pogingen tot het doen van pintransacties zijn beelden gemaakt. Verdachte wordt op deze beelden herkend door verbalisanten [naam 7] en [naam 8] .Medeverdachte [naam 6] (hierna: [naam 6] ) heeft bij de politie verklaard dat hij zijn pinpas uitleende aan verdachte, met het verzoek om boodschappen voor hem te doen. Bij de rechter-commissaris verklaart hij dat hij dagelijks drugs van verdachte kocht en dat hij zijn pinpas aan verdachte meegaf om het geld daarvoor te pinnen van zijn rekening. Dat betrof die dag € 20,-. Op 5 augustus 2017 gaf hij de pinpas mee aan verdachte, maar kwam verdachte er niet mee terug. Hij heeft verdachte geen toestemming gegeven meer te pinnen dat het benodigde geld voor de drugs.
Feit 2

De rechtbank stelt vast dat verdachte betrokken is geweest bij een aantal pogingen tot het pinnen van geld van de rekening van [naam 6] . Dit geld was, kort daarvoor, vanuit een rekening van [naam 6] overgemaakt. De rekening van [naam 6] was kort daarvoor gevuld met geld van de rekening van [naam 1] De rechtbank is van oordeel dat er, door het overmaken van het geld van de rekening van [naam 2] naar [naam 6] , al sprake was van een voltooide diefstal. Het geld is op dat moment immers buiten de beschikkingsmacht van [naam 2] , en binnen die van degene die de beschikkingsmacht heeft over de rekening van [naam 6] . Nu uit geen van de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte aan die overboekingen, en dus aan de diefstal, heeft bijgedragen, kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen ten aanzien van feit 2.
Feit 1

Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geprobeerd heeft geld wit te wassen. Uit de aangifte van zowel [naam 9] als de [naam 3] blijkt dat het geld afkomstig is van de rekening van [naam 1] en zonder hun toestemming is overgeboekt naar de rekening van [naam 6] . Dat het geld afkomstig is van “enig misdrijf”, staat daarmee vast. Een deel van dat geld, te weten € 979,-, is overgeboekt naar de rekening van [naam 6] , en binnen twee uur na deze overboeking wordt verdachte herkend als pinner, althans als degene die tracht te pinnen, van een bedrag van € 970,-. Het pinnen van dit geld betreft een handeling die, naar het oordeel van de rechtbank, bedoeld is om de herkomst van het geld te verhullen. Zolang het geld immers ‘giraal’ is, laat het een spoor na. Dit spoor stopt pas op het moment dat het geld wordt opgenomen.
Verdachte heeft verklaard dat hij het bedrag pinde in opdracht van [naam 6] en stelt niets te weten van enig strafbaar feit. De rechtbank gaat niet mee in dit alternatieve scenario. Zowel verdachte als [naam 6] verklaren dat verdachte drugs kwam afleveren bij [naam 6] , en dat verdachte de daar tegenover staande vergoeding zelf mocht gaan pinnen. Verder verklaart [naam 6] dat verdachte geen toestemming had voor een verdergaand gebruik van zijn pas en dat hij geen schuld had bij verdachte. Dat [naam 6] bij zijn eerste verhoor verklaarde dat het om ‘boodschappen’ ging, maakt zijn verklaring niet ongeloofwaardig, mede gelet op hetgeen [naam 6] daarover later heeft verklaard: dat verdachte drugs aan hem verkocht. Voor het overige blijft [naam 6] consistent in zijn verklaring. Dat het verdachte is die misbruik heeft gemaakt van de rekening van [naam 6] , leidt de rechtbank af uit de verklaring van [naam 6] , het feit dat verdachte gedurende langere periode in bezit blijkt van de pinpas van verdachte, en dat al zeer kort na het overschrijven van de rekening van [naam 6] naar de rekening van [naam 6] geprobeerd wordt een bedrag te pinnen van vrijwel dezelfde grootte als kort daarvoor is overgeschreven. De rechtbank is van oordeel dat daarom wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot witwassen van € 970,-.
Feit 3

Voor het vaststellen van het bestaan van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr blijken uit de geldende jurisprudentie de navolgende criteria.Er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband, van twee of meerpersonen met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad, dattot (feitelijk en gewenst) doel heeft het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo’n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie te participeren en dus te behoren tot de organisatie. Daarbij is het niet noodzakelijk dat zij bekend waren met alle andere personen die deel uitmaakten van de organisatie dan wel met alle andere personen in de organisatie samenwerken. De samenstelling van het samenwerkingsverband hoeft niet steeds dezelfde te zijn geweest.Om iemand te kunnen aanmerken als deelnemer dient hij of zij tenminste een aandeel tehebben in, dan wel ondersteuning te verlenen aan, gedragingen die strekken tot ofrechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie.De bijdrage dient een zekere duur en intensiteit te hebben alvorens gesteld kan worden dat er sprake is van deelname. In dat verband is specifieke deelneming aan misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht niet nodig, maar wel de wetenschap van het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid. Daarbij is voorwaardelijk opzet niet voldoende. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is niet vereist. Evenmin enige vorm van opzet op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte gedurende één nacht activiteiten heeft verricht die dienstbaar zijn geweest aan de organisatie, in die zin dat hij betrokken is geweest bij een aantal pogingen tot pintransacties. Hoewel verdachte hiermee een aandeel heeft gehad in de gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, te weten diefstal, witwassen en de overige onder feit 3 op de tenlastelegging opgenomen delicten, kan de rechtbank onvoldoende vaststellen dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband tussen verdachte en anderen met een zekere duur en/of intensiteit. Een incidentele bijdrage van een verdachte – zonder dat een verdergaande binding met de organisatie kan worden vastgesteld - brengt nog niet met zich dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor feit 3.
De rechtbank merkt op dat aan het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuige [naam 10] niet meer wordt toegekomen. Omdat van de verklaring van deze getuige geen gebruik is gemaakt in de bewijsconstructie, is de voorwaarde waaronder dit verzoek is gedaan niet vervuld.

4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
hij in de periode van 5 augustus 2017 tot en met 6 augustus 2017 in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

1. subsidiair
- van een geldbedrag te weten euro, de herkomst verhullen en en- een geldbedrag, te weten euro, voorhanden te hebben, terwijl hij, verdachte wist dat het (een)- onmiddellijk of middellijk- van (al dan niet uit eigen) misdrijf afkomstig geldbedrag betrof immers heeft verdachte meermalen, geprobeerd te pinnen bij een pinautomaat met een niet op zijn, verdachtes, naam gestelde pinpas terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met toezicht van de reclassering als bijzondere voorwaarde. Daarnaast vraagt de officier van justitie om verbeurdverklaring van een niet in beslag genomen bedrag ter hoogte van € 268,52.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en geen ander strafmaatverweer gevoerd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot witwassen. Hoewel het niet aan verdachte wordt aangerekend, maakt deze daad wel onderdeel uit van een (veel) groter geheel. Kort gezegd was er sprake van een criminele organisatie die zich bezig hield met phishing van bankgegevens, waarna rekeningen werden leeggehaald. Het feit dat verdachte heeft gepleegd was hierin de laatste schakel. Door het geld op te nemen van de rekening van [naam 6] , eindigt het spoor naar het geld en wordt het aan het zicht van politie en justitie onttrokken. Dat verdachte niet op de hoogte was van het grotere geheel, doet aan de ernst van het feit niet af. Verdachte was bereid om, terwijl hij wist dat het niet in orde was, een bedrag te pinnen met een pinpas die niet op zijn naam stond. Verdachte heeft die nacht immers meerdere malen geprobeerd om de rekening leeg te halen. Verdachte heeft – kennelijk – alleen gedacht aan zijn eigen geldelijk gewin. De rechtbank neemt dit verdachte ernstig kwalijk.
De rechtbank constateert dat verdachte onlangs veroordeeld is voor druggerelateerde feiten. Gelet op artikel 63 Sr zal de rechtbank, waar normaliter een gevangenisstraf in de rede ligt, een taakstraf opleggen. Nu er bij zijn vorige veroordeling al een deel voorwaardelijk is opgelegd, met oplegging van bijzondere voorwaarden, ziet de rechtbank op dit moment geen toegevoegde waarde in het opnieuw opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en rekening houdend met de hierboven genoemde punten is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van , met aftrek van het voorarrest naar rato van twee uur per dag, passend en geboden is.

Voor een verbeurdverklaring van het niet in beslaggenomen bedrag van € 268,52 ziet de rechtbank geen aanleiding. Naar de rechtbank begrijpt strekt de eis in zoverre ertoe het door verdachte verkregen voordeel hem te ontnemen. Voor dat doel is de ontnemingsprocedure in beginsel de aangewezen weg. De rechtbank ziet geen reden daar in dit specifieke geval anders over te denken.

7

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 27, 33, 33a, 45 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
beslissing

8

De rechtbank:
- van de onder 1, primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten;
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, subsidiair:

- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot ;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, zal worden toegepast van ;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag.
Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Strafoplegging

Dit vonnis is gewezen door mr. Felix, voorzitter, mr. Goossens en mr. Schild, rechters, in tegenwoordigheid van Van Rensch, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 mei 2019.

_b68d0c12-abb9-4f86-9f20-03c46959961b
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer DH3R017081 van politie Nederland, Eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag Zuid, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van aangifte [naam 9] , pag. 35 “Algemeen dossier”
_adf15941-4fe6-407f-b3ef-2b5fcb00e783
2

Proces-verbaal van bevindingen, “zaaksdossier 16”, pag. 6-7

_fcb7efd7-c43f-43af-a859-d1e67326f19c
3

Proces-verbaal van bevindingen, “zaaksdossier 7”, pag. 62

_30b652b3-b4e0-4df8-a219-21832dedbf90
4

Proces-verbaal van bevindingen, “zaaksdossier 16”, pag. 9, 10 en 11

_dd48184c-2a23-44bf-baec-87f775e2d233
5

Proces-verbaal van bevindingen, “zaaksdossier 16”, pag. 8-9

_ef727f32-e09c-4646-b2e3-1beb21994fff
6

Proces-verbaal van herkenning, “zaaksdossier 16”, pag. 34

_e85df74c-f3b4-4f66-bd59-55489b4146e4
7

Proces-verbaal van herkenning, “zaaksdossier 16”, pag. 35

_b6de085d-c6ef-4107-a10e-fb615a36bbad
8

Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 6] , “zaaksdossier 16”, pag. 15

_400d2dbd-6bee-44fd-b504-124d3262542f
9

Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 6] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 6 mei 2019