Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2020:950

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 07-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2020:950, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 7763113 / CV EXPL 19-20977


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7763113 / CV EXPL 19-20977

uitspraak: 7 februari 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

ECLI:NL:RBROT:2020:950:DOC
nl

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7763113 / CV EXPL 19-20977

uitspraak: 7 februari 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1

[eiseres 1]

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 2]

beide gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,eiseressen in conventie,tevens verweersters in reconventie,gemachtigde: mr. L. Hennink te Rotterdam,
tegen

de vereniging

[gedaagde]

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,gedaagde in conventie,tevens eiseres in reconventie,gemachtigde: mr. M.J. Goedhart te Rotterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres 1] c.s.” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1

1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
-

het exploot van dagvaarding van 1 mei 2019, met producties 1 t/m 26;

de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 t/m 48;

het tussenvonnis van 24 juli 2019, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 27 t/m 36;

het proces-verbaal van de op 24 oktober 2019 gehouden comparitie van partijen;

de brief van [eiseres 1] c.s. van 5 november 2019.

1.2
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.
2

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.
2.1
[gedaagde] is een korfbalvereniging die is aangesloten bij het Koninklijk Nederlands Korfbalverbond (hierna: “het KNKV”).

2.2
Partijen zijn een huurovereenkomst aangegaan, op grond waarvan [eiseres 1] c.s. met ingang van 12 juli 2016 een deel van de zaalruimte in de sportaccommodatie gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: “het gehuurde”) verhuurt aan [gedaagde] .
2.3
In de huurovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende vermeld:
“(…)

IN OVERWEGING NEMENDE DAT:

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN:

(…)

-

huurder een groeiende korfbalvereniging is met behoefte aan meer en betere accommodatie voor haar binnensportactiviteiten gedurende de wintermaanden; en

verhuurder een binnensport accommodatie ter beschikking heeft die met enige aanpassingen kan voldoen aan de eisen van Korfbalvereniging [gedaagde] en het KNKV.

(…)

Om wedstrijden te mogen spelen moet de zaal en accommodatie aan de normen van het KNKV / NOC/NSF voldoen. De verhuurder dient te allen tijde er voor te zorgen dat hier aan voldaan wordt. Indien er niet voldaan kan worden aan de KNKV-eisen, dan zal de verhuurder tijdig dispensatie aanvragen bij het KNKV.

(…)

4.1
De huurprijs voor de zaalruimte bedraagt per ingangsdatum van het huurcontract € 80 per uur (index 2016). Op trainingsdagen van 17:00 tot 18.00 uur en bij toernooien of andere evenementen bedraagt de huurprijs € 60 per uur. Voor winter 2016-2017 en winter 2017-2018 staan deze tarieven vast. Vanaf 1 januari 2019 kunnen de huurprijzen jaarlijks (op 1 januari) worden aangepast conform de officiële prijsinflatiecorrectie van het Centraal Bureau voor Statistieken van het voorgaande jaar (consumentenprijs index). De vermelde huurprijs is een all-in prijs, er worden door verhuurder aan huurder geen aanvullende of andere kosten doorbelast.

(…)

4.3
De huurprijs dient maandelijks achteraf te worden voldaan op basis van de werkelijk gehuurde uren. Op de laatste huurnota van ieder huurseizoen (rond maart van ieder jaar, opgesteld binnen 14 dagen na laatste huurdag) wordt tevens een eindafrekening opgesteld waarin zijn opgenomen:

- het totaal aantal gehuurde uren,

- de totale huursom van het huurseizoen;

- de huurkorting uit artikel 4.4 en

- de huurkorting uit hoofde van ‘Omzetaandeel huurder’ zoals in artikel 8.4 vermeld.

4.4
Huurder garandeert voor het eerste seizoen, winter 2016-2017, een minimale urenafname van 304 uur. Voor de vier seizoenen daarna heeft de huurder een inspanningsverplichting om meer dan 300 uur te huren, maar huurder kan hierover geen garantie afgeven. Voor ieder seizoen dat huurder meer dan 300 uur huurt ontvangt zij aan het einde van het desbetreffende seizoen een korting van 10% op de totale huursom van het afgelopen seizoen. Deze korting verrekent/voldoet de verhuurder met de huurder binnen twee weken na wederzijds akkoord over de eindafrekening.

(…)

8.1
Huurder en verhuurder gaan samen de kantine exploiteren op de dagen dat huurder het gehuurde huurt (in beginsel dinsdag, donderdag en zaterdag maar ook mogelijk tijdens evenementen en/of toernooien).

(…)

8.2 (…)
Op alle Bistro-verkoopomzet van de huurder heeft de huurder recht op 80% van deze omzet, van alle andere verkoopomzet heeft de huurder recht op 20% van deze omzet. Dit recht op een deel van de omzet wordt aangeduid met “Omzetaandeel huurder”, en dit wordt beschouwd als een korting op de huur van de accommodatie.

Onder Bistro-omzet vallen de artikelen en producten (inkoop door [gedaagde] ) die vanuit de keuken worden geserveerd. (…)

8.4
Verhuurder zorgt op traingingsavonden, wedstrijddagen en bij andere evenementen standaard voor voldoende en gekwalificeerd barpersoneel (tenminste 1 persoon). Om aanspraak te kunnen maken op het “Omzetaandeel huurder” uit punt 8.2 zorgt huurder (naast het barpersoneel van verhuurder) voor een eigen extra barbezetting tijdens de gehuurde uren.

(…)

2.4
Op 17 maart 2016 heeft een inspectie van het gehuurde door het KNKV plaatsgevonden, waarbij is getoetst of het gehuurde voldoet aan de normen van NOC*NSF en de sporttechnische eisen en reglementen van het KNKV. Naar aanleiding daarvan hebben [eiseres 1] c.s. aanpassingen verricht aan het gehuurde. Op 28 oktober 2016 heeft het KNKV het gehuurde vrijgegeven voor het trainen en spelen van competitiewedstrijden korfbal.
2.5
Vanaf februari 2018 is tussen partijen een discussie ontstaan over de verschuldigdheid van facturen van [eiseres 1] c.s. met betrekking tot het seizoen 2016-2017 en 2017-2018.
2.6
In de zomer van 2018 is de sportaccommodatie door [eiseres 1] c.s. verbouwd. Na de verbouwing en in aanloop naar het zaalseizoen 2018-2019 hebben [eiseres 1] c.s. aan [gedaagde] laten weten dat zij het gehuurde per 30 oktober 2018 niet aan [gedaagde] ter beschikking zouden stellen. Mede naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] op 25 september 2018 een kort geding aanhangig gemaakt jegens [eiseres 1] c.s.
2.7
Op 22 oktober 2018 heeft de kantonrechter van deze rechtbank in kort geding een vonnis (zaaknummer [nummer] ) gewezen. De beslissing in dat vonnis luidt, voor zover relevant:
“veroordeelt om [eiseres 1] en [eiseres 2] hoofdelijk om [gedaagde] vanaf 30 oktober 2018 ongehinderd en onvoorwaardelijk gebruik te laten maken van de gehuurde ruimte op dinsdagavonden van 17.30 uur tot 22.00 uur, donderdagavonden van 17.30 uur tot 22.00 uur en op zaterdagen van 10.00 uur tot 22.00 uur, met al hetgeen er aan inventaris aanwezig behoort te zijn, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00;

veroordeelt om [eiseres 1] en [eiseres 2] hoofdelijk om de horecavoorziening zoals in de huurovereenkomst vermeld beschikbaar te stellen en te houden gedurende de overeengekomen huurperiode onder verbeurte van een dwangsom van

€ 100,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00;”

2.8
Na de verbouwing heeft het KNKV het gehuurde nogmaals beoordeeld. In het daarover uitgebrachte rapport van 16 november 2018 komt het KNKV tot de conclusie dat het gehuurde niet voldoet aan alle normen en eisen van het KNKV en NOC*NSF en dat verder een aantal afspraken niet is nagekomen. [eiseres 1] c.s. wordt verzocht de in het rapport aangestipte onderdelen te herstellen. Voor het zaalseizoen 2018-2019 heeft het KNKV dispensatie verleend.
2.9
Bij e-mail van 2 januari 2019 hebben [eiseres 1] c.s. aan [gedaagde] medegedeeld dat zij hun verplichting om het gehuurde aan [gedaagde] beschikbaar te stellen, opschorten zolang de huur over november en december 2019 niet is voldaan. Vanaf 14 januari 2019 is de opschorting opgeheven.
2.10
Bij brieven van 25 juni 2019 heeft het KNKV aan partijen medegedeeld dat het gehuurde voor het zaalseizoen 2019-2020 als wedstrijdlocatie is afgekeurd en dat er evenmin dispensatie zal worden verleend.

2.11
Bij deurwaardersexploot van 8 juli 2019 heeft [gedaagde] de huurovereenkomst met [eiseres 1] c.s. buitengerechtelijk ontbonden.
3

3.1
[eiseres 1] c.s. hebben – na eisvermindering ter zitting – gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseres 1] c.s. door de gebruikte uren en niet de gehuurde uren te betalen;2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres 1] c.s. van een bedrag van € 28.838,92, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente vanaf het moment van in gebreke zijn tot aan de dag van algehele voldoening;3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2
[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover relevant, bij de beoordeling ingegaan.
4

4.1
[eiseres 3] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:1. te verklaren voor recht dat [verweerster 1] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst, omdat zij hebben nagelaten het gehuurde te laten voldoen aan de door het KNKV en het NOC*NSF daaraan gestelde eisen, waardoor het gehuurde als wedstrijdlocatie door het KNKV is afgekeurd;2. te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst met ingang van 8 juli 2019 door [eiseres 3] is ontbonden;3. te verklaren voor recht dat [verweerster 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseres 3] lijdt en nog zal lijden als gevolg van hun toerekenbaar tekortschieten en de ontbinding van de huurovereenkomst;4. [verweerster 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [eiseres 3] te voldoen een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;5. [verweerster 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om als voorschot op de nader bij staat op te maken schadevergoeding aan [eiseres 3] te voldoen een bedrag van € 40.134,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;6. [verweerster 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om ten titel van compensatie voor gederfd huurgenot ex artikel 7:207 BW aan [eiseres 3] te voldoen een bedrag van € 8.785,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;7. [verweerster 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om ten titel van schadevergoeding wegens de gemiste horeca-omzetten en huurkorting in het zaalseizoen 2018/2019 en de onterechte sluiting van het gehuurde in januari 2019 aan [eiseres 3] te voldoen een bedrag van € 3.571,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;8. [verweerster 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [eiseres 3] te voldoen een bedrag van € 7.200,00 wegens op grond van het kortgedingvonnis van 22 oktober 2018 verbeurde dwangsommen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;9. [verweerster 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.2
[verweerster 1] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover relevant, bij de beoordeling ingegaan.
overwegingen

5

in conventie

5.1
In de eerste plaats twisten partijen over de uitleg van de eerste zin van artikel 4.3 van de huurovereenkomst. Daarin is vermeld: [eiseres 1] c.s. menen dat de werkelijk gehuurde uren in rekening gebracht dienen te worden, derhalve de uren die [gedaagde] voordien en tijdig (d.w.z. vóór 1 juni van het betreffende jaar) heeft vastgelegd. Daartegenover stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat achteraf alleen de werkelijk door haar gebruikte uren in rekening moeten worden gebracht.
5.2
Vooropgesteld wordt dat, blijkens het Haviltex-criterium, het bij de uitleg van een geschrift waarin de verhouding tussen partijen is geregeld niet enkel aankomt op een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen, maar tevens op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
5.3
De kantonrechter stelt vast dat in de huurovereenkomst niets concreet is vastgelegd over de te huren uren. Partijen hadden, blijkens artikel 4.3 en 8.1 van de huurovereenkomst, weliswaar de verwachting dat de te huren uren zouden plaatsvinden op dinsdagen, donderdagen en zaterdagen, maar de concrete data en tijdstippen dienden nog nader te worden overeengekomen. Uit de eigen verklaringen en gedragingen van partijen blijkt genoegzaam dat het gebruikelijk was dat [gedaagde] daartoe een planning verstrekte aan [eiseres 1] c.s. met het aantal af te nemen zaaluren voor het komende seizoen. Bij e-mail van 15 mei 2018 hebben [eiseres 1] c.s. aan [gedaagde] verzocht om uiterlijk op 1 juni 2018 een dergelijk schema te verstrekken. Volgens [gedaagde] heeft zij op 25 mei 2018 aan [eiseres 1] c.s. een overzicht verstrekt met de benodigde zaaluren voor het seizoen 2018-2019, zijnde 342 uren in totaal. In dat overzicht is vermeld dat het een concept-overzicht betreft, onder voorbehoud van vaststelling van het wedstrijdschema (op de zaterdagen) door het KNKV en herziening in verband met vakanties. Het is niet duidelijk of dat concept-overzicht [eiseres 1] c.s. heeft bereikt. Wel staat vast dat [gedaagde] op 11 oktober 2018, nadat het KNKV het wedstrijdschema had vastgesteld, aan [eiseres 1] c.s. de definitieve uren heeft doorgegeven, zijnde in totaal 311 uren. Dat dit later plaatsvond dan door [eiseres 1] c.s. verzocht, heeft geen rechtsgevolg. In de huurovereenkomst is immers geen termijn afgesproken waarbinnen [gedaagde] de af te nemen uren moet doorgeven. De stelling van [eiseres 1] c.s. dat dit vóór 1 juni van elk jaar moet plaatsvinden, blijkt nergens uit. Op de voet van artikel 6:2 lid 1 BW dient [gedaagde] weliswaar binnen redelijke termijn aan [eiseres 1] c.s. door te geven wanneer zij het gehuurde wenst te huren, maar [eiseres 1] c.s. hebben niet onderbouwd dat [gedaagde] met haar definitieve planning onredelijk jegens [eiseres 1] c.s. heeft gehandeld. Niet gebleken is dat [eiseres 1] c.s. na 15 mei 2018 [gedaagde] nogmaals hebben verzocht om de planning en evenmin is gebleken dat [eiseres 1] c.s., toen de planning bekend werd gemaakt in oktober 2018, het gehuurde op die uren niet meer kon of wilde verhuren aan [gedaagde] . Gelet op deze gang van zaken en de bewoordingen van artikel 4.3 en 8.1 van de huurovereenkomst, wordt [gedaagde] , met de afgifte van het definitieve overzicht van de te huren uren, geacht zich verbonden te hebben om de uren in dat overzicht af te nemen.
5.4
Over de tijd die [gedaagde] gebruik maakt van het gehuurde bovenop de geplande uren, dient zij vanzelfsprekend huur te betalen aan [eiseres 1] c.s., dat is tussen partijen niet in geschil. Het standpunt van [gedaagde] dat alleen de door haar feitelijk gebruikte uren (voor zover dat minder is dan de geplande uren) in rekening moeten worden gebracht, wordt echter niet gevolgd. Dat vindt geen steun in de bewoordingen van artikel 4.3 van de huurovereenkomst en zou bovendien onredelijk uitpakken voor [eiseres 1] c.s. die contractueel verplicht is het gehuurde volgens de planning van [gedaagde] beschikbaar te houden voor [gedaagde] . Desalniettemin leidt dit nog niet tot de conclusie dat [gedaagde] tekort is geschoten jegens [eiseres 1] c.s., zoals hierna zal blijken.
5.5
[eiseres 1] c.s. vorderen een bedrag van € 12.503,34 aan huurachterstand met betrekking tot de seizoenen 2016-2017 en 2017-2018 en een bedrag van € 15.073,25 aan huurachterstand met betrekking tot het zaalseizoen 2018-2019. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de bedragen betwist en voert kort gezegd aan dat [eiseres 1] c.s. in de afgelopen drie zaalseizoenen teveel uren hebben gefactureerd, onjuiste tarieven hebben toegepast en ten onrechte kosten voor het gebruik van de opslagcontainer in rekening hebben gebracht. Overwogen wordt als volgt.
5.6
Ten aanzien van de seizoenen 2016-2018 hebben [eiseres 1] c.s. verwezen naar het overzicht dat door hen als productie 23 in het geding is gebracht. In dat overzicht zijn echter alleen de factuurnummers met de data en bedragen genoemd. Nu [gedaagde] de verschuldigdheid van de facturen gemotiveerd heeft betwist, lag het op de weg van [eiseres 1] c.s. om de onderliggende facturen met een omschrijving van de opbouw van ieder factuurbedrag en overige stukken waaruit blijkt dat zij de (volgens hen) extra gehuurde uren in rekening mochten brengen, over te leggen. Dat is niet gebeurd, evenmin hebben [eiseres 1] c.s. ter zitting nog nader gereageerd op de betwisting van [gedaagde] . Bij gebreke van enige stukken kan de kantonrechter niet beoordelen of [gedaagde] die factuurbedragen verschuldigd zijn. De door [eiseres 1] c.s. gestelde huurachterstand van € 12.503,34 is als onvoldoende onderbouwd niet komen vast te staan.
[gedaagde] heeft erkend dat sprake is van een restpost van € 178,62 met betrekking tot de zaalseizoenen 2016-2017 en 2017-2018, maar doet een beroep op verrekening met de door haar geleden schade. Dit beroep zal worden gehonoreerd en verrekening zal plaatsvinden zoals nader overwogen in reconventie onder r.o. 5.18.

5.7
Ten aanzien van het seizoen 2018-2019 hebben [eiseres 1] c.s. als productie 22 de onderliggende facturen overgelegd.
In elke factuur is vermeld dat, indien betaling niet vóór een bepaalde datum plaatsvindt, een bedrag van € 50,00 aan huur voor de opslagcontainer bijkomt. In deze procedure wordt deze opslag voor de container eveneens gevorderd door [eiseres 1] c.s. In artikel 4.1 van de huurovereenkomst is evenwel bepaald dat de overeengekomen huurprijs een all-in prijs is en dat er door [eiseres 1] c.s. geen aanvullende of andere kosten zullen worden doorbelast. [gedaagde] heeft dan ook terecht aangevoerd dat er geen grondslag is voor het in rekening brengen van containerkosten.

[eiseres 1] c.s. hebben naar aanleiding van het kort geding vonnis van 22 oktober 2018 (zie 2.7) over de maanden november 2018 t/m maart 2019 de in het dictum van het vonnis vermelde uren die [eiseres 1] c.s. ter beschikking dienden te stellen aan [gedaagde] bij [gedaagde] in rekening gebracht. Concreet gaat het om elke dinsdag van 17.30-22.00 uur, donderdag van 17.30-22.00 uur en zaterdag van 10.00-22.00 uur. De vraag is of [eiseres 1] c.s. op grond van het vonnis gerechtigd zijn om meer uren door te belasten dan de in de planning van [gedaagde] gereserveerde uren. De kantonrechter is van oordeel dat dat niet het geval is, reeds omdat een kort geding vonnis niet kan leiden tot een wijziging in de rechtsverhouding tussen partijen. Bovendien wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde] de kort geding procedure aanhangig heeft gemaakt in reactie op de mededeling van [eiseres 1] c.s. aan haar dat zij het gehuurde niet meer aan [gedaagde] ter beschikking zouden stellen. De insteek van de procedure was dan ook om de ontzegging van de toegang te voorkomen. Ten tijde van de kort geding dagvaarding van 25 september 2018 en de mondelinge behandeling van 8 oktober 2018 was de planning nog niet definitief en dat heeft [gedaagde] ook tot uitdrukking gebracht door in het petitum onder meer te vorderen [eiseres 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om [gedaagde] vanaf 30 oktober 2018 ongehinderd en onvoorwaardelijk gebruik te laten maken van de gehuurde ruimte op dinsdag, donderdag en op zaterdag, conform vermeld in de huurovereenkomst, waarbij is vermeld dat het gehuurde doorgaans op dinsdag- en donderdagavond van 17.30-22.00 uur en op zaterdag van 10.00 tot 20.00 uur (voorlopige planning) door [gedaagde] in gebruik is. Uit niets blijkt dat [gedaagde] met de procedure af wilde wijken van haar (toen nog voorlopige) planning. Het ging haar erom zichzelf ervan te verzekeren dat zij voor de door haar geplande uren toegang zou hebben tot het gehuurde. Op 11 oktober 2018 heeft [gedaagde] vervolgens de definitieve planning aan [eiseres 1] c.s. doorgegeven, zodat het voor [eiseres 1] c.s. duidelijk was op welke dagen en uren [gedaagde] het gehuurde wilde huren. Dat [eiseres 1] c.s. op grond van het verstekvonnis verplicht werd om het gehuurde ter beschikking te stellen op de tijden zoals in het vonnis genoemd, levert voor [eiseres 1] c.s. nog geen grondslag op om die uren bij [gedaagde] in rekening te brengen.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres 1] c.s. bij de indexering van het uurtarief vanaf januari 2019 een te hoog uurtarief hanteert. [eiseres 1] c.s. hebben daar niet op gereageerd. Onduidelijk blijft hoe [eiseres 1] c.s. het nieuwe uurtarief hebben berekend.

Voorts is van belang dat [eiseres 1] c.s. geen overzicht hebben verstrekt met daarop de openstaande factuurbedragen, containerkosten en betalingen van [gedaagde] , zodat niet duidelijk is hoe zij aan het (volgens hen) openstaande bedrag van € 15.073,25 komen. Omdat geen van partijen daarover iets heeft gesteld, blijft onduidelijk welke bedragen [gedaagde] wanneer heeft betaald. Ter zitting hebben [eiseres 1] c.s. aangevoerd dat zij de betalingen van [gedaagde] willekeurig in mindering hebben gebracht op de openstaande huurachterstand, omdat [gedaagde] soms bedragen overmaakte die niet te herleiden waren tot uren of facturen. Voor zover dat al juist zou zijn – uit productie 37 van [gedaagde] blijkt dat zij jegens [eiseres 1] c.s. steeds inhoudelijk heeft gereageerd op iedere factuur – doet dat er niet aan af dat [eiseres 1] c.s. als eisende partij inzichtelijk dient te maken hoe haar vordering is opgebouwd.

Voorgaande omstandigheden tezamen bezien, leidt tot het oordeel dat het gevorderde bedrag van € 15.073,25 aan huurachterstand met betrekking tot het zaalseizoen 2018-2019 niet is komen vast te staan.

[gedaagde] heeft wel erkend dat sprake is van een huurachterstand van € 3.019,70 met betrekking tot de factuur over de maand maart 2019, maar doet een beroep op verrekening met de door haar geleden schade. Dit beroep zal worden gehonoreerd en verrekening zal plaatsvinden zoals nader overwogen in reconventie onder r.o. 5.18.

5.8
Dat betekent ook dat onvoldoende is gebleken dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseres 1] c.s.
5.9
[eiseres 1] c.s. hebben een bedrag van € 1.239,58 aan schadevergoeding ten aanzien van de thermostaat gevorderd. Het gaat om een incident waarbij een persoon verbonden aan [gedaagde] het ombouwkastje van de thermostaat begin november 2018 heeft geopend en daarbij schade heeft aangericht. Ter onderbouwing van die schade hebben [eiseres 1] c.s. een door haar aan [gedaagde] verzonden factuur overgelegd. Daarvan heeft [gedaagde] terecht aangevoerd dat [eiseres 1] c.s. hebben nagelaten de onderliggende facturen over te leggen. De onderliggende twee facturen van Haitsma B.V. zijn door [gedaagde] ingebracht. Uit de factuur van 31 december 2018 blijkt dat de opdracht voor de in de factuur vermelde werkzaamheden dateert van 7 september 2018. Nu het incident begin november 2018 plaatsvond, kunnen de werkzaamheden op de factuur daar geen betrekking op hebben. De factuur van 23 maart 2019 ziet op het vervangen van de beschermkap van de thermostaat. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen deze kosten, zodat zij een bedrag van € 164,05 (exclusief btw) aan schadevergoeding verschuldigd is aan [eiseres 1] c.s. Ervan uitgaande dat [eiseres 1] c.s. als onderneming de btw over dat bedrag kunnen verrekenen, is de btw niet als schade aan te merken. Voorts heeft [gedaagde] het door [eiseres 1] c.s. gestelde bedrag van € 22,75 aan consumpties door de scheidsrechter niet betwist, zodat zij ook dit bedrag verschuldigd is aan [eiseres 1] c.s.Ook hier geldt echter dat [gedaagde] een geslaagd beroep doet op verrekening, welke zal plaatsvinden in het kader van haar vordering in reconventie zoals nader overwogen onder r.o. 5.18.
5.10
De vordering in conventie wordt derhalve op alle onderdelen afgewezen.
5.11
Als de in het ongelijk gestelde partij worden [eiseres 1] c.s. veroordeeld in de kosten van de procedure, gevallen aan de zijde van [gedaagde] .
in reconventie

5.12
Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht dat [verweerster 1] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst, omdat zij hebben nagelaten het gehuurde te laten voldoen aan de door het KNKV en het NOC*NSF daaraan gestelde eisen, wordt het volgende overwogen.
5.13
Op grond van artikel 1.1 van de huurovereenkomst dienen [verweerster 1] c.s. er te allen tijde voor te zorgen dat het gehuurde voldoet aan de normen van het KNKV / NOC*NSF dan wel daarvoor tijdig dispensatie aan te vragen bij het KNKV. Vaststaat dat het gehuurde reeds bij aanvang van de huurovereenkomst niet volledig voldeed aan de normen, doch dat het KNKV daarvoor dispensatie verleende aan [verweerster 1] c.s. Na de verbouwing van het gehuurde in de zomer van 2018 heeft het KNKV het gehuurde nogmaals beoordeeld. Tussen [verweerster 1] c.s. en het KNKV ontstond daarop discussie over de interpretatie van de geldende normen. In het bijzonder ging het erom dat, daar waar het KNKV stelde dat de wedstrijdruimte binnendoor vanuit de kleedkamers bereikbaar moest zijn, [verweerster 1] c.s. meenden dat nergens in de normen staat dat een directe indoorverbinding vereist is.
Vooropgesteld wordt dat het aan het KNKV is om te beoordelen of een sporthal voldoet aan de vereisten om als wedstrijdlocatie te dienen. De kantonrechter kan alleen (marginaal) toetsen of het KNKV redelijkerwijs tot haar besluit heeft kunnen komen om het gehuurde uiteindelijk als wedstrijdlocatie af te keuren. In dat verband wordt overwogen dat het KNKV [verweerster 1] c.s. diverse malen heeft gewezen op de normen met betrekking tot loopwegen en kleed- en wasruimten, mede onder vermelding van paragraaf D7.2.3 van het NOC*NSF Handboek Sportaccommodaties. Daarin is als norm bepaald dat in de loopwegen voor de sporters een functionele scheiding dient te zijn tussen het straatschoeisel (vuil) en sportschoeisel (schoon) gebied. Ten aanzien van kleed- en wasruimten is als norm vermeld dat vanuit een unit kleedruimten het te gebruiken hal-/zaaldeel bereikbaar dient te zijn. Als aanbeveling staat nog dat de verbinding met de wedstrijdruimte zowel direct vanuit de kleedruimte als door middel van een verbindingsgang (schone voetengang) tussen kleedruimte en de wedstrijdruimte kan plaatsvinden. Gelet op de inhoud en samenhang tussen de normen en de aanbeveling is het niet onbegrijpelijk dat het KNKV aan [verweerster 1] c.s. de eis stelt dat de wedstrijdruimte vanuit de kleedkamers binnendoor bereikbaar moet zijn. Uit de overgelegde processtukken blijkt voorts dat het KNKV naar aanleiding van het rapport van november 2018, [verweerster 1] c.s. verschillende malen heeft verzocht de in het rapport aangestipte onderdelen te herstellen, namelijk bij e-mail van 22 november 2018, 7 december 2018 en 25 januari 2019. Eerst op 31 januari 2019 hebben [verweerster 1] c.s. gereageerd met het standpunt dat de geconstateerde gebreken zijn verholpen of worden verholpen en dat een directe indoor verbinding tussen de sporthal en kleedruimten niet vereist is. Vervolgens heeft het KNKV op 12 februari 2019 laten weten dat zij uiterlijk 15 juni 2019 een officieel keuringsrapport wenst te ontvangen van KIWA ISA-Sport (hierna: “het KIWA”), waarna het KNKV een besluit zal nemen over de status van de betreffende sportaccommodatie. Nadat het KNKV geen keuringsrapport had ontvangen en constateerde dat er geen noemenswaardige wijzigingen aan de sporthal waren doorgevoerd, heeft zij op 25 juni 2019 het gehuurde afgekeurd als wedstrijdlocatie. De kantonrechter is van oordeel dat het KNKV [verweerster 1] c.s. voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om de door haar aangestipte punten te herstellen en/of via het KIWA alsnog een positieve keuring te behalen. [verweerster 1] c.s. hebben daar niet aan voldaan. Bij deze gang van zaken is de wijze waarop het KNKV tot haar besluit heeft kunnen komen, niet onredelijk of onbegrijpelijk. [verweerster 1] c.s. hebben nog aangevoerd dat zij wel degelijk hebben geprobeerd bij het KIWA een keuring aan te vragen, maar die aanvraag dateert van 8 augustus 2019. Dat is rijkelijk te laat. Verder hebben [verweerster 1] c.s. gewezen op de mogelijkheid om binnendoor toegang te verschaffen middels de sportschool (zijnde de huurder van de ernaast gelegen sportaccommodatie) dan wel middels het creëren van een looproute buitenom die afgeschermd is met een steigerconstructie en zeil of hout. Die voorstellen zijn pas gedurende de procedure door [verweerster 1] c.s. gedaan en zijn dus eveneens te laat om serieus te nemen.
In conventie is reeds overwogen dat de door [verweerster 1] c.s. gestelde tekortkoming aan de zijde van [eiseres 3] onvoldoende is komen vast te staan. Voor zover er al sprake is geweest van een huurachterstand – het kan zijn dat [eiseres 3] de huur voor een bepaalde maand iets later betaalde – dan nog kan de (kortstondige) hoogte van de huurachterstand een opschorting aan de zijde van [verweerster 1] c.s. niet rechtvaardigen. Het beroep van [verweerster 1] c.s. op zowel opschorting door [verweerster 1] c.s. als schuldeisersverzuim aan de zijde van [eiseres 3] wordt daarom verworpen.

5.14
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [verweerster 1] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst, omdat zij hebben nagelaten het gehuurde te laten voldoen aan de door het KNKV en het NOC*NSF daaraan gestelde eisen, waardoor het gehuurde als wedstrijdlocatie door het KNKV is afgekeurd. De gevorderde verklaring voor recht wordt dan ook toegewezen.
5.15
Op grond van voormelde tekortkoming (evenals de door [eiseres 3] gestelde tekortkomingen met betrekking tot het horeca-gedeelte en het ontzeggen van de toegang) heeft [eiseres 3] bij deurwaardersexploot van 8 juli 2019 de huurovereenkomst ontbonden. Nu iedere tekortkoming van een partij de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te ontbinden op de voet van artikel 6:265 BW en [verweerster 1] c.s. overigens hebben berust in de ontbindingsverklaring van [eiseres 3] , zal het ervoor worden gehouden dat de huurovereenkomst tussen partijen per 8 juli 2019 is geëindigd. De gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomst met ingang van 8 juli 2019 door [eiseres 3] is ontbonden, wordt toegewezen.
5.16
Aangezien de tekortkoming van [verweerster 1] c.s. grond heeft opgeleverd voor de ontbinding van de huurovereenkomst, zijn [verweerster 1] c.s. ingevolge artikel 6:277 lid 1 BW, hoofdelijk verplicht de schade te vergoeden die [eiseres 3] lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst heeft plaatsgevonden. Voor het vaststellen van die schadevergoeding zal worden verwezen naar de schadestaatprocedure. Het gevorderde onder punt 3. en 4. is toewijsbaar.
5.17
De eventuele schade wegens de gemiste horeca-omzetten, de huurkorting in het zaalseizoen 2018-2019 en de onterechte sluiting van het gehuurde in januari 2019 houdt verband met de tekortkoming van [verweerster 1] c.s. en de ontbinding van de huurovereenkomst. Dit punt is in de onderhavige procedure onderbelicht gebleven, aan beide kanten. Het ligt, mede om proceseconomische redenen, voor de hand die gestelde schade in de schadestaatprocedure aan de orde te laten komen. De vordering onder 7. wordt afgewezen.
5.18
Als voorschot op de nader bij staat op te maken schadevergoeding heeft [eiseres 3] aanspraak gemaakt op een bedrag van € 40.134,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. [verweerster 1] c.s. hebben geen verweer gevoerd tegen de hoogte van dit bedrag, zodat in beginsel uitgegaan wordt van de juistheid van de door [eiseres 3] gestelde bedragen in het overzicht onder randnummer 148 bij de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie. Kanttekening daarbij is dat er geen aanleiding bestaat om op voorhand rekening te houden met de mogelijkheid van [eiseres 3] om, na ommekomst van de vaste huurperiode van vijf jaar (t/m het seizoen 2020-2021), de huurovereenkomst steeds met één jaar te verlengen. [eiseres 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk van die optiejaren gebruik zal maken. Dat betekent dat de door haar (tot op heden) berekende schadevergoeding aannemelijk is tot een bedrag van € 26.756,00. Op dit bedrag dient in mindering te komen de onder r.o. 5.6 (€ 178,62), 5.7 (€ 3.019,70) en 5.9 (€ 22,75 + € 164,05) vermelde bedragen, die door [eiseres 3] niet zijn betwist en voor verrekening in aanmerking komen. Dat leidt ertoe dat als voorschot op de schadevergoeding een bedrag van € 23.370,88 wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 8 juli 2019.
5.19
In artikel 7:207 lid 1 BW is bepaald dat de huurder, in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek, een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs kan vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen.
5.20
Ter onderbouwing van het verminderde huurgenot heeft [eiseres 3] het volgende aangevoerd. Bij aanvang van de huurovereenkomst behoorden het medegebruik van de faciliteiten in de gemeenschappelijke hal (met zitjes en een leestafel), een doorgang binnendoor tussen de wedstrijdzaal en de kleedkamers alsook een vergaderruimte tot het gehuurde. In de zomer van 2018 hebben [verweerster 1] c.s., ondanks protesten van [eiseres 3] , de gemeenschappelijk hal afgesplitst, verbouwd en verhuurd aan de naastgelegen sportschool. Bij de verbouwing zijn de zitjes en leestafel verdwenen, is de gemeenschappelijke ruimte aanzienlijk verkleind tot slechts een smalle gang en een beperkt aantal tafels bij de horeca, is de vergaderruimte komen te vervallen en is bovenal de doorgang van de kleedkamers naar de speelhal binnendoor vervallen. Het gehuurde voldeed gedurende het speelseizoen 2018-2019 als gevolg van de verbouwing op meerdere punten niet aan de eisen van het KNKV en het NOC*NSF. [verweerster 1] c.s. hebben in januari 2019 aan [eiseres 3] ten onrechte een week de toegang tot het gehuurde ontzegd.Partijen hebben afspraken gemaakt over de exploitatie van de horeca in het gehuurde. Na het vonnis van 22 oktober 2018 hebben [verweerster 1] c.s., in afwijking van die afspraken, een aantal nieuwe en steeds wisselende eisen gesteld aan de vrijwilligers van [eiseres 3] die meewerken in de horeca, waardoor er geen keukenomzet meer werd gerealiseerd en er sprake was van gebrekkige horecavoorzieningen en -assortiment.Dit alles heeft ervoor gezorgd dat [eiseres 3] geen volledig gebruik heeft gehad van het gehuurde zoals zij die in 2016 heeft gehuurd, op grond waarvan [eiseres 3] verzoekt de huur over het seizoen 2018-2019 te verlagen met 40%. Uitgaande van het betaalde huurbedrag over het seizoen van € 21.963,00 vordert [eiseres 3] een bedrag van € 8.785,00 terug.
5.21
[verweerster 1] c.s. hebben op dit punt enkel aangevoerd dat zij vanwege financiële problemen hun personeel hebben moeten ontslaan. [eiseres 3] wilde die plekken opvullen door eigen vrijwilligers, maar bij gebrek aan een HACCP-hygiënecertificaat konden die vrijwilligers niet worden toegelaten tot de keuken, aldus [verweerster 1] c.s.
5.22
Als onvoldoende bestreden door [verweerster 1] c.s. stelt de kantonrechter vast dat de gemeenschappelijke hal ten faveure van de daarnaast gelegen sportschool kleiner werd gemaakt, dat de zitjes en de leestafel alsook de vergaderruimte verdwenen, dat de voorheen binnendoor doorgang tussen de kleedkamers en de wedstrijdhal verdween en werd vervangen door een doorgang buitenom en dat het horecagedeelte niet meer werd bemand door personeel van [verweerster 1] c.s. Aldus is het gehuurde, zoals deze was bij aanvang van de huurovereenkomst, na de verbouwing in 2018 qua oppervlakte kleiner geworden en qua inrichting versoberd. Niet gebleken is dat dit met instemming van [eiseres 3] is gebeurd. Bovendien zijn [verweerster 1] c.s. op grond van artikel 8.4 van de huurovereenkomst verplicht om te zorgen voor voldoende en gekwalificeerd barpersoneel voor de horecagelegenheid. Dat [verweerster 1] c.s. vanwege financiële problemen haar barpersoneel heeft moeten ontslaan, waardoor er dus geen gekwalificeerd personeel voorhanden was om de horeca te exploiteren, komt voor rekening en risico van [verweerster 1] c.s. Uit de huurovereenkomst is nergens bepaald dat de door [eiseres 3] in te zetten mensen een hygiëne certificaat dienden te bezitten. Dat was immers een verplichting die lag bij [verweerster 1] c.s. Verder staat vast dat [verweerster 1] c.s. in januari 2019 [eiseres 3] op onjuiste gronden de toegang tot het gehuurde hebben ontzegd voor een week. Door het niet leveren van (gekwalificeerd) barpersoneel, het wezenlijk wijzigen van de inrichting en indeling van het gehuurde zonder instemming van [eiseres 3] en het ten onrechte ontzeggen van de toegang zijn [verweerster 1] c.s. tekort geschoten in hun verplichtingen uit de huurovereenkomst. Daarmee staat vast dat [eiseres 3] in het seizoen 2018-2019 geen volledig gebruik heeft gehad van het gehuurde zoals zij die in 2016 heeft gehuurd. [verweerster 1] c.s. hebben geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het door [eiseres 3] gestelde verminderde huurgenot van 40% en dit percentage komt de kantonrechter in de gegeven omstandigheden niet onredelijk voor. De huurprijs over het seizoen 2018-2019 zal daarom evenredig worden verminderd met 40%, zodat [verweerster 1] c.s. zullen worden veroordeeld een bedrag van € 8.785,00 (terug) te betalen aan [eiseres 3] , te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf 1 april 2019 tot aan de dag van algehele voldoening.
5.23
[eiseres 3] maakt aanspraak op dwangsommen ter hoogte van € 7.200,00 en verwijst voor de berekening van dat bedrag naar haar productie 46. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat [verweerster 1] c.s. op bepaalde dagen hebben verzuimd de wedstrijdzaal speelklaar te maken en dat het horecagedeelte gedurende het gehele seizoen niet onvoorwaardelijk beschikbaar was voor [eiseres 3] . Geoordeeld wordt als volgt.
[verweerster 1] c.s. dienen op grond van het vonnis van 22 oktober 2018 [eiseres 3] vanaf 30 oktober 2018 ongehinderd en onvoorwaardelijk gebruik te laten maken van het gehuurde op de daarin vermelde dagen en tijden, met al hetgeen er aan inventaris aanwezig behoort te zijn, op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag. Aldus gaat het alleen om de toegang tot het gehuurde met bijbehorende inventaris. Er is geen dwangsom gesteld op de omstandigheid dat de wedstrijdhal niet speelklaar is oftewel niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen (kleedkamer, temperatuur, schoonmaak e.d.). De vraag of er een tribune aanwezig was, is evenmin van belang. In r.o. 5.11 van dat vonnis is immers overwogen dat niet is gebleken dat de tribunes en banken bij de inventaris horen. Voldoende gebleken is dat [verweerster 1] c.s. [eiseres 3] de toegang tot het gehuurde hebben ontzegd van 4 t/m 14 januari 2019. De stelling van [verweerster 1] c.s. dat zij aan de advocaat van [eiseres 3] zouden hebben medegedeeld dat [eiseres 3] op 10 en 12 januari 2019 weer mocht beschikken over het gehuurde blijkt nergens uit en is in tegenspraak met de mails van [verweerster 1] c.s. van 2 januari 2019 (met de mededeling van de opschorting) en 14 januari 2019 (met de mededeling van beëindiging van de opschorting). In die periode heeft [eiseres 3] op drie dagen (8, 10 en 12 januari 2019) niet de beschikking gehad over het gehuurde. Daarvoor hebben [verweerster 1] c.s. een dwangsom verbeurd van € 300,00.
Voorts dienen [verweerster 1] c.s. op grond van het vonnis de horecavoorziening zoals in de huurovereenkomst vermeld beschikbaar te stellen en te houden, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag. Blijkens r.o. 5.12 van dat vonnis gaat het om nakoming van de op [verweerster 1] c.s. rustende verplichtingen met betrekking tot de horeca (conform artikel 8 van de huurovereenkomst), waaronder het zorgen voor voldoende en gekwalificeerd barpersoneel. Eerder is geoordeeld dat [verweerster 1] c.s. gedurende het hele seizoen op dit punt tekort zijn geschoten. Uit het overzicht van [eiseres 3] blijkt dat op 17 zaterdagen niet aan die voorwaarde is voldaan. Daarmee hebben [verweerster 1] c.s. een dwangsom verbeurd van € 1.700,00.
In totaal zal aan verbeurde dwangsommen worden toegewezen een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 1 april 2019 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.24
Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden [verweerster 1] c.s. veroordeeld in de kosten van de procedure, gevallen aan de zijde van [eiseres 3] .
beslissing

6

De kantonrechter:

in conventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 960,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

verklaart voor recht dat [verweerster 1] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst, omdat zij hebben nagelaten het gehuurde te laten voldoen aan de door het KNKV en het NOC*NSF daaraan gestelde eisen, waardoor het gehuurde als wedstrijdlocatie door het KNKV is afgekeurd;

verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen met ingang van 8 juli 2019 door [eiseres 3] is ontbonden;

verklaart voor recht dat [verweerster 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseres 3] lijdt en nog zal lijden als gevolg van hun toerekenbaar tekortschieten en de ontbinding van de huurovereenkomst;

veroordeelt [verweerster 1] c.s. hoofdelijk om aan [eiseres 3] te voldoen een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt [verweerster 1] c.s. hoofdelijk om als voorschot op de nader bij staat op te maken schadevergoeding aan [eiseres 3] te voldoen een bedrag van € 23.370,88, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 8 juli 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [verweerster 1] c.s. hoofdelijk om ten titel van compensatie voor gederfd huurgenot ex artikel 7:207 BW aan [eiseres 3] te voldoen een bedrag van € 8.785,00, te vermeerderenmet de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 1 april 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [verweerster 1] c.s. hoofdelijk om aan [eiseres 3] te voldoen een bedrag van € 2.000,00 wegens op grond van het kortgedingvonnis van 22 oktober 2018 verbeurde dwangsommen, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW overdat bedrag vanaf 1 april 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [verweerster 1] c.s. in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres 3] vastgesteld op € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.775