Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:2191

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 17-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:2191, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02-665274-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665274-18

vonnis van de meervoudige kamer van 17 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,wonende te [adres] ,raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat te Schiedam.

ECLI:NL:RBZWB:2019:2191:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665274-18

vonnis van de meervoudige kamer van 17 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,wonende te [adres] ,raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat te Schiedam.
1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 maart 2019, waarbij de officieren van justitie, mr. Van Setten en mr. Hermans, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat
- van een of meer geldbedrag(en), te weten 3536,82 euro, in elk geval 2380 euro, in elk geval een of meer geldbedrag(en),de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en) is/zijn, en/of- een of meer geldbedrag(en) te weten 3536,82 euro, in elk geval 2380 euro, in elk geval een of meer geldbedrag(en) heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het (een) - onmiddellijk of middellijk - van (al dan niet uit eigen) misdrijf afkomstig(e) geldbedrag(en) betrof(fen)
3. - oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of - een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven voorhanden hebben, waardoor toegang kan worden verkregen tot (een) (gedeelte van een) geautomatiseerd werk(en) (artikel 139d en/of 350d Wetboek van Strafrecht) en/of - computervredebreuk (artikel138ab Wetboek van Strafrecht) en/of - aantasting of manipulatie van computergegevens (artikel 350a Wetboek van Strafrecht) en/of - diefstal door middel van braak/verbreking, inklimming en/of een valse sleutel (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en/of - witwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht).
1.hij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 4 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2017 te Nijmegen en/of Millingen aan de Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
2.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2017 te Nijmegen en/of Millingen aan den Rijn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meermalen (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een of meer geldbedragen, te weten [ [naam 1] ] tot een bedrag van EUR 2380 geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van eenvalse sleutel, te weten door gebruik te maken van een niet op zijn, verdachtes en/of mededader(s), naam gestelde bankpas en/of pincode en/of bankrekening, in elk geval een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) niet is/zijn/was/waren gerechtigd;
hij in de periode van 01 december 2016 tot en met 31 oktober 2017 te Oosterland en/of Amsterdam en/of Almere en/of Rotterdam, in elk geval een of meer plaats(en) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, gericht tegen (klanten van) de [naam 3] , namelijk
3

De dagvaarding is geldig.De rechtbank is bevoegd.De officieren van justitie zijn ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij met name op de omstandigheid dat de persoon die pint op de beelden na gelaatsvergelijkend onderzoek door twee deskundigen wordt aangemerkt als verdachte [verdachte] .
4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte lijkt niet op de foto in het dossier. Subsidiair stelt de verdediging dat het doen van een enkele pintransactie op verzoek van een ander, ook al is het midden in de nacht, niet automatisch hoeft te betekenen dat je opzet hebt op diefstal of witwassen, laat staan op deelname aan een criminele organisatie. Opzet op enig strafbaar feit ontbreekt, integrale vrijspraak dient te volgen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat er in deze zaak een “hit” op verdachte tot stand is gekomen middels automatische gelaatsvergelijking. Nadat er op één afbeelding van de pintransactie een match werd gevonden, werd er, volgens hetzelfde proces-verbaal, door twee onderzoekers gekeken naar de match. Zij gaven aan dat er indicaties waren om te stellen dat [verdachte] de man is op de afbeelding van de pintransactie. Er werden veel morfologische overeenkomsten tussen de pinner en verdachte gevonden en geen significante morfologische verschillen.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de ‘hit’ op verdachte in het zgn. CATCH-systeem (Centrale Automatische Technologie voor herkenning) onvoldoende is om te concluderen dat verdachte – buiten redelijke twijfel – als pinner kan worden aangemerkt. De opmerking dat twee onderzoekers zagen dat er veel overeenkomsten waren en geen significante afwijkingen, acht de rechtbank niet zodanig overtuigend dat de ‘hit’ als basis voor een bewezenverklaring kan dienen. Nu er buiten de herkenning geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn die verdachte verbinden aan een van de ten laste gelegde feiten, is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

beslissing

5

De rechtbank:
Vrijspraak

- van de hem tenlastegelegde feiten.
Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens, voorzitter, mr. Felix en mr. Schild, rechters, in tegenwoordigheid van Van Rensch, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 mei 2019