Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2020:438

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 22-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 22-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2020:438, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/10/575417 / HA ZA 19-522


Bron: Rechtspraak

center
100
0489cf4d-4d9d-46e8-8ac1-3ada6cdb81da
2
13
image/png

center
100
ee57efac-2d2c-4a7e-a6af-683179a3c0c0
2
523
image/png


RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/575417 / HA ZA 19-522

Vonnis van 22 januari 2020

in de zaak van

de stichting
STICHTING TABLIS WONEN

gevestigd te Sliedrecht,eiseres,advocaten mr. M.R. de Boer en mr. drs. P. Eymaal te Utrecht,
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STEDIN NETBEHEER B.V.

gevestigd te Rotterdam,gedaagde,advocaten mr. drs. J.E. Janssen en mr. P. Courtens te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Tablis en Stedin genoemd worden.

ECLI:NL:RBROT:2020:438:DOC
nl

center
100
0489cf4d-4d9d-46e8-8ac1-3ada6cdb81da
2
13
image/png

center
100
ee57efac-2d2c-4a7e-a6af-683179a3c0c0
2
523
image/png


RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/575417 / HA ZA 19-522

Vonnis van 22 januari 2020

in de zaak van

de stichting
STICHTING TABLIS WONEN

gevestigd te Sliedrecht,eiseres,advocaten mr. M.R. de Boer en mr. drs. P. Eymaal te Utrecht,
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STEDIN NETBEHEER B.V.

gevestigd te Rotterdam,gedaagde,advocaten mr. drs. J.E. Janssen en mr. P. Courtens te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Tablis en Stedin genoemd worden.

1

Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding van 23 mei 2019 met achttien producties;- de conclusie van antwoord van 4 september 2019 met zestien producties;- de akte van 28 november 2019 met vier producties van Tablis;- de akte van 28 november 2019 met vijf producties van Stedin;- de akte van 6 december 2019 met één productie van Tablis;- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 13 december 2019.
2

2.1.
Tablis heeft in de Staatsliedenbuurt in Sliedrecht, voor zover hier van belang, 77 appartementen en achttien beneden-bovenwoningen laten bouwen.
2.2.
Bij brief van 22 januari 2018 (productie 4 Tablis) heeft Stedin een offerte uitgebracht voor het aansluiten van, voor zover hier van belang, negen van de achttien in 2.1 bedoelde beneden-bovenwoningen op het elektriciteitsnet (offertenummer [nummer 1] ). Stedin heeft deze offerte toegezonden aan Tablis. Stedin heeft op het opdrachtformulier dat is gevoegd bij deze offerte Tablis als opdrachtgever vermeld.In haar offerte van 22 januari 2018 heeft Stedin onder meer het volgende vermeld.
“ Daarnaast is een aantal overige voorwaarden van toepassing. Hieronder ziet u een overzicht.(…) Algemene voorwaarden Stedin voor het uitvoeren van werkzaamheden en het verlenen van diensten; (…)”
In het opdrachtformulier dat is gevoegd bij de offerte van 22 januari 2018 is onder meer het volgende vermeld.

“ Ik ga akkoord met de offerte en de algemene voorwaarden van Stedin en geef hierbij opdracht tot uitvoering van de werkzaamheden.”

2.3.
Op het opdrachtformulier behorend bij de offerte van 22 januari 2018 is een stempel van [naam bedrijf 1] te [plaatsnaam 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ) geplaatst, met een paraaf van [naam 1] en de datum 12 februari 2018. Bij het stempel is “in opdracht van Tablis Wonen” geschreven. Op dit formulier is bij “Naam opdrachtgever” ingevuld “ [naam bedrijf 1] in opdracht van: Tablis wonen”.
2.4.
Bij brief van 14 februari 2018 (productie 3 Tablis) heeft Stedin een offerte uitgebracht voor het aansluiten van, voor zover hier van belang, de in 2.1 bedoelde appartementen op het elektriciteitsnet (offertenummer [nummer 2] ). Stedin heeft deze offerte toegezonden aan [naam bedrijf 2] te [plaatsnaam 2] (hierna: [naam bedrijf 2] ). Stedin heeft op het opdrachtformulier dat is gevoegd bij deze offerte [naam bedrijf 2] als opdrachtgever vermeld.
In haar offerte van 14 februari 2018 heeft Stedin onder meer het volgende vermeld.

“ Daarnaast is een aantal overige voorwaarden van toepassing. Hieronder ziet u een overzicht.(…) Algemene voorwaarden Stedin voor het uitvoeren van werkzaamheden en het verlenen van diensten; (…)”
In het opdrachtformulier dat is gevoegd bij de offerte van 14 februari 2018 is onder meer het volgende vermeld.

“ Ik ga akkoord met de offerte en de algemene voorwaarden van Stedin en geef hierbij opdracht tot uitvoering van de werkzaamheden.”

2.5.
Op het opdrachtformulier behorend bij de offerte van 14 februari 2018 is een stempel van [naam bedrijf 1] geplaatst, met een paraaf van [naam 1] . Op dit formulier is bij “Naam opdrachtgever” niets ingevuld en bij “Datum” 15 februari 2018.
2.6.
Bij brief van 22 maart 2018 (productie 4 Tablis) heeft Stedin een offerte uitgebracht voor het aansluiten van de andere negen beneden-bovenwoningen op het elektriciteitsnet (offertenummer [nummer 3] ). Stedin heeft deze offerte toegezonden aan Tablis. Stedin heeft op het opdrachtformulier dat is gevoegd bij deze offerte Tablis als opdrachtgever vermeld.
In haar offerte van 22 maart 2018 heeft Stedin onder meer het volgende vermeld.

“ Daarnaast is een aantal overige voorwaarden van toepassing. Hieronder ziet u een overzicht.(…) Algemene voorwaarden Stedin voor het uitvoeren van werkzaamheden en het verlenen van diensten; (…)”
In het opdrachtformulier dat is gevoegd bij de offerte van 22 maart 2018 is onder meer het volgende vermeld.

“ Ik ga akkoord met de offerte en de algemene voorwaarden van Stedin en geef hierbij opdracht tot uitvoering van de werkzaamheden.”

2.7.
Op het opdrachtformulier behorend bij de offerte van 22 maart 2018 is een stempel van [naam bedrijf 1] geplaatst, met een paraaf van [naam 1] en de datum 23 maart 2018. Bij het stempel is “in opdracht van Tablis Wonen” geschreven. Op dit formulier is bij “Naam opdrachtgever” ingevuld “ [naam bedrijf 1] (in opdracht van Tablis wonen)”.
2.8.
Bij brief van 14 mei 2018 (productie 6 Tablis) heeft Tablis Stedin onder meer het volgende geschreven.
“ Ten behoeve van de aansluiting van de 77 appartementen en 18 beneden/ bovenwoningen (verder: de woningen) in dit project is op 14 februari 2018 door Stedin een offerte toegestuurd aan de aannemer van Tablis Wonen, [naam bedrijf 2] (…) voor de uitvoering van de noodzakelijke werkzaamheden (…). In de offerte is aangegeven dat binnen 16 weken na ontvangst van het opdrachtformulier gestart zou worden. De aannemer heeft op 15 februari 2018 de opdracht aan Stedin verstrekt.
Onlangs is door Stedin te kennen gegeven dat vanwege interne omstandigheden de werkzaamheden niet eerder zouden kunnen zijn afgerond dan november 2018.Met deze gang van zaken kan Tablis Wonen geen genoegen nemen. Op grond van artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet 1998 bent u verplicht een aansluiting te realiseren binnen een redelijke termijn. Deze redelijke termijn is blijkens de wet in ieder geval verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen 18 weken nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder is ingediend.Uitgaande van de opdracht die u op 15 februari 2018 is verstrekt, zijn wij van mening dat de aansluiting uiterlijk 19 juni a.s. gerealiseerd dient te zijn. (…) Mocht u er niet toe overgaan de aansluiting te realiseren binnen deze wettelijke termijn, dan schiet u tekort in de uitvoering van uw verplichtingen jegens Tablis Wonen en bent u aansprakelijk voor de schade die Tablis Wonen daardoor zal lijden. (…)
Hierbij verzoeken wij u en sommeren wij voor zover dit wettelijk is vereist, ons binnen 7 dagen na heden schriftelijk te bevestigen dat u de aansluitingen van de woningen als hiervoor omschreven zult realiseren binnen de wettelijke termijn zoals opgenomen in artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet en dat de aansluitingen in de woningen op het elektriciteit- en/of gasnet derhalve gereed zullen zijn voor gebruik uiterlijk 19 juni 2018.Mocht u aan uw verplichtingen niet voldoen dan houdt Tablis Wonen u volledig aansprakelijk voor alle schade die zij daardoor heeft geleden en nog zal lijden.”

2.9.
Op negen registratieformulieren elektrische aansluiting KVB (productie 2 Stedin) is vermeld dat de aansluitingen van de adressen [adressenblok 1] op het elektriciteitsnet zijn aangelegd op 6 juli 2018.
2.10.
Op negen registratieformulieren elektrische aansluiting KVB (productie 3 Stedin) is vermeld dat de aansluitingen van de adressen [adressenblok 2] op het elektriciteitsnet zijn aangelegd op 6 juli 2018.
2.11.
Op 77 registratieformulieren elektrische aansluiting KVB (onderdeel productie 1 Stedin) is vermeld dat de aansluitingen van de adressen [adressenblok 3] op het elektriciteitsnet zijn aangelegd op 10, 11 en 13 september 2018.
2.12.
Bij brief van 10 oktober 2018 (productie 7 Tablis) heeft (de advocaat van) Tablis onder meer het volgende geschreven aan Stedin.
“ Cliënte heeft u bij brief d.d. 14 mei 2018 (…) in gebreke gesteld met betrekking tot het aansluiten van 77 appartementen en 18 beneden/bovenwoningen, gelegen in de Staatsliedenbuurt te Sliedrecht. (…).

(…)

Uiteindelijk is de aansluiting gerealiseerd op 27 en 28 september 2018.

Door niet tijdig de aansluiting te realiseren bent u in gebreke gebleven jegens cliënte en bent u tevens aansprakelijk voor de schade die cliënte daardoor heeft geleden. Deze schade bestaat allereerst uit de extra bouwplaatskosten die cliënte heeft moeten voldoen aan de aannemer. Bepaalde werkzaamheden konden niet worden afgerond zolang de woningen niet beschikten over een aansluiting op gas en elektriciteit.Daarnaast heeft cliënte de woningen niet kunnen verhuren, hetgeen heeft geleid tot huurderving (…).”

2.13.
In haar antwoordbrief van 6 november 2018 (productie 9 Tablis) heeft Stedin onder meer het volgende geschreven.
“ Uit onze administratie blijkt dat uw cliënt Tablis Wonen, geen aanvrager is van de betreffende werkzaamheden. De aanvrager is in dit geval [naam bedrijf 2] , ook wel [naam bedrijf 1] genoemd. (…)

Door het ontvangen akkoord is er tussen Stedin en [naam bedrijf 2] een overeenkomst tot stand gekomen voor het uitvoeren van deze werkzaamheden. Onderdeel van deze overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor het uitvoeren van Werkzaamheden en het verlenen van Diensten. Aangezien de overeenkomst tussen Stedin en [naam bedrijf 2] is ontstaan kan uw cliënt geen rechten ontlenen aan de wederzijdse verplichtingen zoals opgenomen in deze overeenkomst en kan er uit eigen hoofde geen aanspraak gemaakt worden op vergoeding van enige schade die zou zijn ontstaan door de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de overeenkomst. Er is immers geen overeenkomst tussen uw cliënt en Stedin tot stand gekomen.

Gelet op bovenstaande wijzen wij uw claim dan ook af.”

2.14.
Bij brief van 14 november 2018 (productie 10 Tablis) heeft (de advocaat van) Tablis aan Stedin onder meer het volgende geschreven.
“ Voorop gesteld zij dat ook zonder daartoe strekkende overeenkomst, er schade kan ontstaan door het handelen in strijd met uw wettelijke verplichting, te weten het realiseren van een aansluiting binnen een termijn van 18 weken zoals omschreven in artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet, die voor vergoeding in aanmerking komt. Dat volgt reeds uit artikel 6:162 BW, met name het tweede lid.

Verder gaat u er kennelijk aan voorbij dat er getekende offertes zijn waaruit blijkt dat de aanvraag door [naam bedrijf 1] uitdrukkelijk is gedaan cliënte. (…)

Stedin is overigens ook betrokken geweest bij meerdere overleggen met cliënte over de aanleg van de nutsvoorzieningen (…). Bovendien is in het overleg van 28 mei 2018 door mw. [naam 2] aan cliënte toegezegd dat de aansluitingen zo spoedig als mogelijk gerealiseerd zouden worden waarbij werd erkend dat de wettelijke termijn niet is gehaald.Uit die toezegging volgt hoe dan ook dat Stedin zich blijkbaar verbonden achtte jegens cliënte om de bedoelde aansluitingen te realiseren.

(…) Er is dus een overeenkomst (…) tussen Stedin en cliënte, voor zover dat niet reeds uit de in opdracht getekende offertes volgt, staat dat vast op grond van de feitelijke handelingen en gedragingen van partijen.”

2.15.
In haar antwoordbrief van 20 november 2018 (productie 11 Tablis) heeft Stedin onder meer het volgende geschreven.
“ Voor de 77 appartementen is er geen overeenkomst tussen Stedin en Tablis Wonen tot stand gekomen. Uw cliënte kan reeds daarom al niet uit eigen hoofde aanspraak maken op een vergoeding. Tevens refereert u aan artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet en artikel 6:162 BW. Stedin ziet niet in op welke wijze zij onrechtmatig jegens uw cliënte heeft gehandeld.”

2.16.
Bij brief van 14 december 2018 (productie 12 Tablis) heeft (de advocaat van) Tablis aan Stedin onder meer het volgende geschreven.
“ De offerte van aansluitadres [aansluitadres] ontbeert de mededeling , zoals dat wel op de andere offertes staat. Echter, de offerte is door dezelfde persoon ( [naam 1] ) ingevuld, ziet op dezelfde wijk en komt voort uit dezelfde vele overleggen waarbij ook Stedin betrokken was en ziet op hetzelfde bouwproject (…). Het enkele feit dat één van de offertes niet de vermelding heeft “in opdracht van, terwijl de andere offertes dat wel hebben, is van onvoldoende gewicht tegenover het gegeven dat het Stedin duidelijk was dat het ging om woningen in eigendom van Tablis Wonen, die werden opgeleverd in de Staatsliedenbuurt, waarover regelmatig overleg is gepleegd, waarbij bovendien Stedin heeft gereageerd op de ingebrekestelling van 14 mei 2018 van Tablis Wonen met de toezegging zo spoedig mogelijk te zullen aansluiten (…). In die brief van 14 mei 2018 wordt bovendien gerefereerd aan 77 appartementen én 18 beneden-/ bovenwoningen. De 77 appartementen behoren tot de offerte van aansluitadres [aansluitadres] (…).”

2.17.
In haar antwoordbrief van 4 januari 2019 (productie 13 Tablis) heeft Stedin onder meer het volgende geschreven.
“ Voor de 18 woningen geldt dat de offertes gericht zijn aan Tablis Wonen, maar zijn ondertekend door [naam bedrijf 1] in opdracht van Tablis wonen.Primair is Stedin van mening dat ook hier geen overeenkomst bestaat met Tablis Wonen. Daarom geldt ook hier dat Stedin artikel 23 lid 3 niet jegens Tablis Wonen kan hebben overtreden. Artikel 23 lid 3 heeft immers tot doel om enkel de verzoeker van een aansluiting te beschermen. Daarom kan ook hier artikel 23 lid 3 E-wet niet via artikel 6:162 BW worden ingeroepen.(…) Indien toch komt vast te staan dat er wel een overeenkomst bestaat tussen Stedin en Tablis Wonen, dan zijn de Algemene Voorwaarden van toepassing. In de offerte zijn van toepassing verklaard de Algemene Voorwaarden voor de uitvoering van werkzaamheden en het verlenen van diensten van Stedin. Artikel 11 lid 2 van deze algemene voorwaarden bepaalt dat Stedin nummer gehouden is tot vergoeding van bedrijfsschade, winst- en inkomstenderving alsmede alle andere indirecte schade. Op basis van dit artikel is Stedin niet aansprakelijk voor de vertragingskosten.”

2.18.
In de Algemene voorwaarden van Stedin voor het uitvoeren van werkzaamheden en het verlenen van diensten (productie 17 Tablis; hierna: de algemene voorwaarden) is onder meer het volgende bepaald.
“ Artikel 11 – Aansprakelijkheid1. Onverminderd het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, is de Opdrachtnemer jegens Opdrachtgever slechts aansprakelijk voor de door Opdrachtgever geleden schade indien deze schade een rechtstreeks gevolg is van opzet of grove schuld van Opdrachtnemer, zijn werknemers dan wel andere personen die door Opdrachtnemer worden ingeschakeld bij de uitvoering van de Werkzaamheden en voor wie Opdrachtnemer aansprakelijk is. 2. Opdrachtnemer is nimmer gehouden tot vergoeding van gevolgschade, vertragingsschade en bedrijfsschade, daaronder mede begrepen winst- en/of inkomstenderving, en tot vergoeding van andere indirecte schade.”
2.19.
In een ongedateerde voorwaardelijke overeenkomst tot overdracht (productie 14 Tablis), gesloten tussen Tablis en [naam bedrijf 3] “(voorheen genaamd: [naam bedrijf 1] )”, is onder meer het volgende vermeld.
“ Artikel I – Voorwaardelijke overdracht vordering1. [naam bedrijf 3] draagt hierbij over aan Tablis, gelijk Tablis aanvaardt alle(…) aanspraken van [naam bedrijf 3] tot schadevergoeding op Stedin wegens de te late aansluiting van de 77 appartementen aan de [adressenblok 3] indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat ter zake niet Tablis maar [naam bedrijf 3] een vordering zou toekomen (…)”

3

3.1.
Tablis vordert primair, samengevat, (1) voor recht te verklaren dat Stedin de in 2.1 bedoelde appartementen en beneden-bovenwoningen niet binnen de termijn van artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet 1998 (Ewet) heeft aangesloten op het elektriciteitsnet en dat Stedin aansprakelijk is voor de schade die Tablis daardoor heeft geleden en (2) Stedin te veroordelen tot betaling van € 351.863,- aan Tablis, vermeerderd met wettelijke handelsrente althans wettelijke rente, met veroordeling van Stedin in de proceskosten. Subsidiair vordert Tablis, samengevat, Stedin te veroordelen tot betaling van € 351.863,- of een deel daarvan aan [naam bedrijf 2] , die haar vorderingen op Stedin voorwaardelijk aan Tablis heeft gecedeerd, vermeerderd met wettelijke handelsrente althans wettelijke rente, met veroordeling van Stedin in de proceskosten.
3.2.
Tablis legt aan haar vordering ten grondslag dat Stedin de verbintenis tot aansluiting van de appartementen en beneden-bovenwoningen op het elektriciteitsnet binnen de termijn van artikel 23 lid 3 Ewet niet is nagekomen en dat het niet binnen de wettelijke termijn realiseren van deze aansluitingen voorts een onrechtmatige daad van Stedin jegens Tablis oplevert.
3.3.
Stedin voert verweer en betwist de feiten die Tablis aan haar vorderingen ten grondslag legt. Stedin concludeert tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling van Stedin in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
overwegingen

4

De partijen bij de overeenkomst van opdracht
4.1.
Stedin betwist dat zij met Tablis is overeengekomen dat Stedin de appartementen en de beneden-bovenwoningen zou aansluiten op het elektriciteitsnet. Volgens Stedin is de opdracht tot aansluiting van de appartementen verstrekt door [naam bedrijf 2] en niet door Tablis. De opdracht tot aansluiting van de beneden-bovenwoningen is volgens Stedin verstrekt door [naam bedrijf 3] ( [naam bedrijf 3] Wonen) als rechtsopvolgster van [naam bedrijf 1] .
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Stedin onvoldoende gemotiveerd betwist dat Tablis haar wederpartij is bij de overeenkomsten tot het aansluiten van de achttien beneden-bovenwoningen op het elektriciteitsnet. Stedin heeft de betreffende offertes toegezonden aan Tablis en op de opdrachtformulieren bij deze offertes heeft Stedin zelf vermeld dat Tablis de opdrachtgeefster is. Hieruit blijkt dat Stedin ervan uitging dat Tablis haar wederpartij was bij een eventuele opdracht. Degene die de opdrachtformulieren heeft ingevuld en geparafeerd, heeft op beide formulieren zowel bij “Naam opdrachtgever” als bij het stempel van [naam bedrijf 1] vermeld dat wordt gehandeld in opdracht van Tablis. Tablis concludeert terecht dat zij de opdrachtgeefster van Stedin is tot het aansluiten van de beneden-bovenwoningen op het elektriciteitsnet en dat zij partij is bij de overeenkomsten die in dat kader zijn gesloten.
4.3.
Tablis heeft haar standpunt dat zij eveneens partij is bij de overeenkomst tot aansluiting van de 77 appartementen op het elektriciteitsnet onvoldoende onderbouwd, zodat dit niet is vast komen te staan. Stedin heeft de betreffende offerte toegezonden aan [naam bedrijf 2] en op het opdrachtformulier bij deze offerte heeft Stedin vermeld dat [naam bedrijf 2] de opdrachtgeefster is. Hieruit blijkt dat Stedin ervan uitging dat [naam bedrijf 2] haar wederpartij was bij een eventuele opdracht. Degene die het opdrachtformulier heeft ingevuld en geparafeerd, heeft daarop een stempel van [naam bedrijf 1] geplaatst en niet vermeld dat de opdracht wordt verstrekt namens Tablis. Het in 2.16 weergegeven betoog van Tablis bevat geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat zij desondanks partij is bij de betreffende overeenkomst. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat Stedin er onweersproken op heeft gewezen dat [naam bedrijf 1] binnen hetzelfde project ook woningen heeft gerealiseerd die niet in eigendom aan Tablis toebehoren. Ook als de door Tablis in 2.14 bedoelde toezegging is gedaan, volgt daaruit niet dat Tablis door Stedin niet alleen als gesprekspartner, maar ook als haar wederpartij bij de overeenkomst betreffende de aansluiting van de appartementen op het elektriciteitsnet werd gezien.
De cessie

4.4.
Tablis stelt dat [naam bedrijf 3] Wonen, de rechtsopvolgster van [naam bedrijf 1] , haar vordering tot schadevergoeding wegens de het te laat aansluiten van de 77 appartementen heeft gecedeerd aan Tablis (productie 14 Tablis).Stedin betwist dat sprake is van een rechtsgeldige cessie.
4.5.
Het argument van Stedin dat niet [naam bedrijf 1] maar [naam bedrijf 2] haar wederpartij is bij de overeenkomst tot het aansluiten van de 77 appartementen wordt niet gevolgd. Weliswaar heeft Stedin de betreffende offerte toegezonden aan [naam bedrijf 2] , maar de opdrachtgever heeft daarop een stempel van [naam bedrijf 1] geplaatst. Nu Stedin daarover destijds geen vragen of opmerkingen heeft gemaakt en werkzaamheden heeft verricht ter uitvoering van de overeenkomst, moet het ervoor worden gehouden dat (Stedin heeft geaccepteerd dat) [naam bedrijf 1] haar wederpartij is bij deze overeenkomst. [naam bedrijf 1] kon haar gestelde aanspraken op grond van deze overeenkomst cederen aan Tablis. Dat Tablis in de dagvaarding heeft opgenomen dat [naam bedrijf 2] de cedent is, is een kennelijke vergissing die niet afdoet aan de duidelijke tekst van de overeenkomst van cessie. Hetzelfde geldt voor de kennelijke verschrijving in de dagvaarding dat de vordering is gecedeerd aan Stedin (in plaats van aan Tablis). Ook deze argumenten van Stedin worden dan ook niet gevolgd.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Stedin verder naar voren gebracht dat de cessie niet compleet is, omdat deze alleen geldt als de rechtbank vaststelt dat Stedin zich terecht op het standpunt stelt dat alleen [naam bedrijf 3] Wonen een vordering heeft wat betreft de appartementen. De rechtbank moet zich daarover nog uitspreken. Ook dit argument van Stedin wordt niet gevolgd. Tablis stelt primair dat zij zelf de wederpartij van Stedin is bij de betreffende overeenkomst. Als de rechtbank deze stelling niet volgt (en dat doet de rechtbank gelet op 4.3 inderdaad niet), stelt Tablis subsidiair dat [naam bedrijf 3] Wonen als rechtsopvolgster van [naam bedrijf 1] partij is bij deze overeenkomst en dat [naam bedrijf 3] Wonen haar aanspraken jegens Stedin uit die overeenkomst heeft gecedeerd aan Tablis. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de voorwaardelijke overeenkomst van cessie in deze situatie niet rechtsgeldig is of dat de cessie nog niet van kracht is, nog daargelaten welk redelijk belang Stedin erbij heeft dat Tablis na dit vonnis een nieuwe procedure aanhangig zou moeten maken ter verkrijging van een oordeel van de rechtbank over haar vordering die ziet op de aansluiting van de 77 appartementen.
4.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Tablis kan worden ontvangen in haar vordering met betrekking tot het niet tijdig aansluiten van de 77 appartementen.
Het tijdstip van de aansluitingen

4.7.
Stedin betwist dat zij de negen beneden-bovenwoningen aan de [adressenblok 2] niet binnen achttien weken zou hebben aangesloten. Stedin wijst erop dat de betreffende opdracht op 23 maart 2018 is verstrekt en dat de aansluitingen op 6 juli 2018 gereed waren, dat is binnen achttien weken na opdrachtverlening. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Stedin in dit verband toegelicht dat een aansluiting op het elektriciteitsnet is gerealiseerd als er spanning op de kabel staat. Die datum is vermeld op de registratieformulieren. Wanneer de meter wordt aangesloten en de levering van elektriciteit daadwerkelijk begint, is volgens Stedin aan de klant en niet haar verantwoordelijkheid.
4.8.
Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft Tablis haar stelling dat de betreffende woningen niet binnen achttien weken zijn aangesloten op het elektriciteitsnet onvoldoende onderbouwd. Tablis betwist niet dat er op 6 juli 2018 spanning op de kabel stond. Evenmin heeft zij gesteld dat een ander moment bepalend is voor het gereed komen van de aansluiting op het elektriciteitsnet. Derhalve is niet vast komen te staan dat Stedin de negen beneden-bovenwoningen aan de [adressenblok 2] niet binnen achttien weken heeft aangesloten, zodat de in dit verband gevorderde verklaring voor recht niet kan worden gegeven.
4.9.
Stedin betwist niet dat zij de negen beneden-bovenwoningen aan de [adressenblok 1] en de 77 appartementen niet binnen achttien weken heeft aangesloten op het elektriciteitsnet. Uit het voorgaande volgt wel dat Stedin terecht betoogt dat de vertraging bij het realiseren van deze aansluitingen beperkter is dan Tablis stelt.
Het beroep van Stedin op de algemene voorwaarden

4.10.
Stedin voert onder meer het verweer dat, als de rechtbank zou oordelen dat Tablis aanspraak kan maken op schadevergoeding, de vordering daartoe niet toewijsbaar is gelet op artikel 11 lid 1 en 2 van de algemene voorwaarden.Tablis betwist de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Voor zover de algemene voorwaarden van toepassing zijn, vernietigt Tablis deze omdat zij onredelijk bezwarend zijn. Voor zover de algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend zijn, staat dat volgens Tablis niet in de weg aan toewijzing van haar vordering uit onrechtmatige daad.
4.11.
In de offertes is vermeld dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn en op de opdrachtformulieren is voorgedrukt dat de opdrachtgever daarmee akkoord gaat. Tablis en [naam bedrijf 1] hebben de betreffende opdrachten zonder discussie op dit punt verstrekt. Daarmee is de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden rechtsgeldig overeengekomen. Dat [naam bedrijf 1] haar vordering wat betreft de appartementen heeft gecedeerd aan Tablis, neemt niet weg dat Stedin ter betwisting van deze vordering kan wijzen op de tussen haar en [naam bedrijf 1] overeengekomen algemene voorwaarden.
4.12.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend zijn, wijst Tablis op artikel 26a, vijfde lid, van de Ewet. Op grond van deze bepaling zijn de artikelen 6:236 en 6:237 BW mede van toepassing op voorwaarden in overeenkomsten met afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, (van de Ewet) die rechtspersoon zijn of handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Op grond van artikel 6:237 aanhef en onder f BW wordt een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding vermoed onredelijk bezwarend te zijn.Stedin meent dat Tablis geen beroep toekomt op artikel 26a, vijfde lid, van de Ewet en daarom ook niet op artikel 6:237 aanhef en onder f BW. Zij wijst in dit verband op de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 26a Ewet en citeert in haar conclusie van antwoord onder meer de volgende passages uit de memorie van toelichting op de Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter uitvoering van richtlijn nr. 2003/54/EG (PbEG L 176), verordening nr. 1228/2003 (PbEG L 176) en richtlijn nr. 2003/55/EG (PbEG L 176), alsmede in verband met de aanscherping van het toezicht op het netbeheer (Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer; TK 2003-2004, 29 372, nr. 3).
“ Op de lijn dat wat reeds in het Burgerlijk Wetboek is geregeld niet wordt uitgebreid naar alle kleinverbruikers is één uitzondering gemaakt, namelijk de artikelen 26a en 95b van de Elektriciteitswet 1998 en de artikelen 14 en 44 van de Gaswet, waarin de consumentenbescherming van de artikelen 236 en 237 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek tegen onredelijk bezwarende voorwaarden is uitgebreid tot de relatie tussen netbeheerder of vergunninghouder en de kleinverbruiker, niet zijnde consument. Hierdoor geniet ook deze kleinzakelijke verbruiker met betrekking tot de algemene voorwaarden dezelfde rechtsbescherming als de consument.” (blz. 6-7)

“ De artikelen 236 en 237 bevatten bescherming voor consumenten tegen onredelijk bezwarende algemene voorwaarden van de verkoper. Met de voorgestelde wijziging van artikel 26a wordt beoogd alle kleinverbruikers eenzelfde bescherming te geven, ongeacht of het consumenten betreft of kleinzakelijke verbruikers.” (blz. 41)

4.13.
Met Stedin is de rechtbank van oordeel dat uit deze passages uit de wetsgeschiedenis duidelijk blijkt dat artikel 26a, vijfde lid, van de Ewet van toepassing is op kleine zakelijke verbruikers (kopers) van elektriciteit. Daarmee kan Tablis niet op één lijn worden gesteld, zodat zij geen rechten kan ontlenen aan deze bepaling en – in het verlengde daarvan – evenmin aan artikel 6:237 BW.
4.14.
Verder stelt Tablis dat de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend zijn in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW. Daartoe wijst zij erop dat Stedin de enige partij is die de betreffende aansluitingen op het elektriciteitsnet verzorgt en dat artikel 11 lid 2 van de algemene voorwaarden feitelijk tot gevolg heeft dat Stedin in het geheel niet kan worden aangesproken op het niet binnen de wettelijke termijn realiseren van deze aansluitingen.
4.15.
De rechtbank acht artikel 11 lid 2 van de algemene voorwaarden van Stedin niet onredelijk bezwarend. Stedin wijst er niet ten onrechte op dat de gevorderde schadevergoeding beduidend hoger is dan het totaalbedrag dat Stedin in rekening heeft gebracht voor het realiseren van de betreffende aansluitingen. Het is niet onredelijk (of ongebruikelijk in het zakelijk verkeer) dat Stedin een dergelijke aansprakelijkheid uitsluit. Voorts betwist Stedin met recht dat haar algemene voorwaarden tot gevolg hebben dat zij niet kan worden aangesproken op het niet binnen de wettelijke termijn realiseren van deze aansluitingen, nu de Autoriteit Consument en Markt al dan niet op basis van een verzoek om handhaving kan optreden als zij daartoe aanleiding ziet.
4.16.
Stedin wijst er verder op dat Tablis niet heeft gesteld (en dat uit haar stellingen ook niet volgt) dat sprake is van opzet of grove schuld in de zin van artikel 11 lid 1 van de algemene voorwaarden, zodat ook dat artikellid in de weg staat aan de toewijzing van een vordering tot schadevergoeding.Voor zover Tablis al heeft gesteld dat sprake is van opzet of grove schuld aan de zijde van Stedin, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Stedin komt derhalve ook een beroep toe op artikel 11 lid 1 van de algemene voorwaarden.
4.17.
Bij een rechtsgeldige uitsluiting van aansprakelijkheid in algemene voorwaarden is een vordering tot vergoeding van diezelfde schade uit onrechtmatige daad slechts in bijzondere situaties toewijsbaar, omdat de uitsluiting van aansprakelijkheid anders feitelijk haar betekenis verliest. Dat van een dergelijke bijzondere situatie sprake is, volgt niet uit de stellingen van Tablis.
Conclusie

4.18.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen.
4.19.
Bij een verklaring voor recht dat Stedin de aansluiting van de negen beneden-bovenwoningen aan de [adressenblok 1] en de 77 appartementen aan de [adressenblok 3] op het elektriciteitsnet niet binnen de in artikel 23 lid 3 Ewet vermelde termijn heeft gerealiseerd, zonder dat dit gevolgen heeft in de rechtsverhouding tussen Tablis en Stedin, heeft Tablis geen belang. Ook dit onderdeel van de vordering wordt daarom afgewezen.
4.20.
De primaire en de subsidiaire vordering worden afgewezen.
Proceskosten

4.21.
Tablis wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van Stedin, tot op heden begroot op € 8.834,- (€ 4.030,- aan geheven griffierecht, 1 punt voor de conclusie van antwoord en 1 punt voor de mondelinge behandeling, met een waarde per punt van € 2.402,- (tarief VI), te vermeerderen met wettelijke rente met ingang 6 februari 2020 (de vijftiende dag na heden).
beslissing

5

De rechtbank:
5.1
wijst de vorderingen af;
5.2
veroordeelt Tablis in de proceskosten van Stedin, tot op heden begroot op € 8.834,-, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang 6 februari 2020.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.

_59fc7af2-98c3-4f28-a8db-106a298b5f3b
1

3194/2294