Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:2180

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:2180, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02-821039-15


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/821039-15

vonnis van de meervoudige kamer van 15 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1946, te [geboorteplaats] ,wonende aan de [adres]raadsman mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg.

ECLI:NL:RBZWB:2019:2180:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/821039-15

vonnis van de meervoudige kamer van 15 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1946, te [geboorteplaats] ,wonende aan de [adres]raadsman mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg.
1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 mei 2019, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.Verdachte kon vanwege lichamelijke klachten niet in persoon aanwezig zijn op de zitting. Hij is via de telefoon van de raadsman ter zitting gehoord.
2

Verdachte staat, met inachtneming van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, terecht, ter zake dat:
- naast die [naam 1] is gaan zitten en/of- zijn hand op het been van die [naam 1] heeft gelegd en/of- dicht tegen die [naam 1] is aan gaan zitten en/of- zijn penis uit zijn broek heeft gehaald en/of- ( vervolgens) om de hand van die [naam 1] heeft gevraagd (teneinde deze naar zijn penis te brengen),
hij op of omstreeks 13 juli 2015 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om buiten echt ontuchtige handelingen te plegen met de minderjarige [naam 1] ( [geboortedatum] ), daartoe

terwijl de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet voltooidart 247 Wetboek van Strafrecht
subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 juli 2015 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, een persoon ( [naam 1] , geboren op [geboortedatum] ), van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van (zijn, verdachtes) seksuele handelingen, door:in het bijzijn en/of in de directe nabijheid van die [naam 1] zijn gulp zijn geslachtsdeel uit zijn broek te halen en/of zijn ontblote geslachtsdeel aan haar tonen en/of (vervolgens) haar heeft gevraagd om haar hand te geven;art 248d Wetboek van Strafrecht
3

De dagvaarding is geldig.De rechtbank is bevoegd.De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het primair tenlastegelegde feit (een poging tot ontucht) heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte van [naam 1] . Haar aangifte wordt ondersteund door de camerabeelden en door de verklaring van haar moeder. Op de beelden is te zien dat [naam 1] wegrent vanuit het huisje bij de [naam 2] , zoals zij ook heeft verklaard bij de politie. De moeder van [naam 1] , die daar werkt, heeft verklaard dat haar dochter erg overstuur bij haar aankwam. Dat er sprake is geweest van een poging tot het plegen van de ontuchtige handelingen volgt volgens de officier van justitie uit de feitelijke handelingen die zijn gepleegd en die een begin van uitvoering vormen. Verdachte is immers dicht tegen [naam 1] aan gaan zitten, heeft vervolgens zijn penis uit de broek gehaald en om haar hand gevraagd. Deze handelingen moeten als ontuchtige handelingen worden gezien.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte was daar wel aanwezig, maar hij heeft geen ontuchtige handelingen gepleegd en wilde dit ook niet doen. De aangifte wordt door geen enkel ander bewijs ondersteund. Niemand heeft het vermeende voorval gezien. De enkele omstandigheid dat verdachte daar aanwezig was, is onvoldoende bewijs om hem te veroordelen. De verklaring van [naam 1] is ook op meerdere punten onjuist. Verdachte heeft, anders dan [naam 1] heeft verklaard, geen moedervlekken op zijn handen en armen en had geen jas aan waarvan de mouwen op te rollen waren. Verdachte dient dan ook vrijgesproken te worden. De verdediging heeft verder betoogd dat, indien de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte zich wel schuldig heeft gemaakt aan het tonen van zijn penis aan die [naam 1] , er nog geen sprake is van een situatie als bedoeld in de artikelen 247 en 248d van het Wetboek van Strafrecht. Deze artikelen zijn echter wel ten laste gelegd. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

Op 14 juli 2015 deed [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1] ), geboren op [geboortedatum] en toen dus 13 jaar oud, aangifte bij de politie. Zij verklaarde op maandagmiddag 13 juli 2015, rond 13:45 uur, even buiten de fietsenstalling van de [naam 2] te hebben staan wachten op haar vrienden. Zij besloot op een bankje in een soort hutje, gelegen op een paar meter afstand van de fietsenstalling te gaan zitten. Tussentijds werd zij nog gebeld door een vriendin en is zij opgestaan. Toen zij terug op het bankje ging zitten, stond er een man bij het bankje. De man begon tegen haar te praten. Hij vroeg of ze voor de [naam 2] kwam en op welke school zij zat. Op enig moment kwam de man links naast haar op het bankje zitten. Terwijl hij daar plaatsnam, legde hij zijn rechterhand op haar linker bovenbeen en zei: “Ik mag wel naast je komen zitten hè?”, waarop zij ja antwoordde. Omdat de man dicht tegen haar aan kwam zitten, schoof zij een beetje op. Het was een bankje waar je met drie of vier personen op kan zitten. Er zat verder niemand op het bankje. Terwijl [naam 1] op haar mobiele telefoon bezig was, merkte ze dat de man aan zijn kleding aan het friemelen was. Op enig moment hoorde ze de man zeggen: “Geef mij eens je hand”. Toen ze opzij keek, zag ze direct dat de man zijn geslachtsdeel uit zijn broek had. Zij is toen ze dat zag meteen hard weggerend. [naam 1] vertelde haar moeder, die in de buurt aan het werk was bij [naam 2] , kort daarna wat er was gebeurd. Haar moeder zag dat [naam 1] heel erg overstuur was. Het verhaal van haar dochter kwam er hortend en stotend uit.
Er staat een camera gericht op het wachthuisje waarin het bankje staat. Brigadier [naam 3] van de politie heeft de camerabeelden bekeken en omschreven. Hij zag op de beelden dat een man aankomt bij het wachthuisje met een fiets. Deze man loopt om de hoek van het huisje en verdwijnt dan uit zicht onder het dak van het huisje. Om 13:36 uur ziet hij het benadeelde meisje van 13 (de rechtbank begrijpt dat hij [naam 1] bedoelt) vanuit het huisje komen lopen. Zij loopt het links gelegen pad in en lijkt veelvuldig met haar telefoon bezig. Om 13:40 komt zij vanuit het linker pad weer in beeld lopen en verdwijnt zij, terwijl zij kennelijk nog steeds met haar telefoon bezig is, uit beeld onder het dak van het huisje. Om 13:51 uur is te zien dat zij hard wegrent in de richting van het recht tegenover liggende pad.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting verklaard op maandagmiddag 13 juli 2015 naast [naam 1] in het wachthuisje te hebben gezeten en daar met haar gesproken te hebben. Hij ontkent echter haar zijn penis te hebben getoond of om haar hand te hebben gevraagd, met het doel deze naar zijn penis te brengen.

Wat is er gebeurd?

De rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden wat er is gebeurd in het wachthuisje waar verdachte en [naam 1] zaten, aangezien zij allebei iets anders verklaren. Lastig daarbij is dat er geen getuigen zijn die kunnen vertellen wat er is gebeurd, terwijl ook de camerabeelden niet alles tonen. Veel komt dan aan op [naam 1] verklaring. Uit de wet volgt echter dat de rechtbank iemand niet kan veroordelen op basis van één, op zichzelf staande verklaring. [naam 1] verklaring mag, anders gezegd, niet het enige bewijsmiddel zijn, maar moet voldoende ondersteund worden door ander bewijs. Dit kan bijvoorbeeld doordat andere bewijsmiddelen de door [naam 1] genoemde specifieke omstandigheden of concrete context bevestigen. Om te bepalen of dit zo is, heeft de rechtbank het volgende meegewogen.
[naam 1] heeft verklaard dat zij hard wegrende toen zij het geslachtsdeel van verdachte zag. Dat zij ook daadwerkelijk hard is weggerend, blijkt uit de camerabeelden. Het verhaal van [naam 1] wordt op dit specifieke punt dan ook bevestigd door ander bewijs. Dat [naam 1] om een andere reden zou zijn weggerend, ligt bovendien niet voor de hand. Zij zat immers juist te wachten op vrienden om met hen naar de [naam 2] te gaan.

Kort nadat [naam 1] was weggerend, heeft zij haar moeder, die in de buurt was, verteld wat haar was overkomen. Haar moeder zag dat haar dochter erg overstuur was en dat het verhaal er hortend en stotend uit kwam. Dit is een eigen waarneming die [naam 1] moeder heeft gedaan met betrekking tot de (emotionele) toestand van haar dochter. Ook dit bevestigt [naam 1] verklaring.

De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat [naam 1] verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen en dat deze daarom betrouwbaar is. Het enkele feit dat zij, zoals verdachte stelt, misschien onjuist heeft verklaard over (het aantal) moedervlekken op de armen van verdachte of de (mate van) opstroopbaarheid van zijn mouwen, maakt niet dat haar verklaring daarom niet betrouwbaar zou zijn. Het gaat hier immers om (onbelangrijke) details, terwijl haar verhaal op belangrijke punten ondersteund wordt door ander bewijs. Het is juist de verklaring van verdachte die niet betrouwbaar is, omdat hij steeds anders heeft verklaard over wat er is gebeurd in het wachthuisje.

Met [naam 1] verklaring en het hiervoor besproken ondersteunende bewijs vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dicht tegen [naam 1] aan is gaan zitten, hij zijn hand op haar been heeft gelegd, zijn penis uit zijn broek heeft gehaald en [naam 1] daarbij om haar hand heeft gevraagd.

Poging tot ontucht?

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de handelingen van verdachte een poging tot ontucht opleveren. Hier wordt verdachte namelijk primair van beschuldigd. Daarvoor is van belang om welke reden verdachte om [naam 1] hand vroeg. Het onverwachts laten zien van een penis – hoe ongewenst en schokkend dit ook was voor [naam 1] – levert namelijk nog geen ontucht op, net zomin als het pakken of vasthouden van een hand. Als verdachte echter de bedoeling had [naam 1] hand naar zijn penis te brengen, kan worden gezegd dat het zijn bedoeling was om ontuchtige handelingen te plegen, en dat sprake is van een begin van uitvoering daarvan.
De rechtbank vindt de verklaringen van verdachte zelf niet geloofwaardig en moet daarom uit de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen en de omstandigheden waaronder die hebben plaatsgevonden afleiden wat hij van plan was. Het volgende is daarvoor van belang.

Verdachte is vlak tegen [naam 1] - een voor hem onbekend en jong meisje van toen nog maar 13 jaar oud - aan gaan zitten op een bankje, terwijl dat groot genoeg was voor 3 of 4 personen en hier niemand anders op zat. Verdachte legde direct toen hij ging zitten zijn rechterhand op [naam 1] linker bovenbeen. Dat laatste is een vorm van contact die niet gepast is. Uit het tegen [naam 1] aan gaan zitten en een hand op haar been leggen leidt de rechtbank af dat verdachte op zoek was naar lichamelijk contact met haar. Het bankje stond onder een soort houten overkapping, waardoor verdachte en [naam 1] niet zichtbaar waren vanaf de achterkant of zijkanten van het wachthuisje. Er kwamen weinig mensen voorbij. Terwijl [naam 1] was afgeleid door haar telefoon, haalde verdachte zijn penis uit zijn broek en vroeg hij haar om haar hand eens aan hem te geven.

Gelet hierop kan het niet anders dan dat verdachte [naam 1] vroeg om haar hand, met het doel deze naar zijn penis te brengen. De gedragingen van verdachte moeten in samenhang worden gezien en de laatste twee handelingen - het ontbloten van zijn penis en het vragen om haar hand te geven - vonden zelfs vrijwel tegelijkertijd plaats. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een poging tot het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige en kan het primair ten laste gelegde bewezen worden verklaard.

4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Primair: hij of omstreeks
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

- naast die [naam 1] is gaan zitten en- zijn hand op het been van die [naam 1] heeft gelegd en- dicht tegen die [naam 1] is aan gaan zitten en- zijn penis uit zijn broek heeft gehaald en- ( vervolgens) om de hand van die [naam 1] heeft gevraagd (teneinde deze naar zijn penis te brengen),terwijl de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet voltooid.
5

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 99 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat het verdachte wordt verboden om zich in één ruimte/situatie te bevinden met één of meer kinderen onder de 16 jaar, zonder dat daarbij een andere volwassene aanwezig is.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De feiten waarvan verdachte wordt beschuldigd, kunnen volgens de verdediging niet worden bewezen, zodat geen straf kan worden opgelegd. Mocht de rechtbank toch tot een veroordeling komen, dan is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend. Verdachte heeft namelijk een ernstige vorm van COPD en kan hierdoor eigenlijk niet meer buiten zijn woning komen. Een verdere straf is niet passend, gelet op de medische situatie van verdachte. Ook een behandeling is niet passend, enerzijds vanwege zijn medische situatie en anderzijds omdat ook de deskundigen stellen dat verdere behandeling niet zinvol is. Voortzetting van het reclasseringstoezicht is ook weinig zinvol, omdat dit contact enkel bestaat uit gesprekken bij verdachte thuis en hij al vier jaar toezicht heeft gehad en zich steeds aan alle afspraken heeft gehouden.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft in het openbaar en op klaarlichte dag geprobeerd ontucht te plegen met een voor hem onbekend meisje van slechts 13 jaar oud. Hij is vlak naast haar gaan zitten op een bankje, heeft zijn hand op haar been gelegd, vervolgens zijn penis uit zijn broek gehaald en haar gevraagd haar hand te geven met de bedoeling om deze naar zijn penis te brengen. Hiermee heeft hij zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit, waarvan het meisje, zo blijkt uit de verklaring die zij op de zitting heeft afgelegd, ook nu nog de gevolgen ondervindt. Zij is een tijdlang bang geweest en durfde niet meer alleen naar (de fietsenstalling van) de [naam 2] te gaan. Zij voelt zich ook nu nog niet op haar gemak bij oudere mannen. Verdachte heeft er geen enkele rekening mee gehouden wat voor gevolgen zijn daad zou hebben voor haar. Hij was enkel gericht op de bevrediging van zijn eigen behoeftes.
Het is bovendien niet de eerste keer dat verdachte wordt veroordeeld voor een zedendelict, zo blijkt uit zijn strafblad. Er is sprake van recidive. Daarbij valt op dat het bij alle delicten waarvoor hij is veroordeeld ging om minderjarige kinderen. Dit weegt in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf verder rekening met het feit dat verdachte lijdt aan een ernstige vorm van COPD. Hij lijkt bijna 24 uur per dag afhankelijk van extra zuurstof. De verwachting is dat zijn gezondheid alleen maar achteruit zal gaan en dat hij vanwege deze achteruitgang voortdurend in de aanwezigheid van een begeleider zal zijn wanneer hij zijn huis zal verlaten. Dit verlaagt de kans dat hij nogmaals een dergelijk feit kan plegen.

Verder heeft verdachte meegewerkt aan een psychologisch en een psychiatrisch onderzoek. H. Kondakçi, psychiater, schrijft in het rapport van 9 mei 2018 dat er vanwege de massale ontkenning van verdachte geen uitspraken kunnen worden gedaan over de aan- of afwezigheid van stoornissen of andere persoonlijkheidsproblematiek. De psycholoog, W.J.P. Gaertner, schrijft in het rapport van 22 mei 2018 wel voldoende aanwijzingen te zien om te spreken van ongespecificeerde parafilie bij verdachte. Het is de psycholoog echter niet duidelijk geworden of er sprake is van pedofilie en/of exhibitioneren en/of voyeurisme. En hoewel de psycholoog het wenselijk vindt dat verdachte behandelend wordt voor zijn stoornis, wordt behandeling toch niet aanbevolen. Verdachte is namelijk niet ontvankelijk voor behandeling en zijn conditie is dermate beperkt dat het recidiverisico op dit moment sowieso al als laag wordt ingeschat. Eerdere behandelingen hebben daarbij geen resultaat gehad.

Ook de reclassering, die verdachte al meerdere jaren regelmatig spreekt in het kader van zijn schorsing, heeft een rapportage geschreven. Geadviseerd wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zonder verder reclasseringstoezicht als voorwaarde. De reclassering schrijft verder dat verdachte lichamelijk niet in staat is een taakstraf te verrichten.

Dit alles overziend vindt de rechtbank dat, met name gelet op de ernst van het feit en het feit dat er sprake is van recidive, een gevangenisstraf op zijn plaats is. Verdachte zal in lijn met de eis van de officier van justitie worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 99 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Dit betekent dat hij niet terug de gevangenis in hoeft, tenzij hij weer de fout in gaat. Verdachte heeft namelijk al 39 dagen in voorarrest doorgebracht – van 27 juli 2015 tot en met 3 september 2015 - zodat hij het onvoorwaardelijke gedeelte van zijn gevangenisstraf hiermee al heeft uitgezeten. De voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd om de ernst van het feit te benadrukken en deze geldt tevens als waarschuwing voor verdachte dat hij nooit meer zoiets moet doen.

Gezien de uitgebrachte rapporten en adviezen zullen geen bijzondere voorwaarden worden verbonden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf. De door de officier van justitie geëiste bijzondere voorwaarde wordt ook niet opgelegd. Los van de slechte lichamelijke conditie van verdachte, die de kans op herhaling al klein maakt, lijkt deze voorwaarde ook niet of nauwelijks controleerbaar of te handhaven en daardoor praktisch niet uitvoerbaar.

7

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van aan immateriële schade.
De rechtbank is van oordeel dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De rechtbank zal de immateriële schadevergoeding, in lijn met de eis, naar billijkheid vaststellen op € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Dat wil zeggen dat het bedrag zal worden geïnd door het CJIB en dat bij niet tijdige betaling 5 dagen hechtenis kan worden toegepast als dwangmaatregel.

8

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 45 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
beslissing

9

De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Poging tot het plegen van ontuchtige handelingen buiten echt met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren;- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot ;- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;- stelt als dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer te betalen, bij niet betaling te vervangen door , met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Strafoplegging

Benadeelde partij

Voorlopige hechtenis

Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, voorzitter, mr. Bogaert en mr. Vermariën, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 mei 2019.

_daecb0e3-7704-43ce-b176-f4a30a5f0162
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2015180973 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 91. Het proces-verbaal van aangifte van 14 juli 2015, pagina’s 63 en 64.
_4cf86151-ead5-45ac-9428-30e2e693776c
2

Het proces-verbaal van aangifte van 14 juli 2015, pagina 64.

_8c15e445-64d2-44ff-83e6-959447aad22e
3

Het proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2015, pagina’s 73 en 75.

_7413e34e-9a5a-460f-bbe2-37a8ce067fb1
4

Het proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2015, pagina 76.

_f9baed06-3766-4c2e-a571-178b798b7828
5

Het proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2015, pagina 78.

_d5ce515e-303f-4e26-866c-a1758c8acfdd
6

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 27 juli 2015, pagina 23.

_768208d0-a174-4e5c-b034-c831adcdcb5d
7

De verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 1 mei 2019.