Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:2190

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 17-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:2190, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02-665275-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665275-18

vonnis van de meervoudige kamer van 17 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,wonende te [adres] ,raadsman mr. Van Kregten, advocaat te Waddinxveen.

ECLI:NL:RBZWB:2019:2190:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665275-18

vonnis van de meervoudige kamer van 17 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,wonende te [adres] ,raadsman mr. Van Kregten, advocaat te Waddinxveen.
1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 maart 2019, waarbij de officieren van justitie, mr. Van Setten en mr. Hermans, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat
- van een of meer geldbedrag(en), te weten 3536,82 euro, in elk geval 2380 euro, in elk geval een of meer geldbedrag(en),de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en) is/zijn, en/of- een of meer geldbedrag(en) te weten 3536,82 euro, in elk geval 2380 euro, in elk geval een of meer geldbedrag(en) heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het (een) - onmiddellijk ofmiddellijk - van (al dan niet uit eigen) misdrijf afkomstig(e) geldbedrag(en) betrof(fen)
3. hij in de periode van 01 december 2016 tot en met 31 oktober 2017 te Oosterland en/of Amsterdam en/of Almere en/of Nijmegen en/of Millingen aan de Rijn, in elk geval een of meer plaats(en) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, gericht tegen (klanten van) de [naam 4] , namelijk- oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of- een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven voorhanden hebben, waardoor toegang kan worden verkregen tot (een) (gedeelte van een) geautomatiseerd werk(en) (artikel 139d en/of 350d Wetboek van Strafrecht) en/of- computervredebreuk (artikel138ab Wetboek van Strafrecht) en/of- aantasting of manipulatie van computergegevens (artikel 350a Wetboek van Strafrecht) en/of- diefstal door middel van braak/verbreking, inklimming en/of een valse sleutel (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en/of- witwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht);
1.hij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 4 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2017 te Nijmegen en/of Millingen aan de Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
2.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 augustus 2017 tot en met 5 augustus 2017 te Nijmegen en/of Millingen aan den Rijn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meermalen (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een of meer geldbedragen, te weten [ [naam 2] ] tot een bedrag van EUR 2380 geheel of ten dele toebehorende aan [naam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van eenvalse sleutel, te weten door gebruik te maken van een niet op zijn, verdachtes en/of mededader(s), naam gestelde bankpas en/of pincode en/of bankrekening, in elk geval een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) niet is/zijn/was/waren gerechtigd.
3

De dagvaarding is geldig.De rechtbank is bevoegd.De officieren van justitie zijn ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met valse sleutel en deelname aan een criminele organisatie en baseert zich daarbij op de verklaring van [naam 1] , de verklaring van de moeder van verdachte en de gegevens van de pintransactie.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het feit dat de auto van verdachte blijkbaar betrokken is geweest bij een ontmoeting die [naam 1] had, met twee hem onbekende personen. De beschrijvingen van de personen in die auto, matchen niet met het uiterlijk van verdachte. Een verbalisant verklaart dat hij verdachte vindt lijken op de man op de camerabeelden van de pinautomaat, maar de moeder van verdachte herkent haar zoon er niet op. Er is dan ook geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte degene is die de pintransactie heeft gedaan. Nu verdachte geen betrokkenheid bij deze transactie had, en er geen enkele aanwijzing in het dossier voorhanden is dat hij enige betrokkenheid had bij witwassen of een criminele organisatie, moet hij worden vrijgesproken.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

Aangever [naam 1] verklaart dat hij, na te zijn ingegaan op een wervingsbericht op Instagram, een ontmoeting had met twee personen. Die personen kwamen met een auto die op naam staat van de moeder van verdachte. Moeder verklaart dat haar zoon, verdachte, de auto gebruikt. [naam 1] kreeg € 100,- in ruil voor zijn pinpas en pincode. Op de camerabeelden van de pinautomaat die vervolgens is gebruikt om te pinnen, is een persoon te zien, maar dat is in ieder geval niet [naam 1] . Een verbalisant vindt verdachte lijken op de man die op die beelden te zien is. De foto is ook getoond aan de moeder van verdachte, maar zij verklaart dat het verdachte niet is. [naam 1] herkent de man die pint op de beelden niet en merkt op dat het wellicht de bestuurder van de auto is geweest. Verdachte zelf ontkent betrokkenheid bij een misdrijf.
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel er aanwijzingen zijn dat verdachte betrokken is geweest bij het geheel, niet wettig bewezen kan worden dat verdachte daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in de diefstal of het witwassen. Gelet op het feit dat er een tweede man betrokken was bij de afgifte van de pinpas door [naam 1] , de omstandigheid dat de herkenning van verdachte niet overtuigend is en verdachte stellig blijft bij zijn ontkenning, kan niet worden geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat verdachte de pintransactie heeft verricht, dan wel zo nauw en bewust heeft samengewerkt met degene die de pintransactie heeft verricht dat kan worden gesproken van medeplegen. De rechtbank zal verdachte dan ook integraal vrijspreken.

beslissing

5

De rechtbank:
Vrijspraak

- van de tenlastegelegde feiten.
Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens, voorzitter, mr. Felix en mr. Schild, rechters, in tegenwoordigheid van Van Rensch, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 mei 2019