Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2020:2441

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 20-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 20-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2020:2441, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is ROT 20/974 en ROT 20/976


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,
gemachtigde: mr. M.J. Hüsen,

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 20/974 en ROT 20/976

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2020 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam

gemachtigde: mr. S. Duinhouwer.

ECLI:NL:RBROT:2020:2441:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,
gemachtigde: mr. M.J. Hüsen,
Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 20/974 en ROT 20/976

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2020 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam

gemachtigde: mr. S. Duinhouwer.
procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het recht op een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) van verzoekster opgeschort per 24 oktober 2019.

Bij besluit van 6 november 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het recht op een uitkering op grond van de Pw van verzoekster ingetrokken per 24 oktober 2019.

Tegen deze besluiten heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in beide zaken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

overwegingen

Overwegingen

1.1
Verzoekster woont samen met haar meerderjarige dochter. Verzoekster ontving sinds 3 januari 2013 een bijstandsuitkering.
1.2
Bij brief van 16 oktober 2019 heeft verweerder verzoekster uitgenodigd voor een gesprek op 24 oktober 2019. Verzoekster is niet verschenen.
1.3
Bij bestreden besluit I heeft verweerder de uitkering van verzoekster opgeschort per 24 oktober 2019 en haar uitgenodigd voor een gesprek op 30 oktober 2019. Verzoekster is niet verschenen.
1.4
Bij brief van 30 oktober 2019 heeft verweerder verzoekster uitgenodigd voor een gesprek op 6 november 2019. Zij is niet verschenen.
1.5
Vervolgens heeft verweerder de uitkering van verzoekster bij bestreden besluit II ingetrokken per 24 oktober 2019.
2. Verweerder heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat verzoekster niet heeft gereageerd en niet is verschenen naar aanleiding van uitnodigingen voor gesprekken op 24 oktober 2019 en op 30 oktober 2019.
3. Verzoekster stelt dat de inhoud van de door verweerder genoemde brieven haar niet bekend is. Zij heeft de brieven van 16 en 24 oktober 2019 niet ontvangen. De brieven van 30 oktober 2019 en 6 november 2019 trof zij in de week van 13 november 2019 gekreukeld aan in een oud papier doos waarin andere bewoners van haar flat post gooien die niet voor henzelf bestemd is. De brieven lijken daarom niet in de correcte bus gestopt te zijn. Ook heeft verzoekster, zo stelt zij, geen voicemailbericht van verweerder ontvangen op 30 oktober 2019 en is zij op 6 november 2019 niet gebeld door verweerder.
4. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.
5. Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Pw kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogte acht weken opschorten indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent.
6. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de uitnodigingsbrief van 16 oktober 2019 per niet-aangetekende post is verzonden en dat hij, nu verzoekster de ontvangst van deze brief betwist, de verzending van deze uitnodigingsbrief niet aannemelijk kan maken. Verweerder stelt dat dit gebrek, met wijziging van de ingangsdatum van de opschorting van 24 oktober 2019 in 30 oktober 2019, in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld.
7.1
Verzoekster is bij brief van 24 oktober 2019 uitgenodigd voor een gesprek op 30 oktober 2019 en de brief van 30 oktober 2019 betreft een opschortingsbesluit waarbij verzoekster in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen door te verschijnen op een gesprek op 6 november 2019. De brieven van 24 oktober 2019 en 30 oktober 2019 zijn volgens verweerder persoonlijk bezorgd. Het in een brievenbus deponeren van een uitnodiging of een besluit kan worden vergeleken met een niet-aangetekende verzending per post. Daarom is het bij betwisting van die deponering aan verweerder om aannemelijk te maken dat de brieven daadwerkelijk bij verzoekster zijn bezorgd.
7.2
Uit formulieren van 24 oktober 2019 en 30 oktober 2019 volgt dat steeds twee medewerkers (in totaal vier verschillende medewerkers) van verweerder rapporteren dat zij de brieven van 24 oktober 2019 en 30 oktober 2019 bij verzoekster in de brievenbus hebben gedeponeerd. Daarbij zijn geen bijzonderheden genoteerd over de bezorging van de brieven. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat deze brieven daadwerkelijk bij verzoekster in haar brievenbus zijn gedeponeerd. Dat beide brieven niet of in de verkeerde brievenbus zouden zijn bezorgd door vier verschillende medewerkers van verweerder acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk.
8. Nu verzoekster niet op de uitnodigingen voor een gesprek op 30 oktober 2019 en op 6 november 2019 is verschenen, volgt uit het voorgaande dat verweerder naar voorlopig oordeel bevoegd was om met toepassing van artikel 54, eerste lid en vierde lid, van de Pw het recht op bijstand van verzoekster op te schorten en in te trekken. Hoewel de bestreden besluiten gebrekkig gemotiveerd zijn omdat verweerder de uitkering niet per 24 oktober 2019 maar per 30 oktober 2019 had moeten opschorten, wordt hierin geen aanleiding gezien een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder kan de motivering van de bestreden besluiten nog in bezwaar aanpassen zodat deze, na aanpassing van de motivering, naar verwachting na heroverweging in bezwaar stand kunnen houden.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De uitspraak is gedaan op 20 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de De voorzieningenrechter is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.