Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:1575

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:1575, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02-811322-12


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Schiphol/Breda

parketnummer: 02/811322-12

vonnis van de meervoudige kamer van 11 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats]niet als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederlandraadsvrouw mr. Van Essen, advocaat te Amsterdam

ECLI:NL:RBZWB:2019:1575:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Schiphol/Breda

parketnummer: 02/811322-12

vonnis van de meervoudige kamer van 11 april 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats]niet als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederlandraadsvrouw mr. Van Essen, advocaat te Amsterdam
1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 14, 15 en 17 januari 2019 en 28 maart 2019, waarbij de officieren van justitie, mrs. Den Hartog en Van der Veen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat
- het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen en/of- diefstal door middel van braak en/of verbreking van energie/stroom en/of- het opzettelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken van enig
- het witwassen (van de opbrengsten van bovengenoemde misdrijven)
- witwassen van voorwerpen en/of- diefstal door middel van braak en/of verbreking van stroom en/of- het opzettelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken van enig- afpersing en/of diefstal door middel van en/of gevolgd van geweld vangeldbedragen en/of hennep en/of de opbrengsten van hennep en/of- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zwaremishandeling,
- het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijktelen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of
1.

Hennepkwekerij [adres 1] , Zaaksdossier 2, blz. 2825

t/m 3520.

hij op meerdere, althans (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van1 april 2008 tot en met 20 april 2012 te Etten-Leur,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf(telkens) opzettelijk ongeveer 530, althans (telkens) een (grote) hoeveelheidhennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval (telkens)een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel alsbedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IIheeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/ofafgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijkaanwezig heeft gehad;Art. 11 lid 2,3 en 5 Opiumwetart 3 ahf/ond B Opiumwetart 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrechtart 11 lid 2 Opiumwet
2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 19 april 2012, teTilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (van) een of meervoorwerp(en), te weten geldbedragen en/of woningen/panden en/of voertuigenen/of luxe goederen
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of deverplaatsing verborgen en/of verhuld, danwel verborgen en/of verhuld wie derechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) voorwerpen en/of heeft/hebbenhij, verdachte, en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wiebovengenoemde voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij,verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) althans redelijkerwijs had(den)moeten vermoeden dat de/het bovengenoemde voorwerp(en) - onmiddellijk ofmiddellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
en/of

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een)voorwerp(en), te weten van geldbedragen en/of woningen/panden en/of voertuigenen/of luxe goederen, gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijnmededader(s) wist(en) althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden datbovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uitenig misdrijf;art 420ter Wetboek van Strafrechtart 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht
3.

Criminele organisatie, Zaaksdossier 5 Blz. 7210 t/m 7268.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006 teTilburg en/of Breda en/of elders In Nederland,heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband vaneen aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [naam 1]en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of een of meer anderemedeverdachten,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:
bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/ofverstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben vanhennep en/of
electriciteitswerk en/of stoornis in de gang of in de werking van zodanig werkveroorzaken of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregelverijdelen en/of
zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder vanvoormelde organisatie was;art 140 lid 3 wetboek van strafrecht.art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht
4.

Criminele organisatie, Zaaksdossier 5 Blz. 7210 t/m 7268.

A.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 20 april 2012 teTilburg en/of Breda en/of Etten-Leur en/of Oisterwijk en/of Alphen (gemeenteAlphen-Chaam) en/of elders In Nederland,heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband vaneen aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [naam 1]en/of [naam 4] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of een ofmeer andere medeverdachten,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:
electriciteitswerk en/of stoornis in de gang of in de werking van zodanig werkveroorzaken of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregelverijdelen en/of
zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder vanvoormelde organisatie was;140 lid 1 en 3 Wetboek van Strafrecht
en/of

B.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 20 april 2012 teTilburg en/of Etten-Leur en/of Oisterwijk en/of Alphen en/of elders InNederland,heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband vaneen aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [naam 1]en/of [naam 4] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of een ofmeer andere medeverdachten,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven alsbedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet te weten:
afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezighebben van (grote) hoeveelheden hennep;
zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder vanvoormelde organisatie was;11a Opiumwetart 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht
5.

Hennepkwekerij [naam 5] te Alphen, Zaaksdossier 6, blz. 7269 t/m 7982.

hij op meerdere, althans (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van1 april 2011 tot en met 15 november 2011 te, Alphen, gemeente Alphen-Chaam, ineen pand gelegen aan de [adres 2] (Restaurant " [naam 5] ")tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf(telkens) opzettelijk ongeveer 1150, althans (telkens) een (grote)hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval(telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep eenmiddel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IIheeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/ofafgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijkaanwezig heeft gehad;art 11 lid 3 en 5 Opiumwetart 47 lid 1 Wetboek van Strafrechtart 3 ahf/ond B Opiumwetart 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrechtart 11 lid 2 Opiumwet
6.

Hennepkwekerij [adres 3] en knipperij [adres 4] ,

Zaaksdossier 2 (Kenia), blz. 7983 t/m 14968.

A.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 september 2011 teAlphen, gemeente Alphen-Chaam, (in een (bedrijfs)pand aan de [adres 3] ,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijfopzettelijk ongeveer 1540, althans een (grote) hoeveelheid hennepplantenen/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval een hoeveelheid van meerdan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst IIheeft geteeld en/of verwerkt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezigheeft gehad;
en/of

B.

hij op of omstreeks 22 september 2011 te Tilburg (in de kelder van eengarage/loods gelegen op het adres [adres 4] )tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijfopzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 435 kilogram hennep, in elk geval eenhoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;art 11 lid 3 en 5 Opiumwetart 3 ahf/ond B Opiumwetart 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrechtart 11 lid 2 Opiumwet
3

3.1
De geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat voor wat betreft feit 2 de tenlastelegging niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 Wetboek van Strafvordering omdat niet wordt gespecificeerd op welke concrete geldbedragen, woningen/panden, voertuigen en luxe goederen het Openbaar Ministerie doelt. Ook wordt niet toegelicht waar de witwashandeling uit zou hebben bestaan of waaruit het “gewoonte maken” van het witwassen zou moeten blijken. Bovendien is er geen concreet zaaksdossier witwassen ten aanzien van [verdachte] .
Het standpunt van de officier van justitie

Het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat op grond van de geldende jurisprudentie de termen “gewoonte”, “omzetten” en “een of meer geldbedragen” voldoende feitelijk zijn, mede ook omdat [verdachte] van de misdaad leefde en van het omzetten van zwart geld een gewoonte maakte.
Het oordeel van de rechtbank

Met de verdediging stelt de rechtbank vast dat de tenlastelegging onder feit 2 betreffende het witwassen summier is opgesteld en geen enkele verfeitelijking bevat. Daar komt bij dat aan het tenlastegelegde witwassen geen zaaksdossier ten grondslag ligt. Ook daarmee wordt de verdediging niet nader geïnformeerd omtrent bedragen, voertuigen of goederen waarover het witwassen in dit onderzoek zou kunnen gaan en waartegen [verdachte] zich zou moeten verdedigen. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de voorzitter nog aan de officier van justitie gevraagd of daaromtrent meer duidelijkheid gegeven zou kunnen worden en het antwoord daarop was dat het zou gaan om al datgene dat [verdachte] naar eigen zeggen in de afgelopen negen jaren aan de hennephandel zou hebben verdiend. De rechtbank is van oordeel dat ook met deze aanvulling voor [verdachte] onvoldoende duidelijk is waartegen hij zich tegen dient te verdedigingen en zij is dan ook van oordeel dat de tenlastelegging voor wat betreft feit 2 niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De dagvaarding wordt daarom partieel nietig verklaard.
3.2
De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.
3.3
De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat door de CIE, door de tactische recherche en door het openbaar ministerie wettelijke voorschriften en beginselen van behoorlijke procesorde zijn geschonden. De verweren van de verdediging kunnen als volgt worden samengevat:
1

arabic

Pressieverbod;

Cautieplicht en Salduz;

Verbaliseerplicht;

Geheimhoudingsplicht;

arabic

Vertrouwensbeginsel;

Beginsel van zuiverheid van oogmerk en legaliteitsbeginsel;

Beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging;

Equality of arms;

Recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM).

arabic

Heeft [verdachte] openheid van zaken gegeven omdat hij daartoe werd gedwongen door de mededeling dat hij dan bescherming zou krijgen?

Heeft het Openbaar Ministerie voldaan aan haar zorgplicht op het moment dat [verdachte] openheid van zaken had gegeven?

2. Geschonden beginselen van behoorlijke procesorde:





De door de raadsvrouw gegeven nadere onderbouwing van de aangevoerde verweren zal de rechtbank nader beschrijven bij het geven van haar oordeel over voornoemde niet-ontvankelijkheidsverweren.

Het standpunt van de officier van justitie

Ook de door de officier van justitie ingenomen standpunten met betrekking tot haar ontvankelijkheid, zal de rechtbank bij het geven van haar oordeel nader aanduiden.
Het oordeel van de rechtbank

Door de verdediging van [verdachte] is gesteld dat een veelvoud aan verzuimen aan de kant van de CIE, de tactische recherche, het Openbaar Ministerie en de rechtbank tezamen heeft geleid tot een vervolging van [verdachte] die niet voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces. De verdediging heeft een groot aantal voorschriften en beginselen opgesomd, die alle doelbewust en in ernstige mate zouden zijn geschonden, op grond waarvan is gesteld dat dit tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden.
De officier van justitie bestrijdt dat het Openbaar Ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte heeft gehandeld en zij heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

De rechtbank stelt voorop dat blijkens vaste jurisprudentie niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 en HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376). Dit betekent dat de lat om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren hoog ligt.De rechtbank zal de diverse verzuimen dan wel schendingen hierna behandelen in de volgorde zoals de rechtbank die overzichtelijk vindt.
I De cautie

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is gesteld dat aan [verdachte] tijdens zijn verklaring op 20 april 2012 en zijn eerste verklaring op 3 mei 2012 als aangever niet de cautie is gegeven. Dit had wel gemoeten omdat er sprake is van zelfincriminatie en van vragen die zien op betrokkenheid bij strafbare feiten. Daardoor is het recht op een eerlijk proces geschonden en deze schending is een ernstig vormverzuim. Deze schendingen, door de met opsporing belaste ambtenaren, onder leiding van de verschillende officieren van justitie, zijn doelbewust, althans vormen een grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] waardoor hij in zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

[verdachte] is als verdachte steeds de cautie gegeven. De aangiftes van 20 april en 3 mei 2012 zijn geen verhoren waarbij [verdachte] als verdachte is gehoord of verhoren waarbij hij zichzelf belast. Na het doen van aangifte is hij als verdachte gehoord waarbij hem de cautie is gegeven.
Het oordeel van de rechtbank

De cautie op 20 april 2012

Volgens het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2013 meldde [verdachte] , die woonachtig is in Tilburg, zich op 20 april 2012 bij het politiebureau Mijkenbroek te Breda, omdat hij iets wilde vertellen over hennep en een man genaamd “ [naam 6] ”. Hij wilde tevens aangifte doen van bedreiging. Verbalisanten van het regionaal Hennepteam werden geïnformeerd en besloten werd het verhaal van [verdachte] aan te horen. [verdachte] vertelde dat hij door een bedreiging op een punt was gekomen dat hij de politie moest inschakelen, omdat hij bang was dat er iets met hem of zijn gezin zou gaan gebeuren. Hij had veel informatie die hij wilde delen en hij wilde graag bescherming. Twee verbalisanten hebben [verdachte] en zijn vrouw vervolgens in een verhoorruimte over de bedreiging gehoord, terwijl op datzelfde moment de CIE werd benaderd met de vraag of men interesse had in het verhaal van [verdachte] . Ook de parketsecretaris Van Oosterhout werd geïnformeerd. Hij zou contact opnemen met de CIE-officier.Omdat [verdachte] aangaf betrokken te zijn bij grootschalige handel in hennep, is hem, volgens het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2013, na een korte pauze de cautie gegeven en is men verder gegaan met het afnemen van de verklaring. Na enige tijd kwamen de CIE-medewerkers binnen. Zij hebben de gesprekken met [verdachte] en zijn vrouw voortgezet. De tactische verbalisanten werd verzocht de verklaring voor zover die tot dan toe was opgenomen, weer te geven in een Word-document en door [verdachte] te laten ondertekenen. Dit betreft de verklaring van 20 april 2012 zoals die in het persoonsdossier van [verdachte] als bijlage 8 is opgenomen.
In deze verklaring leest de rechtbank dat [verdachte] op 20 april 2012 onder meer heeft verklaard over het contact met [naam 1] , hoe de relatie met hem tot stand is gekomen en hoe hij bij de activiteiten van [naam 1] betrokken is geraakt. Hij verklaart ook in grote lijnen over het aantal panden waarin werd gekweekt en over de duur dat deze panden werden gebruikt. Hij schat dat ze een jaar of zes geleden 15 panden hadden met ongeveer 350 planten per pand en dat ze die panden zeker drie jaar hebben gehad. Vervolgens verklaart hij over de bedreiging op 19 april 2012 naar aanleiding van een kwekerij aan de [adres 1] die geript was en waarvoor hij verantwoordelijk werd gehouden. Hij verklaart over de bedreiging jegens hem in dat verband maar ook over het geweld dat hij zelf tegenover de katvanger heeft gebruikt.
De rechtbank constateert dat in de verklaring van 20 april 2012 niet is vermeld dat [verdachte] op enig moment de cautie heeft gekregen of dat hem is gevraagd of hij bijstand van een advocaat wilde of dat hij daarop gewezen is. Volgens het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2013 zou hem die cautie op enig moment wel zijn gegeven. De verbalisanten die betrokken zijn geweest bij het opmaken van de verklaring van [verdachte] op 20 april 2012, zijn onder andere daarover bij de rechter-commissaris gehoord. Verbalisant [naam 7] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat toen zij na de rookpauze terugliepen, verbalisant [naam 8] hem vertelde dat hij [verdachte] de cautie had gegeven tijdens de eerste rookpauze. Hij was daar zelf niet bij. Hij weet niet hoe lang er gesproken is met [verdachte] voordat verbalisant [naam 8] aan hem de cautie heeft gegeven.Verbalisant [naam 8] bevestigt de verklaring van verbalisant [naam 7] en heeft verklaard dat hij [verdachte] buiten de cautie heeft medegedeeld. Hij heeft dat op eigen initiatief gedaan. Hij weet niet hoe lang hij toen met [verdachte] had gesproken.
Op grond van vorenstaande kan worden vastgesteld dat [verdachte] op 20 april 2012 gedurende het opnemen van zijn verklaring tijdens een pauze de cautie is gegeven. Echter, niet kan worden vastgesteld wat door hem op dat moment al was verklaard en waarbij hem de cautie gegeven had moeten worden. Uit het feit dat [verdachte] al vrijwel in het begin van de verklaring op 20 april 2012 een beschrijving van zijn betrokkenheid aan strafbare feiten gaf, moet geconcludeerd worden dat hem dus al heel snel de cautie gegeven had moeten worden.
De cautie op 3 mei 2012

Het betreft de verklaring van [verdachte] als aangever op 3 mei 2012, aangevangen om 15.36 uur en het verhoor van [verdachte] als verdachte op 3 mei 2012, aangevangen om 20.12 uur.
[verdachte] heeft in de aangifte verklaard over de bedreiging door [naam 1] op 19 april 2012, over het wapen dat gebruikt zou zijn en over de angst die hij voelde en dat hij vreesde voor zijn leven. Terwijl hij daarover verklaarde, is ook regelmatig [verdachte] ’ eigen betrokkenheid ter sprake gekomen bij hetgeen volgens hem aanleiding was voor de bedreiging. De verbalisanten hebben toen telkens aangegeven dat daarover gesproken zou gaan worden als [verdachte] als verdachte zou worden gehoord. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat tijdens het opnemen van de aangifte op 3 mei 2012 aan [verdachte] de cautie is gegeven. De verklaring is, zo concludeert de rechtbank, een mengeling van zaken die zien op feiten en omstandigheden die hem zijn aangedaan en op zijn betrokkenheid bij mogelijke strafbare feiten. De rechtbank realiseert zich dat het lastig is geweest om, gelet op de achtergrond waartegen de bedreiging volgens [verdachte] had plaatsgevonden, de betrokkenheid van [verdachte] bij door hem zelf genoemde strafbare feiten, niet in de aangifte te betrekken. De rechtbank is echter van oordeel dat [verdachte] zichzelf wel dusdanig belastte dat hem de cautie had moeten worden gegeven.
De rechtbank stelt voor de volledigheid vast dat in alle andere processen-verbaal waarbij [verdachte] als verdachte is gehoord, is opgenomen dat hem de cautie is gegeven en dat dit in overeenstemming is met wat uit de verbatim uitwerking van die verhoren naar voren komt.

Het niet geven van de cautie tijdens het opnemen van de verklaringen op 20 april 2012 en 3 mei 2012, 15.36 uur, betreft naar het oordeel van de rechtbank een onherstelbaar vormverzuim. Ondanks het feit dat de politie deze verklaringen ziet als aangiftes, belast [verdachte] namelijk ook zichzelf door te verklaren over zijn rol bij strafbare feiten. Echter, in het onderhavige geval acht de rechtbank dit verzuim niet dusdanig ernstig, dat dit op zichzelf zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Weliswaar belast [verdachte] zichzelf, maar hij doet dit slechts in algemene bewoordingen, terwijl hij in de verklaringen die hij daarna als verdachte met de cautie heeft afgelegd nog vele malen uitgebreid over deze onderwerpen heeft verklaard. De rechtbank zal daarom bepalen dat die delen van de verklaringen van 20 april 2012 en 3 mei 2012, 15.36 uur, waarin [verdachte] zichzelf belast door te spreken over zijn rol bij strafbare feiten, in de zaak van [verdachte] van het bewijs zullen worden uitgesloten.De rechtbank zal hierna nog bespreken welke consequenties dit heeft in de zaken van de andere verdachten.
II Het pressieverbod en het vertrouwensbeginsel

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat er in strijd is gehandeld met het pressieverbod ex artikel 29 lid 1 Sv en artikel 6 EVRM en het vertrouwensbeginsel door een veelvoud aan verzuimen. Die verzuimen zouden hebben plaatsgevonden tijdens de oriënterende fase en rond de overdracht naar de tactische recherche en de overhandiging en het gebruik van de aantekeningen die [verdachte] had gemaakt. De overhandiging door de CIE aan de tactische recherche was ongeoorloofd omdat deze informatie vertrouwelijk had moeten blijven. [verdachte] zou volgens de verdediging nooit de verklaringen hebben afgelegd als hem niet door de CIE was beloofd dat hij een nieuw leven zou krijgen in ruil voor zijn verklaringen. Die schijn is in ieder geval gewekt door de CIE en er was daarmee geen sprake van een volledig vrije keuze tot het afleggen van een bekentenis. De handelwijze van de CIE, tactische recherche en Openbaar Ministerie is doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] .
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat er van enige schending van deze beginselen geen sprake is. [verdachte] is niet misleid. Omdat [verdachte] een bijzondere getuige was, zijn er oriënterende gesprekken gevoerd met de CIE. Er is hem geen deal aangeboden noch mocht hij daar redelijkerwijs vanuit gaan. Er zijn op geen enkel moment verwachtingen bij hem gewekt die dat idee zouden rechtvaardigen. Er zijn geen toezeggingen gedaan op welke manier dan ook. De officier van justitie komt dan ook tot de conclusie dat het pressieverbod en ook het vertrouwensbeginsel niet is geschonden.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verweren die door de verdediging zijn gevoerd met betrekking tot het pressieverbod en het vertrouwensbeginsel elkaar qua onderbouwing deels overlappen. Van belang is om duidelijk te krijgen wat de gang van zaken is geweest, met name tijdens de gesprekken met de CIE en de periode van de overdracht naar de tactische recherche. De rechtbank zal die gang van zaken hieronder bespreken.
De oriënterende fase bij de CIE en de gang van zaken rond de overhandiging van de aantekeningen

De oriënterende fase bij de CIE wordt inzichtelijk gemaakt door het proces-verbaal bevindingen van 9 april 2013. In dit proces-verbaal verklaren de CIE verbalisanten [naam 9] en [naam 10] dat zij geïnformeerd werden door de parketsecretaris Van Langen over de aangifte die werd opgenomen van [verdachte] . In opdracht van de CIE Officier is overgegaan tot de oriënterende fase van een Bijzondere Getuigen Traject (BGT). Er werd contact gelegd met [verdachte] ; de aangifte werd opgenomen en afgewerkt door de tactische collega’s en de aangifte werd opgeslagen in de kluis. Diezelfde dag is men gestart met de oriënterende fase BGT. Dat traject werd uitgevoerd conform het landelijk protocol Bijzondere Getuigen, versie 1.0. Het [familienaam 1] is op 20 april 2012 naar een safehouse gebracht. Er is bemiddeld bij het vinden van een geschikte locatie. Met [verdachte] is uitgebreid gesproken over een aantal afschermings- en veiligheidsbelangen waaronder:
De kosten van het verblijf en de huurauto werden door [verdachte] zelf betaald. Het voorstel van de CIE om een advocaat te waarschuwen werd door [verdachte] afgewezen. Hij liet duidelijk blijken daaraan geen behoefte te hebben. Hij had geen advies nodig en vertrouwde een advocaat ook zomaar niet. [verdachte] gaf ook aan echt “schoon schip” te willen maken. Het was duidelijk dat hij daarover met zijn vrouw uitvoerig had gesproken. Hij sprak ook erg open en direct over zijn eigen criminele rol. Hij is er op gewezen dat hij daartoe niet verplicht was en geen antwoord hoefde te geven op vragen. De CIE-status gaf alleen extra ruimte om zaken veilig en in rust te bespreken en op hun waarde te schatten. [verdachte] zag geen reden om zijn verhaal achter te houden. Er zijn, zo vermeldt dit proces-verbaal, op geen enkele wijze toezeggingen en/of tegemoetkomingen namens het Openbaar Ministerie en/of politie gedaan. Volgens [verdachte] was er echter geen andere uitweg meer. Hij kon alleen maar uit het criminele circuit stappen door openheid van zaken te geven en zelf ook op de blaren te gaan zitten. Op 25 en 26 april 2012 zijn er in deze fase op een afgeschermde locatie gesprekken gevoerd door 2 rechercheurs van de CIE. Op 26 april 2012 heeft [verdachte] handgeschreven aantekeningen aan de rechercheurs overhandigd. Er zijn in overleg met recherche officier van justitie mr. Valente in deze periode ook noodmaatregelen getroffen, waaronder het in veiligheid brengen van de schoonouders van [verdachte] . Tevens werd [naam 1] vermanend toegesproken op 27 april 2012. Daarna werd men echter weer opnieuw geconfronteerd met dreigincidenten. [verdachte] meldde dit telefonisch. Hij onderhield namelijk nog telefonisch contact met vrienden en familie. De situatie werd daardoor volgens het proces-verbaal al snel onbeheersbaar. Na afronding van de oriënterende fase werd tijdens een telefonisch overleg op 27 april 2012 met mr. Valente en mr. Hambeukers duidelijk dat een tactisch traject de voorkeur genoot omdat, volgens mr. Valente, de situatie onbeheersbaar werd. Beveiligingsaspecten en de wil van [verdachte] om openheid van zaken te geven lagen daaraan ten grondslag. [verdachte] had al diverse keren aangegeven zijn verhaal ook gewoon tactisch te willen doen. Hij was helemaal klaar met die verrotte criminele wereld. Het was voor hem geen enkel probleem om een uitgebreide tactische verklaring af te leggen en hij zou daarbij zijn eigen criminele rol ook niet ontzien. Hij was daarvoor ook op eigen initiatief naar het bureau gekomen. [verdachte] is toen wederom, zoals ook op de eerste dag, geadviseerd deze situatie met een advocaat te bespreken. Teneinde de periode tot aan de tactische overname veilig te overbruggen werd de safehouse locatie met een week verlengd. Op donderdag 3 mei 2012 vond de formele overdracht van [verdachte] naar het tactische team plaats. De eerder genoemde originele handgeschreven aantekeningen van [verdachte] zijn daarbij ter beschikking gesteld aan de tactische collega’s. De eerder genoemde verklaring van [verdachte] van 20 april 2012 is daarna op 8 mei 2012 in overleg met de CIE officier verstrekt aan de leider van het tactisch onderzoeksteam. Als bijlage bij dit proces-verbaal zijn de betreffende aantekeningen ook gevoegd.
Uit voornoemd proces-verbaal blijkt dat de oriënterende fase bij de CIE een week heeft geduurd; van de dag van aankomst op 20 april 2012 tot 27 april 2012 toen werd besloten dat [verdachte] tactisch moest gaan verklaren, hetgeen telefonisch met [verdachte] werd besproken. In die periode is [verdachte] meerdere keren door de CIE verhoord en heeft hij handgeschreven aantekeningen aan de CIE overhandigd. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] als verdachte van 3 mei 2012, welk verhoor verbatim is uitgewerkt, had [verdachte] bij de aanvang van het verhoor een enveloppe bij zich met daarin een kladblok met aantekeningen die hij in de periode voor het verhoor heeft opgeschreven over criminele organisaties en zijn betrokkenheid hierbij. Op dit kladblok heeft [verdachte] aan het einde van het verhoor zijn handtekening gezet. De aantekeningen met daarop zijn handtekening bevinden zich in kopie ook bij het proces-verbaal van verhoor. De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat er een kopie moet zijn gemaakt van de aantekeningen voorafgaand aan het verhoor van [verdachte] als verdachte op 3 mei 2012. Immers, als [verdachte] het enige en originele exemplaar van de aantekeningen bij zich zou hebben gehad, zou het onmogelijk zijn geweest een kopie zonder handtekening aan het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2013 te voegen. Dit zou ook de verwarring verklaren die is ontstaan omtrent de overdracht van de aantekeningen en de verschillen in de diverse verklaringen hieromtrent.
Bij de rechter-commissaris zijn namelijk door diverse betrokkenen verklaringen afgelegd over de vraag wanneer de aantekeningen zijn overgedragen maar ook over de vraag of de overdracht tijdens het verhoor was afgesproken. Verbalisant [naam 10] heeft op 4 september 2015 verklaard dat het kladblok, voor zover hij weet, gewoon naar tactisch is gegaan en dat het vanuit hen (CIE) mee overgedragen moet zijn bij de overdracht van [verdachte] aan het tactisch team. Verbalisant [naam 11] heeft op 1 oktober 2015 verklaard dat er kort voor het tactisch verhoor een kort overleg met de CIE heeft plaatsgevonden. Tijdens dit overleg is gesproken over de overdracht van [verdachte] en het tijdstip van de overdracht. Volgens hem is tijdens dat overleg ook gesproken over eerder genoemd kladblok met aantekeningen van [verdachte] en dat [verdachte] dat kladblok aan het tactisch team wilde overhandigen. [naam 12] heeft op 22 oktober 2013 verklaard dat [verdachte] het mapje met aantekeningen heeft teruggekregen van de CIE toen de CIE met geld op het park kwam. Volgens [naam 12] is toen tegen [verdachte] gezegd dat hij dat mapje voor de camera aan de tactische recherche moest overhandigen. [verdachte] heeft verklaard dat hij in opdracht van de CIE bij de tactische recherche in de auto is gestapt en is meegereden met de drie rechercheurs. [naam 11] had het kladblok van [verdachte] in zijn bezit. Hoe hij hieraan is gekomen, weet hij niet. Hij veronderstelt dat dit door de medewerkers van de CIE aan hem is overhandigd op het moment dat hij zich is gaan omkleden. Tijdens de rit heeft [naam 11] in het kladblok gelezen en vragen gesteld aan [verdachte] . Later die dag heeft [verdachte] zijn kladblok even terug gekregen van de tactische recherche, omdat dit officieel overhandigd moest worden op beeld.
Uit de verbatim uitwerking van het verhoor van [verdachte] van 3 mei 2012, 20.12 uur, is met betrekking tot de overdracht van de aantekeningen vast komen te staan dat [verdachte] aan het begin van het verhoor de enveloppe met aantekeningen heeft overhandigd en dat aan het einde van het verhoor tijdens het opstellen van het proces-verbaal wordt besproken dat ook die overhandiging nog moet worden genoteerd. Er is op basis van dit verhoor, in samenhang beschouwd met hetgeen [verdachte] en [naam 12] daaromtrent hebben verklaard, voldoende grond om aan te nemen dat de CIE met [verdachte] heeft besproken dat de aantekeningen ten overstaan van de camera aan de tactische recherche moesten worden overhandigd. Zoals hiervoor al is overwogen had de CIE echter al een kopie in bezit, nog voordat deze overdracht tijdens het verhoor plaatsvond.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen en vastgesteld, komt de rechtbank tot de conclusie dat een kopie van het kladblok door de CIE aan de tactische recherche is overhandigd. Deze overdracht is naar het oordeel van de rechtbank onbevoegd geschied. Dit kladblok betrof namelijk informatie die in het kader van de oriënterende gespreksfase tussen [verdachte] en de CIE – door [verdachte] op verzoek van de CIE – is opgetekend. Dit kladblok had als zodanig, na beëindiging van deze fase, in beginsel als geheime informatie bewaard moeten blijven, althans niet overgedragen mogen worden. Ter zitting heeft de officier van justitie namelijk ook aangegeven dat informatie verkregen tijdens een oriënterende fase in de kluis wordt bewaard en niet wordt overgedragen of gedeeld. Die informatie blijft geheim, aldus de officier van justitie ter zitting. Er is niet gebleken van toestemming van [verdachte] tot het overdragen van deze informatie door de CIE.

Het tactische traject en de reden waarom [verdachte] heeft verklaard

Na het verhoor op 3 mei 2012 als verdachte, is [verdachte] tot aan het verhoor op 9 augustus 2012 17 keer als verdachte gehoord. De rechtbank constateert, mede aan de hand van de verbatim uitwerkingen van een deel van deze verhoren, dat [verdachte] tijdens verhoren uitvoerig heeft verklaard en heeft gevonden dat hij vrijuit kon praten. Tijdens het verhoor op 12 juni 2012 heeft [verdachte] een overzicht gegeven van de volgens hem bestaande criminele organisaties en van personen in Tilburg die zich bezighielden met de teelt van hennep. Organisaties en personen die staan genoemd op door hem opgestelde en tijdens dat verhoor overhandigde handgeschreven aantekeningen. Een overzicht dat, zo constateert de rechtbank, niet was opgenomen in zijn aantekeningen, die in mei 2012 aan de tactische recherche ter beschikking waren gesteld. Op 18 juni 2012 heeft [verdachte] met de tactische recherche in Tilburg rondgereden om adressen in kaart te brengen. Daarover heeft [verdachte] nader verklaard in het verhoor van 20 juni 2012 en daarbij heeft hij diverse handgeschreven aantekeningen op losse vellen papier overhandigd, met daarop informatie met betrekking tot een groot aantal panden: panden waarover hij eerder heeft verklaard. Op de aantekeningen staan 11 panden genoemd met informatie over de opbrengst en de verdeling en over de bij die panden betrokken personen. Op andere pagina’s staat informatie over in totaal 46 adressen. Op 22 juni 2012 tijdens het 2e verhoor, is een groot aantal adressen door hem nader besproken en zijn nog meer aantekeningen met adressen en gegevens over omzet en betrokken personen aan de recherche overhandigd. Blijkens de verbatim uitwerking van dit verhoor van [verdachte] was het voor hem een opluchting om vrijuit te kunnen praten. Hij en zijn vrouw hadden het moeilijk, maar het was wel een opluchting, zo heeft hij toen verklaard.
Door verbalisanten is bij de rechter-commissaris verklaard over de wijze waarop [verdachte] vervolgens heeft verklaard. Verbalisant [naam 13] heeft op 19 oktober 2015 verklaard dat voorafgaand aan het eerste verhoor een plan van aanpak is gemaakt. Hij had van zijn collega’s [naam 8] en [naam 7] begrepen dat [verdachte] honderduit praatte en dat hij veel informatie gaf, en dat op basis hiervan is besloten om [verdachte] maar te laten praten. [naam 13] heeft verder verklaard dat [verdachte] heel erg stellig was en aangaf dat als hij een advocaat zou nemen, hij zijn hele verhaal niet kon doen. [verdachte] wilde eerst zijn hele verhaal doen en dan pas een advocaat inschakelen.Verbalisant [naam 14] heeft op 22 oktober 2015 verklaard dat er geen opdracht was gegeven om over bepaalde onderwerpen te spreken maar dat [verdachte] dat zelf bepaalde.Verbalisant [naam 15] heeft op 21 juni 2016 verklaard dat hij en zijn collega [verdachte] hebben laten praten, dat hij een spraakwaterval was en met een heleboel informatie kwam waarin zij op een gegeven moment structuur probeerden aan te brengen. [verdachte] begon met praten over een aantal onderwerpen en sprong van de hak op de tak. Hij sprak over zaaksinhoudelijke onderwerpen, maar ook over andere onderwerpen zoals het nieuws, ijshockey etc. Aan de hand van het verhoor hebben zij als koppel een selectie van onderwerpen gemaakt die [verdachte] zelf aandroeg. Tijdens de autoritten voor en na afloop van de verhoren probeerden zij zoveel mogelijk de zaaksinhoudelijke onderwerpen af te kappen. [verdachte] ging dan over andere zaken praten.
Verbalisant [naam 7] heeft op 25 september 2012 verklaard dat het doel van het gesprek dat op 20 april 2012 met [verdachte] werd gevoerd, was om erachter te komen wat [verdachte] wilde. [verdachte] wilde een bepaalde veiligheid en zag geen uitweg meer en stapte daarom naar de politie. [naam 7] kan de precieze bewoordingen niet noemen. Het kwam er op neer dat [verdachte] uit deze wereld wilde stappen.

Verbalisant [naam 13] heeft op 19 oktober 2015 verklaard dat hij in deze omvang niet eerder heeft meegemaakt dat iemand “zo leegloopt”. De reden was dat [verdachte] er uit wilde stappen en dat de enige mogelijkheid die hij zag was om openheid van zaken te geven. [verdachte] heeft dat meerdere malen uitgelegd. Hij wilde een normaal leven kunnen leiden met zijn gezin. Elke keer als er een hennepkwekerij werd geript werd hij als schuldige aangewezen en had hij een schuld aan de organisatie. Daar was hij klaar mee.

[naam 12] heeft op 22 oktober 2013 bij de rechter-commissaris verklaard dat het een bewuste keuze was van [verdachte] en haarzelf om bij de CIE het volledige verhaal te vertellen, met het idee om op die manier met een schone lei te kunnen beginnen. Zij heeft na het eerste gesprek met de politie met haar man besproken dat de enige manier om uit het circuit te stappen was door volledige openheid van zaken te geven over criminele activiteiten. Zij zijn samen tot deze conclusie gekomen. Zij stond er wel achter om openheid van zaken te geven.

[verdachte] heeft op 6 oktober 2013 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 3 mei 2012 als verdachte is gehoord omdat hij ook betrokken zou zijn geweest bij één en ander. Hij heeft er toen niet voor gekozen een beroep te doen op het hem toekomende zwijgrecht, omdat als hij zou gaan verklaren de CIE verder voor hem en zijn gezin zou gaan zorgen. Hoe meer hij zou gaan verklaren hoe beter de deal er voor hem uit zou gaan zien. Hij heeft telkens aangegeven dat hij geen advocaat nodig had en dat hij zijn verhaal beter zelf kon doen. Voor de feiten en omstandigheden had hij geen advocaat nodig, alleen voor het op papier zetten van de deal. De rechercheurs hebben hem niet gezegd wat hij moest gaan verklaren. Wel is tijdens het transport aangegeven welke onderwerpen de volgende keer aan de orde zouden komen. Hij moest in de tussentijd zoveel mogelijk op papier zetten en zich zo veel mogelijk proberen te herinneren met betrekking tot dat onderwerp. Hij kreeg als het ware huiswerk mee.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de verhoren komen vast te staan dat [verdachte] geen andere mogelijkheid zag om uit de hennepwereld te stappen dan door zo volledig mogelijk openheid van zaken te geven. Hij was sowieso bereid openheid van zaken te geven, ook op de punten als vermeld in het kladblok. Hij gaf tijdens het verhoor op 3 mei 2012 aan dat het wat hem betreft het meest gemakkelijk zou zijn om in het vervolg aan de hand van informatie uit het kladblok vragen aan hem te stellen. Dit betekent dat, hoewel er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim door de overdracht van het kladblok door de CIE aan het tactische team, [verdachte] hiervan geen nadeel heeft ondervonden. Dit enkele onherstelbare verzuim leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel enig andere consequentie dan de enkele vaststelling zoals vermeld.

De stelling dat het steeds fysiek ophalen van [verdachte] , zou betekenen dat er geen sprake was van een vrije keuze om wel of niet te verklaren, is in het licht van vorenstaande een onjuiste stelling. Zeker als daarbij wordt betrokken dat [verdachte] in ieder geval in de eerste weken vrij was om te gaan en staan waar hij wilde. Het eerste contact met de familierechercheurs vond immers pas plaats na zeven weken. Ook daarna had hij die vrijheid nog omdat hij niet als verdachte was aangehouden. Dat het uit oogpunt van veiligheid wel is gebeurd, maakt niet dat er geen sprake was van vrije wil om te verklaren. Verder heeft te gelden dat [verdachte] tijdens de verhoren contact had met een advocaat en er voor koos daar tijdens de verhoren geen gebruik van te maken om in vrijheid te kunnen verklaren.

Deal en/of toezeggingen?

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is, of er in de oriënterende fase van de CIE of daarna, toezeggingen zijn gedaan die maken dat [verdachte] zijn verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd. Uit het dossier komt het volgende naar voren.
Uit de verbatim uitwerking van het verhoor van 3 mei 2012 blijkt dat, nadat [verdachte] is aangegeven dat hij een advocaat kon raadplegen, is gezegd dat [verdachte] als verdachte werd gehoord en dat de verbalisanten over wat hier in de toekomst mee zou gaan gebeuren helemaal geen toezeggingen konden doen.De rechtbank stelt vast dat in alle processen-verbaal van de opvolgende verhoren van [verdachte] staat vermeld dat er geen toezeggingen, afspraken of beloftes gemaakt konden worden. Deze laatste mededeling is, zo blijkt te meer uit de verbatim uitwerkingen, in wisselende bewoordingen gedaan.
In het verbatim uitgewerkte verhoor van 20 juni 2012 wordt uitvoeriger ingegaan op het niet kunnen doen van toezeggingen dan uit het proces-verbaal van verhoor blijkt:“Verhoorder: en dat we absoluut geen toezeggingen doenVerdachte: neeVerhoorder: afspraken eh, en beloftes kunnen maken.Verdachte: is me duidelijk jaVerhoorder: maar begrijp je dat ook? Verdachte: zeker. Ja. Verhoorder: ik bedoel eh.Verdachte: het is niet mijn eerste keer dat ik hier zit. Verhoorder: nee daarom, maar eh, is misschien dus nog een keer goed om da te herhalen.Verdachte: ja zekerVerhoorder: je weet hoe het zit en ehVerdachte: ik weet dat ik dingen heb gedaan die strafbaar zijn en eh, en ik weet dat daar ook consequenties aan hangen. Verhoorder: jaVerdachte: en ik zit hier niet o mijn eigen hachie te redden, ten koste van alles, dus. Dus eh. Het gaat voor mijn open en eerlijk verhoor. En we zien het wel.”
[naam 12] heeft op 22 oktober 2013 verklaard dat op de vraag van de mensen van de CIE wat [verdachte] wilde, deze heeft geantwoord: “Het enige wat ik wil is veiligheid voor mij en mijn gezin”. Voorts zei hij dat hij voelde dat hij niet terug kon naar Tilburg. Hij wilde een eerlijke kans om met een schone lei te beginnen. De CIE-rechercheurs zeiden dat wat [verdachte] tot dan toe had verteld niet genoeg was, maar dat het goed zou komen. [naam 12] en [verdachte] hoefden zich niet echt zorgen te maken. Er zou voor hen gezorgd worden. Er is nooit specifiek tegen [naam 12] gezegd wat er precies zou gaan gebeuren. [naam 12] hoopte dat haar gezin in of buiten Nederland opnieuw kon beginnen, met een schone lei. [naam 12] is ook aanwezig geweest bij een gesprek met hoofdofficier van justitie mr. Hillenaar. In dit gesprek werd gezegd door mr. Hillenaar dat zij niet geschikt waren voor het getuigenbeschermingsprogramma en dat ze dat ook niet moesten willen. Zij moesten hun regels met betrekking tot de veiligheid opvolgen. Na het gesprek met mr. Hillenaar was het vertrouwen in een goede afloop helemaal weg.Na het gesprek met de CIE heeft [verdachte] constant tegen [naam 12] gezegd dat hij de indruk had dat het wel goed zou komen. Voor zover zij weet zijn er geen concrete toezeggingen gedaan. Haar man is haar enige bron van deze informatie.
[verdachte] heeft op 11 maart 2014 verklaard dat toen de CIE vroeg wat hij wilde, hij reageerde met: “Hoezo”. Hij wist niet dat hij iets te willen had. Hij heeft aangegeven dat hij een nieuwe start wilde, dat hij weg wilde van hier, dat Nederland geen optie was omdat het anders niet goed met hem zou aflopen. De CIE reageerde met de opmerking dat hij dan alles moest vertellen en dat zij dan voor hen zouden gaan zorgen. Vanaf dat moment had hij het gevoel dat hij serieus werd genomen en dat naar hem geluisterd zou worden. Hij heeft alle instructies van de CIE opgevolgd. Volgens hem had hij op dat moment al een afspraak. Hij zou gaan praten en dan zou de CIE voor hem en zijn gezin gaan zorgen.Op 12 maart 2014 heeft [verdachte] verklaard dat tijdens het tweede gesprek niet is gesproken over hoe de deal er verder uit zou gaan zien. Er is hem tijdens een lunch gezegd dat hij aangifte moest doen en dat hij verder bij de tactische recherche diende te verklaren. Hij had er geen moeite mee dat zijn naam dan bekend zou worden, want hij zou toch verdwijnen. Eind juli/begin augustus 2012 heeft er een gesprek plaatsgevonden met mr. Hillenaar. Hij was in de ogen van [verdachte] de hogerhand waarnaar diverse malen was verwezen door de CIE. Tijdens dat gesprek werd hem medegedeeld dat hij de eerder gemaakte afspraken met de CIE op zijn buik kon schrijven. Op 6 oktober 2014 heeft [verdachte] verklaard dat hij telkens buiten de verhoren om heeft aangegeven dat hij zich had gehouden aan zijn gedeelte van de deal en dat hij vervolgens heeft gevraagd wanneer zij nu eens rond de tafel zouden gaan zitten om de deal verder op papier te zetten. Door [naam 11] en zijn collega’s werd continu verwezen naar hogerhand. [verdachte] verklaart dat hij een mondelinge overeenkomst met de CIE had die later nog op papier moest komen. Hoe meer informatie hij gaf, hoe beter. Zijn gezin zou een veilige toekomst krijgen, niet in Nederland. Hij hoefde geen zak met geld, maar zou een eerlijke start krijgen. Hoe goed die toekomst er uit zou zien, hing af van de hoeveelheid informatie die hij zou geven. Tot de ontmoeting die heeft plaatsgevonden met de hoofdofficier van justitie heeft hij nimmer te horen gekregen dat hij de deal kon vergeten. De deal bestond daaruit dat hij aangaf wat hij wilde en dat de CIE heeft gezegd dat ze hiervoor zouden zorgen. Zij zouden gaan zorgen voor hun veiligheid en dat zijn gezin en hij een nieuwe kans/start zouden krijgen ergens in het buitenland.
Verbalisant [naam 7] heeft op 25 september 2016 verklaard dat hij met [verdachte] niet heeft gesproken over het uitwerken of de inhoud van een deal. Hij kan zich niet herinneren dat [verdachte] heeft gezegd dat hij een deal had. Hij kan zich herinneren dat [verdachte] buiten de verhoren om weleens heeft aangegeven dat hij zich heeft gehouden aan zijn gedeelte van de deal, maar of hij telkens is verwezen naar hogerhand, kan hij zich niet herinneren.

Verbalisant [naam 9] heeft op 27 september 2016 verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat zij zouden hebben aangegeven dat zij voor de [familienaam 1] zouden gaan zorgen. Zij hebben wel een aantal maatregelen getroffen met betrekking tot de veiligheid van de [familienaam 1] . Als in dat kader het woord “zorg” is gevallen kan hij zich dat wel voorstellen. Het is zeker niet zo gezegd dat als [verdachte] zou gaan praten zij voor hem zouden gaan zorgen. Dat is absolute onzin, want [verdachte] was al aan het praten.

Ook verbalisant [naam 8] heeft op 28 september 2016 verklaard dat hij niet van op de hoogte is van een deal die zou zijn gesloten met [verdachte] . Hij heeft tijdens het eerste contact tegen [verdachte] gezegd dat de CIE mogelijk iets voor hem zou kunnen betekenen. Voor zover hij weet zijn er nooit toezeggingen gedaan aan [verdachte] en is nooit gesproken over een deal. Er is volgens hem nooit een deal gesloten. Over het verlenen van bescherming is nimmer gesproken op 20 april 2012, want daar gaat hij niet over. Hij heeft van [naam 7] ook niet vernomen dat er over bescherming is gesproken.

Was er een deal in juridische zin?

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er sprake was van een zogenaamde deal in juridische zin. Daartoe is allereerst van belang wat de uitkomst is geweest van de gesprekken met de CIE. Bij de beoordeling van de vraag wat het doel was van de gesprekken met de CIE, dient betrokken te worden wat de taak is van de CIE. De taak van de CIE zoals die is omschreven in artikel 4 van de Regeling Criminele Inlichtingen Eenheden, luidt:“Criminele inlichtingen eenheden verrichten in ieder geval de volgende werkzaamheden:a. het verzamelen en verifiëren van criminele inlichtingen;b. Het verwerken van criminele inlichtingen in een bestand, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet politiegegevens;c. het bevorderen van het gericht inwinnen en aanvullen van criminele inlichtingen en andere gegevens die in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde in aanmerking komen voor verwerking op grond van de Wet politiegegevens;d. het analyseren van criminele inlichtingen en het aan de hand daarvan:1°. signaleren van criminaliteitsontwikkelingen, voor zover het betreft misdrijven als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet politiegegevens;2° periodiek verslag doen ten behoeve van criminaliteitsbeelden;e. het ter beschikking stellen van criminele inlichtingen overeenkomstig artikel 10, vijfde lid, van de Wet politiegegevens.”
De in voornoemde regeling omschreven taak van de CIE is echter ruimer dan alleen het voeren van oriënterende gesprekken ten behoeve van artikel 226 g, lid 1, Wetboek van Strafvordering. Het begrip “bijzondere getuige” omvat ook meer dan een getuige als bedoeld in dat artikel. En ook het begrip “oriënterende fase” duidt daar op. De contacten met de CIE hadden dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet alleen het door de verdediging gestelde vooropgezet doel om een deal in juridische zin te sluiten. Uit het procesdossier kan ook niet worden opgemaakt dat op enig moment ter sprake is gekomen dat [verdachte] in ruil voor een verklaring strafvermindering wilde of dat die optie hem is voorgehouden, hetgeen aan de regeling in artikel 226 g, lid 1, Wetboek van Strafvordering ten grondslag ligt. Integendeel: [verdachte] heeft vanaf het eerste contact aangegeven dat hij alleen een nieuwe start wilde en veiligheid voor hem en zijn gezin. In de fase van de BGT zijn ook geen andere voorzieningen getroffen dan het in overleg met [verdachte] zoeken naar veilige verblijfplaatsen en het maken van afspraken gericht op de wijze waarop door [verdachte] en zijn gezin gehandeld moest worden. Deze periode was bedoeld, zoals het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2013 omschrijft, “voor het creëren van veiligheid, rust en overzicht” en de toetsing of een BGT mogelijk was.

De CIE heeft blijkens voornoemd proces-verbaal [verdachte] er ook van begin af aan op gewezen dat hij door het afleggen van een verklaring zelf als verdachte in beeld kwam en dus, zo concludeert de rechtbank, als een mogelijk te identificeren persoon. Uit de door [verdachte] opgemaakte aantekeningen kwam bovendien de omvang van datgene waarover hij wilde gaan verklaren, helder naar voren. Het is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat die informatie direct naar [verdachte] te herleiden zou zijn, waarmee vanaf het begin duidelijk was dat zijn identiteit niet verborgen zou kunnen blijven. [verdachte] wilde ook openheid van zaken geven en zelf op de blaren gaan zitten. De bewering van de verdediging dat de CIE aan [verdachte] verteld zou hebben dat ze niets voor hem konden doen als hij niet ook met naam erbij zou verklaren, acht de rechtbank in het licht van vorenstaande ongegrond. Door de CIE is op de eerste dag met [verdachte] en zijn vrouw gesproken over belangrijke afschermings- en veiligheidsbelangen. Toen duidelijk werd dat extra veiligheidsmaatregelen nodig waren, zijn er met CCB (de afdeling “Conflict en Crisis Beheersing”) nadere afspraken gemaakt over de bewaking en beveiliging. Dit contact is tijdens de tactische fase voortgezet. Uit deze gang van zaken kan niet worden afgeleid dat, zoals de verdediging heeft betoogd, de CIE de beveiliging van [verdachte] op zich nam. De CIE heeft alleen de dienst ingeschakeld die bevoegd was daarin een standpunt te bepalen, namelijk het CCB, een afdeling binnen het stelsel “Bewaken en Beveiligen”.
Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet de conclusie worden getrokken dat er in de oriënterende fase of in een vroeg stadium daarop volgend aan [verdachte] een zodanig concrete toezegging is gedaan dan wel afspraken zijn gemaakt dat er gesproken kan worden van een deal in juridische zin. Alleen [verdachte] gebruikt deze bewoordingen en eigenlijk ook pas vanaf zijn verhoor in augustus 2012. Naar het oordeel van de rechtbank was de belangrijkste drijfveer van [verdachte] om te verklaren en te blijven verklaren omdat hij wist dat, zoals ook tussen hem en [naam 12] was besproken, alleen door volledige openheid van zaken te geven over criminele activiteiten, hij aan de wereld waarin hij zat kon ontsnappen.

Dat hij deze uitgebreide verklaringen is gaan afleggen omdat hij een deal met justitie had in juridische zin, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gebleken. Er is dus in zoverre geen sprake geweest van handelingen in strijd met het pressieverbod door te stellen dat [verdachte] en zijn vrouw door de CIE in de veronderstelling zijn gebracht en gelaten dat zijn tactische verklaringen werden afgelegd als onderdeel van een aankomende deal met de CIE ex artikel 226 g, lid 1, Wetboek van Strafvordering.

Gerechtvaardigd vertrouwen bij [verdachte] ?

De vraag is voorts of bij [verdachte] het gerechtvaardigd vertrouwen is opgewekt dat hij met het afleggen van uitgebreide tactische verklaringen een nieuwe start zou krijgen met zijn gezin.
De rechtbank stelt daartoe voorop dat, zoals ook door de verdediging is aangegeven, de verschillende strafrechtelijke bestuursorganen verplicht zijn de gerechtvaardigde verwachtingen van burgers en daarmee ook verdachten te honoreren. Gerechtvaardigde verwachtingen kunnen worden ontleend aan toezeggingen en daarnaast aan feiten en omstandigheden die samenhangen met deze toezeggingen.

De rechtbank is van oordeel dat, zoals hierboven reeds weergegeven, van een deal in juridische zin geen sprake is geweest. Van een beloning voor de bereidheid om te verklaren is niet gebleken. Blijkens de verklaringen van [verdachte] heeft hij echter wel bepaalde verwachtingen gehad, al dan niet ontstaan tijdens de gesprekken met de CIE. Zo spreekt hij zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris meerdere malen over het feit dat hem is gezegd dat voor de veiligheid van zijn gezin zou worden gezorgd en dat hij een nieuwe start zou krijgen. Op 3 mei 2012 heeft [verdachte] , blijkens de verbatim uitwerking van de aangifte, gezegd: “dat er bepaalde dingen die moeten, vrouw en kinderen veilig. Ik zelf vind ik niet zo belangrijk maar puur vouw en kinderen veilig. Eh, geen financiën, geen huis, niet terug naar je eigen stad”. Hij speekt over “opluchting” als wordt gevraagd hoe het is om uit de school te klappen en over “dat er geen uitweg is”. Er is, zo verklaart hij, “maar één manier om er een einde aan te brengen en dat is naar jullie (de rechtbank begrijpt de politie) te komen. En openheid en eerlijkheid te geven”. In zijn verhoor als verdachte op 3 mei 2012 heeft hij gezegd: “Ik zit zelf veilig, ik zit hier niet om mijn straf te ontlopen, dus ik ga geen mooi weer spelen om er onderuit te komen”… “Dus of jullie in gedachten willen houden hoe de mogelijkheden zijn in de toekomst. Hoe dat werkt. Ik weet helemaal niks namelijk. Dat klinkt heel lullig. Ik ben geen domme jongen, maar op een gegeven moment zit je…als ik zonder geld zit. Buiten mijn woonplaats, zonder vervoer, ik kan niemand contact opnemen, mijn kinderen moeten naar school, medische zorg, medicijnen. Ik heb geen uitkering. Ik werk niet. Ik kan nu niet meer gaan werken. Maar eerst dit oplossen. Dus…hoe dat het in dit traject werkt, ik ben er helemaal vreemd in. Ik sta over een dag of tien zonder geld, en zonder onderdak. Ik weet dat het niet jullie taak is. Maar hebben jullie vaker met dit bijltje gekapt?”. In het verhoor van 13 december 2012 heeft [verdachte] gezegd: “Ik kan er niets aan veranderen. Alleen ik had een andere verwachting.”Uit deze uitlatingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen concrete toezeggingen waren gedaan maar dat [verdachte] wel bepaalde verwachtingen had. Tijdens de verdere verhoren bij de tactische recherche is verder niet over de invulling van die verwachtingen gesproken, zo blijkt uit de verklaringen van [verdachte] en zijn vrouw bij de rechter-commissaris. Hij dacht dat het wel goed zou komen en dat voor zijn veiligheid en die van zijn gezin zou worden gezorgd.
De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat de Staat een zorgplicht had jegens [verdachte] en zijn gezin. In zoverre bevestigt zij de verwachting van [verdachte] dat er voor zijn veiligheid en die van zijn gezin zou worden gezorgd. Immers op de Staat rust een zorgplicht jegens getuigen, voor zover daartoe de dringende noodzaak bestaat als gevolg van door hen verleende medewerking aan de met de opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten. Blijkens het dossier viel [verdachte] in dat kader ook onder het Stelsel Bewaken en Beveiligen en zijn uiteindelijk maatregelen getroffen waaronder hij thans valt.

Ervan uitgaande dat [verdachte] op grond van die op de Staat rustende zorgplicht mocht verwachten dat voor zijn veiligheid en die van zijn gezin zou worden gezorgd dienen de volgende door de verdediging opgeworpen vragen te worden beantwoord:

Ten aanzien van de eerste vraag heeft te gelden dat, zoals hiervoor al is weergegeven, [verdachte] uit eigen beweging naar de politie is gegaan, dat hij wilde verklaren, dat hij hoopte dat de politie zijn gezin kon beveiligen en dat hij wist wat de consequenties waren van zijn verklaring. De rechtbank maakt hieruit op dat er geen sprake is van schending van het pressieverbod en dat [verdachte] wel degelijk uit vrije wil heeft verklaard. Natuurlijk is het zo dat de noodzaak tot het bieden van bescherming voortkomt uit de medewerking van [verdachte] aan de verhoren. De politie moest immers wel een basis hebben op grond waarvan beveiliging noodzakelijk zou zijn. Maar blijkens zijn eigen verklaringen en die van zijn vrouw realiseerde hij zich dat al voordat hij naar de politie stapte en heeft de politie hem daar niet toe aangezet. Hij had immers al voordat hij naar de politie ging met zijn vrouw besproken dat het noodzakelijk was om volledige openheid van zaken te geven om bescherming te kunnen krijgen.
Ten aanzien van de tweede vraag is de rechtbank van oordeel dat er een zorgplicht rustte op de Staat. Zoals hiervoor reeds is overwogen had [verdachte] bepaalde verwachtingen van de invulling van deze zorgplicht. Zo had hij bijvoorbeeld zelf niet gedacht dat het veilig zou zijn om met het Openbaar Vervoer naar zijn advocaat te reizen. De rechtbank kan zich ook goed voorstellen dat hij bepaalde verwachtingen had, gezien de inhoud van zijn aangifte en zijn later als verdachte afgelegde verklaringen. Echter, de inhoud en de doelmatigheid van de invulling van die zorgplicht ligt geheel bij de Staat. Daar komt bij dat de strafrechter helemaal geen toetsende rol toekomt als het gaat om de invulling van een dergelijke zorgplicht. De rechtbank zal dan ook niet in de beoordeling treden van de wijze waarop de bescherming van [verdachte] en zijn gezin vorm en inhoud heeft gekregen. Evenmin is vast komen te staan dat aan [verdachte] mededelingen dan wel toezeggingen zijn gedaan in het kader van de zorgplicht, anders dan dat er voor zijn veiligheid en de veiligheid van zijn gezin zou worden gezorgd, waarop hij gerechtvaardigd m