Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2020:1296

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 17-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2020:1296, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/960102-17


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960102-17Datum uitspraak: 17 februari 2020Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van de uitspraak gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam,raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam.

ECLI:NL:RBROT:2020:1296:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960102-17Datum uitspraak: 17 februari 2020Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van de uitspraak gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam,raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 14, 15, 16 en 17 januari 2020 en 3 februari 2020.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Deze nadere omschrijving van de tenlastelegging is vervolgens op de terechtzitting van 15 januari 2020 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie gewijzigd. De tekst van de nader omschreven en nadien gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officieren van justitie mrs. E. van Doorn en G. Sannes (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:
-

bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 25.000,-.

4

4.1.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de tenlastelegging onder 2 nietig is, voor zover daarin aan verdachte wordt verweten dat hij zou hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had overtreding van de artikelen 177, 272 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het is voor de verdediging onduidelijk op wie de omkoping zich zou hebben gericht en wie de geheimhoudingsplicht zou hebben geschonden.
4.2.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft niet op het verweer gereageerd.
4.3.
Beoordeling

De tenlastelegging voor de feiten 1 en 2 (telkens: deelneming aan een ‘criminele organisatie’) dient te worden gelezen in samenhang met het dossier, in dit geval zaaksdossier Spijker. Daarin komt de overtreding van artikel 177 en 328ter Sr telkens aan de orde onder het kopje ‘corruptie’ (blz. 16, 18-19, 21 relaas; blz. 36-40; 198-206; 534-538 bijlagen). De verdenking van artikel 272 Sr wordt behandeld in de in het zaaksdossier Spijker opgenomen samenvatting van zaaksdossier Vlieg (blz. 33-35). Er kan dus naar het oordeel van de rechtbank bij de verdachte geen misverstand hebben bestaan over de vraag waartegen hij zich diende te verdedigen. Het verweer wordt verworpen.
4.4.
Conclusie

De dagvaarding is geldig.
5

5.1.
Bewijswaardering feit 1 en 2

a. Samenwerkingsverband [naam medeverdachte 1] / [naam verdachte] / [naam medeverdachte 3]

Uit uitlatingen van de verdachten zoals die blijken uit heimelijk opgenomen gesprekken was er al gedurende een aantal jaren – in elk geval langer dan de tenlastegelegde periode – sprake van samenwerking tussen [naam medeverdachte 1] en anderen gericht op het in Nederland invoeren van verdovende middelen.
b. Rol [naam medeverdachte 2]

Uit de bewijsmiddelen volgt daarnaast van diverse contacten tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] . Onder [naam medeverdachte 2] is een PGP-telefoon in beslag genomen waarin gesprekken zijn aangetroffen tussen hem en een persoon die hij aanduidt als ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 1] ’ en ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 1] ’. Zoals hierboven is overwogen zijn beide bijnamen van [naam medeverdachte 1] , waarbij deze laatste ook [naam medeverdachte 2] als ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 1] ’ aanspreekt (blz. 1987). De contacten hebben onder meer betrekking op de kwestie tussen [naam medeverdachte 1] en [naam persoon 3] , zoals die blijkt uit zaaksdossier Vlieg, en dateren uit het voorjaar van 2016.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Het bewijs tegen de verdachte komt in de kern neer op de inhoud en interpretatie van afgeluisterde telefoongesprekken en opgenomen vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC-gesprekken). Het dossier bevat echter onvoldoende bewijs dat het de verdachte is die aan deze gesprekken heeft deelgenomen, dan wel dat in die gesprekken over de verdachte wordt gesproken. Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde organisatie is gewezen op de bepleite vrijspraak voor de onder 3 ten laste gelegde invoer van cocaïne, terwijl andere concrete cocaïnetransporten niet ten laste zijn gelegd en daar overigens ook onvoldoende bewijs voor is. Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde organisatie is aangevoerd dat de verdachte geen enkel (althans een onvoldoende) aandeel heeft gehad in de delicten waarop de organisatie het oogmerk zou hebben gehad, en ook dat die delicten niet in organisatieverband zijn gepleegd. Verder is aangevoerd dat het bewijs dat er daadwerkelijk gebruik is gemaakt van ‘strepen’ – anders dan dat men daarover spreekt – ontbreekt.
Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en 11b Opiumwet slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon - om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt - moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. De verdachte hoeft evenmin bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Wijze van ten laste leggen

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ervoor gekozen heeft om de beide organisaties – zowel die welke zich bezighield met delicten als bedoeld in de Opiumwet als de organisatie die commune delicten tot oogmerk had – afzonderlijk en onder twee feiten ten laste te leggen. Dat staat er niet aan in de weg dat de rechtbank de beide verwijten als één feit beschouwt in die zin dat het om één en dezelfde organisatie gaat die beide soorten misdrijven tot oogmerk had. Deze opvatting van de tenlastelegging is niet in strijd met haar bewoordingen en is in overeenstemming met de uitleg zoals de officier van justitie die ter terechtzitting heeft gegeven. Een en ander betekent wel dat er tussen de beide feiten – voor zover bewezen – sprake is van eendaadse samenloop.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Bijnamen

De (mede)verdachten worden in het dossier (mede) met de volgende bijnamen aangeduid: [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ): [bijnaam 1 medeverdachte 1] , [bijnaam 2 medeverdachte 1] en (in het contact met [naam medeverdachte 2] ) [bijnaam 3 medeverdachte 1] ; [naam verdachte] (hierna: [naam verdachte] ): [bijnaam verdachte] ; [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3] ): [bijnaam 1 medeverdachte 3] , [bijnaam 2 medeverdachte 3] ; [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ): [bijnaam 1 medeverdachte 2] en (in het contact met [naam medeverdachte 1] ) [bijnaam 3 medeverdachte 2] .
A. Samenwerkingsverband

Voor het bewijs dat er sprake is geweest van strafbare overtreding van artikel 140 Sr en/of 11b Opiumwet is allereerst vereist dat vast komt te staan dat er een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen heeft bestaan dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Bij dat samenwerkingsverband dient sprake te zijn van een zekere duurzaamheid en structuur.
Op basis van die gesprekken kan allereerst worden vastgesteld dat de verdachten [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] al geruime tijd samenwerkten. De rechtbank verwijst hiervoor naar een gesprek tussen hen beiden, gevoerd op 16 mei 2017 (blz. 156), waarin [naam verdachte] tegen zijn gesprekspartner zegt dat er ‘weinig mensen [zijn] die het zo lang vol hebben gehouden als wij […]. Heel weinig. Elke groep werkt een of twee keer, klaar.’ Daaruit valt al af te leiden dat [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] zichzelf beschouwen als behorende tot een en dat die groep toen al bestond. Ook in een gesprek dat [naam medeverdachte 1] met ene [naam persoon 1] heeft gevoerd op 16 februari 2018 komt het al lang bestaande samenwerkingsverband tussen hem en [naam verdachte] (‘ [bijnaam verdachte] ’) aan de orde. In dat gesprek haalt [naam medeverdachte 1] herinneringen op aan zijn begintijd met ‘ [bijnaam verdachte] ’. Na te hebben opgemerkt dat hij ‘dit werk al heel lang’ doet (blz. 515) zegt hij onder andere het volgende: ‘Het was [de rechtbank begrijpt: in het begin] niet veel hoor. Toen deden [bijnaam verdachte] en ik tassenwerk, weet je wel?’ Uit dit gesprek volgt tevens dat het ‘werk’ bestaat uit het van schepen afhalen van verdovende middelen. Nu het een feit van algemene bekendheid is dat het bij via de Rotterdamse (en Antwerpse) haven ingevoerde drugs hoofdzakelijk om cocaïne gaat, staat daarmee vast dat de ‘groep’ waartoe [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] zich rekenden tot oogmerk had het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.

Ook [naam medeverdachte 3] maakte deel uit van het samenwerkingsverband. Dit volgt, behalve uit diverse observaties en opnames van gesprekken gemaakt in de auto van [naam medeverdachte 3] (relaas blz. 22), met name uit een opmerking van [naam medeverdachte 1] bij een ontmoeting in het Carlton Oasis Hotel te Spijkenisse op 30 maart 2017, die als volgt luidt: ‘die streep (de rechtbank begrijpt, overeenkomstig de uitleg van de verdachte zelf, douaneambtenaar) in Rotterdam, die is van mij, [bijnaam verdachte] en nog een vriend van mij. We werken met z’n drieën samen. Eh, [naam persoon 2] , […] die [bijnaam 1 medeverdachte 3] . We zijn met z’n drieën hier, dus van ons is die streep’ (blz. 1107). Elders spreekt [naam medeverdachte 3] zelf tegen [naam verdachte] , die vraagt naar ‘jouw man’, over ‘mijn douane’ (blz. 812).

[naam medeverdachte 2] was gedurende de onderzoeksperiode werkzaam bij de Belastingdienst in Den Haag. Wanneer [naam medeverdachte 1] het in de opgenomen gesprekken heeft over ‘zijn maat bij de belasting’ (blz. 226) en bevestigt dat hij ‘iemand bij de belastingdienst’ heeft (blz. 201), gaat het daarbij naar het oordeel van de rechtbank over [naam medeverdachte 2] . [naam medeverdachte 1] refereert ook in een gesprek met [naam verdachte] aan ‘de belastingman’, terwijl [naam verdachte] kennelijk weet wie [naam medeverdachte 1] daarmee bedoelt (blz. 497).

Op grond van de voorgaande opmerkingen en het gegeven dat [naam medeverdachte 2] werd aangestuurd door [naam medeverdachte 1] , is de rechtbank van oordeel dat ook [naam medeverdachte 2] onderdeel uitmaakte van de criminele organisatie. De contacten tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zien vooral op het faciliteren van (rand)zaken rondom de invoer van verdovende middelen. Dit volgt onder andere uit zaaksdossier Panama, waaruit volgt dat [naam medeverdachte 2] de gegevens van [naam persoon 4] heeft achterhaald voor [naam medeverdachte 1] op het moment dat [naam persoon 4] zijn voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne had gestaakt en, ondanks afspraak, niet voor [naam medeverdachte 1] naar Panama was gereisd.

B. Duurzaamheid

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de organisatie gedurende langere tijd heeft bestaan – in elk geval langer dan de tenlastegelegde pleegperiode – en dat er sprake was van een intensief activiteitenniveau. Zo bevat het dossier (relaas blz. 47-51) een opsomming van meer dan honderd ontmoetingen in de periode van 28 oktober 2016 tot en met 30 maart 2018 die [naam medeverdachte 1] en andere deelnemers met elkaar of anderen hebben op straat en in openbare gelegenheden. Van de in dit onderzoek niet-vervolgde personen bij deze ontmoetingen heeft een groot aantal antecedenten op het gebied van de Opiumwet. Daarnaast voerden – blijkens daarvan opgemaakte processen-verbaal – [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 3] , [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] regelmatig overleg met elkaar in (door hen gehuurde) auto’s (relaas blz. 15-30). De daarbij opgenomen gesprekken beslaan de periode van 1 december 2016 tot en met 17 april 2018. Daarbij wordt frequent gesproken over zaken die samenhangen met de door de leden van de organisatie begane of voorbereide misdrijven.
C. Structuur

De rechtbank is tevens van oordeel dat binnen de organisatie sprake was van een zekere . Zij verwijst hiervoor met name naar hetgeen hieronder overwogen zal worden betreffende zaaksdossier Sint Janshaven . Daarin is sprake van de invoer in Nederland van een partij van 171 kilo cocaïne via de haven; duidelijk wordt dat [naam medeverdachte 1] , [naam verdachte] en [naam medeverdachte 3] gezamenlijk vanuit een pand in Rotterdam de actie hebben gecoördineerd. Daarbij onderhield [naam verdachte] de contacten met de chauffeur en [naam medeverdachte 3] die met de eigenaar van de loods waarin de cocaïne diende te worden overgeslagen. Uit de bewijsmiddelen wordt verder duidelijk dat [naam medeverdachte 1] in staat was grote bedragen te investeren in de aankoop van partijen verdovende middelen en ook de overige kosten die gemaakt dienen te worden uit eigen middelen kon bestrijden (blz. 1105).
Er lijkt sprake te zijn geweest van een zekere hiërarchie binnen de organisatie. Dat volgt al uit de omstandigheid dat degenen die hand- en spandiensten verrichten (bijvoorbeeld de douaniers en ‘uithalers’) door het hier genoemde drietal werden aangestuurd. Binnen dit drietal is onderling overigens ook weer sprake van hiërarchie, nu [naam verdachte] zichzelf en [naam medeverdachte 1] ten opzichte van [naam medeverdachte 3] diens (‘zijn’) ‘opdrachtgevers’ noemt (blz. 687) en hem naar eigen zeggen het consigne zou hebben gegeven dat hij ‘niet voor ons (de rechtbank begrijpt: [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] ) [moest] gaan beslissen’ maar veeleer ‘precies [moest] doen wat wij zeggen’ (blz. 712).

[naam medeverdachte 2] was als medewerker van de Belastingdienst (blz. 14 relaas) in staat om verschillende systemen van de Belastingdienst te raadplegen en leverde de daarin opgeslagen gegevens aan [naam medeverdachte 1] (blz. 16 en 33 relaas). Verder is gebleken dat [naam medeverdachte 2] geld heeft bewaard voor [naam medeverdachte 1] (blz. 16 relaas). Ten slotte leidt de rechtbank uit een opgenomen gesprek tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] af dat bij ‘de belastingman’ [de rechtbank begrijpt: [naam medeverdachte 2] ] ook stukken werden bewaard met betrekking tot de openstaande vorderingen van de organisatie (blz. 86 relaas).

D. Oogmerk van de organisatie

Uit het voorgaande volgt dat de organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven als strafbaar gesteld bij de Opiumwet, in het bijzonder het binnen Nederland brengen van verdovende middelen als bedoeld in lijst I behorende bij die wet (harddrugs), het vervoeren daarvan, en de voorbereiding van deze misdrijven. Van dergelijke handelingen met betrekking tot stoffen als bedoeld in lijst II bij de wet (softdrugs) is niet gebleken, zodat de rechtbank de verdachten daarvan zal vrijspreken.
De organisatie had eveneens het oogmerk op andere, niet bij de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven. Hierboven werd al een bewijsmiddel aangehaald waaruit volgt dat de organisatie de beschikking had over een ‘streep’, dat wil zeggen een douaneambtenaar. Eveneens hierboven was al sprake van ‘strepen’ die ‘van’ de leden van de organisatie zijn. Het gaat hier, zo begrijpt de rechtbank, om het omkopen van douaneambtenaren die werkzaam waren in de Rotterdamse haven, teneinde de invoer van verdovende middelen te bevorderen. Daarmee had de organisatie dus tevens het oogmerk op overtreding van artikel 177 Sr. Duidelijk is tevens dat ook anderen – havenmedewerkers – door de organisatie betaald werden. Zo spreekt [naam medeverdachte 1] over een ‘compleet verhaal’, bestaande uit twee miljoen voor de strepen en een half miljoen voor het bedrijf, de logistiek en ‘de jongens die de spullen uitladen, de stashes’ (blz. 1105). Daaruit volgt dat de organisatie ook het oogmerk had op overtreding van artikel 328ter Sr.

Het is een feit van algemene bekendheid dat met handel in verdovende middelen grote winsten worden gemaakt. Hierboven kwam al ter sprake dat aanzienlijke geldbedragen werden uitgegeven aan de omkoping van douaneambtenaren en havenmedewerkers; naar mag worden aangenomen gaat het daarbij om de herinvestering van met eerdere transporten verdiend en dus van misdrijf afkomstig geld. Daarnaast is in het dossier gerelateerd dat enkele leden van de organisatie de beschikking hadden over – gelet op hun reguliere inkomsten onverklaarbare – grote geldbedragen (relaas blz. 84-88). Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de organisatie tevens het oogmerk had op witwassen. Gelet op de grootte van de daarmee gemoeide bedragen en de lange tijdspanne waarin de geldbedragen werden gegenereerd en omgezet kan daarbij van gewoontewitwassen worden gesproken.

Voor de door [naam medeverdachte 2] aan [naam medeverdachte 1] geleverde informatie uit de systemen van de Belastingdienst geldt dat eerstgenoemde daarmee zijn geheimhoudingsplicht als ambtenaar schond. Aldus staat vast dat de organisatie tevens de overtreding van artikel 272 Sr tot oogmerk had.Ten slotte volgt uit zaaksdossier Vlieg, waarvan een samenvatting in zaaksdossier Spijker is opgenomen (relaas blz. 33-35), dat [naam medeverdachte 1] – mede op grond van door [naam medeverdachte 2] aan hem geleverde informatie uit de systemen van de Belastingdienst – getracht heeft een schuld aan hem van [naam persoon 3] te innen. Daarbij is deze [naam persoon 3] in opdracht van [naam medeverdachte 1] en door tussenkomst van [naam medeverdachte 2] bedreigd en fysiek belaagd.
E. Deelneming

Voor [naam medeverdachte 1] , [naam verdachte] en [naam medeverdachte 3] volgt uit hun hiervoor opgenomen uitlatingen in opgenomen gesprekken zonder meer van hun bewustheid van het doel van de organisatie en de door hen daaraan geleverde bijdrage. Voor [naam medeverdachte 2] geldt dat hij aan [naam medeverdachte 1] over verscheidene personen en bedrijven gegevens uit de belastingsystemen heeft verschaft, terwijl hij er blijkens de bewijsmiddelen mee bekend was dat die personen daarmee onder druk konden worden gezet en hij ook zelf opdracht gaf tot dit onder druk zetten (blz. 58).
Betrouwbaarheid stemherkenning

De verdediging heeft betoogd dat de stemherkenning van verdachte [naam verdachte] onbetrouwbaar is en dat daarom de in het dossier aan hem toegeschreven tap- en OVC-gesprekken niet voor het bewijs tegen hem mogen worden gebezigd.
De rechtbank overweegt het volgende.

In het proces-verbaal met volgnummer [nummer proces-verbaal 1] (blz. 90 e.v.) relateert verbalisant [naam verbalisant] dat hij bij het naluisteren van de opname van een gesprek dat op 13 maart 2017 in de Audi A3 in gebruik bij [naam medeverdachte 1] de stem van de eerst als ‘NN-man’ aangeduide gesprekspartner van [naam medeverdachte 1] herkent als die van de verdachte. Vooropgesteld dient te worden dat de verbalisant die verdachtes stem stelt te hebben herkend lid was van een onderzoeksteam dat de verdachte en zijn medeverdachten gedurende ruim anderhalf jaar heeft onderzocht en daarbij de beschikking had over vele uren opgenomen en afgetapt geluidsmateriaal.
Daarnaast wijst de rechtbank op het volgende. Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer [nummer proces-verbaal 1] (blz. 1434 e.v.) volgt dat bij een observatie op 2 juni 2017 is waargenomen dat de verdachte en [naam medeverdachte 1] een ontmoeting hadden bij de Ikea-vestiging te Barendrecht met een persoon die later genaamd bleek [naam persoon 5] . Na afloop van deze ontmoeting reden de verdachte en [naam medeverdachte 1] weg in de auto van [naam medeverdachte 1] , een Audi A3 met kenteken [kentekennummer 1] . In deze auto was heimelijke opnameapparatuur aangebracht. De schriftelijke uitwerking van het na vertrek bij Ikea in deze auto gevoerde gesprek tussen [naam medeverdachte 1] en de verdachte bevindt zich onder de dossierstukken (blz. 2305 e.v.). Blijkens de kop is deze uitwerking van de hand van eerdergenoemde verbalisant [naam verbalisant] . Op grond hiervan acht de rechtbank de stemherkenning door dezelfde verbalisant van het eerder in dezelfde auto gevoerde gesprek betrouwbaar en kan van de resultaten daarvan voor het bewijs gebruik worden gemaakt.

Het verweer wordt verworpen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een samenwerkingsverband dat was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, alsmede op afpersing en/of openlijk geweld tegen personen, (gewoonte-)witwassen, omkoping van ambtenaren, schending van geheimen en niet-ambtelijke omkoping en dat hij een aandeel heeft gehad in gedragingen die verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk.

Conclusie

Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
5.2.
Bewijswaardering feit 3 (zaaksdossier Sint Janshaven )

Inleiding

In dit zaaksdossier wordt [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 3] en [naam verdachte] verweten dat zij tezamen met elkaar en/of anderen in de periode van 7 november tot en met 10 november 2017 ongeveer 171 kilo cocaïne binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van dit feit.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Op de afzonderlijke verweren wordt hieronder, voor zover nodig, ingegaan.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met de medeverdachten, dit feit heeft begaan en overweegt het volgende.
Niet ter discussie staat dat op 10 november 2017 te Vierpolders in een loods die gehuurd werd door een bedrijf dat (middellijk) op naam stond van [naam persoon 6] 171 kilo van een materiaal bevattende cocaïne is aangetroffen. Deze cocaïne was afkomstig van het terrein van ECT in de Rotterdamse haven en was kort ervoor naar Vierpolders vervoerd in een bedrijfsauto met opschrift ‘ [naam opschrift] ’ en kenteken [kentekennummer 2] . De chauffeur van deze auto, [naam persoon 7] , werkte als schilder op het terrein van ECT. Hij had de auto die ochtend van een collega geleend en was daarmee de containerstack ingereden, waar hij voor zijn werkzaamheden niets te zoeken had. Nu het als een feit van algemene bekendheid mag worden beschouwd dat in de Rotterdamse haven veelvuldig over zee grote partijen cocaïne worden ingevoerd, gaat de rechtbank ervan uit dat deze cocaïne op het ECT-terrein uit een daar geloste container is gehaald en dat [naam persoon 7] hiermee vervolgens naar Vierpolders is gereden.

Het verwijt dat de officier van justitie de verdachte maakt, komt erop neer dat hij en zijn medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] deze invoer vanuit een huis aan de [adres] te Rotterdam hebben gecoördineerd. De rechtbank stelt allereerst vast dat alle drie de verdachten ten minste gedurende de ochtend van 10 november 2017 en enige tijd daarvoor in dit huis hebben vertoefd. Dit volgt, behalve uit hun eigen verklaringen elk voor zich ter terechtzitting, uit de observatieverslagen in het dossier, gelezen in samenhang met de bakengegevens van de auto’s die bij [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] in gebruik waren en de zendmastgegevens van hun beider telefoons.

Wat betreft de aanwezigheid van [naam verdachte] in het huis aan de [adres] wijst de rechtbank nog op het volgende. Onder de eerdergenoemde [naam persoon 7] is op 10 november 2017 een mobiele telefoon in beslag genomen die op 7 november 2017 geactiveerd is. Het toestel, voorzien van nummer [gsm-nummer 1] , heeft op 10 november 2017 veelvuldig contact onderhouden met nummer [gsm-nummer 2] , dat in de contactenlijst van het eerstgenoemde toestel als ‘ [bijnaam verdachte] ’ vermeld staat. Uit het dossier en verdachtes verklaring ter terechtzitting volgt dat verdachte [naam verdachte] [bijnaam verdachte] wordt genoemd. Het toestel van deze [bijnaam verdachte] , dat eveneens op 7 november 2017 rond 18.00 uur geactiveerd wordt, straalt bij de contacten tussen 9 november 2017 om 6.00 uur en 10 november om 8.37 uur telkens een zendmast aan de [adres] aan. Buiten [naam verdachte] is van geen van de personen die zich in de ochtend van 10 november 2017 in de woning aan de [adres] bevonden vastgesteld dat deze [bijnaam verdachte] werd genoemd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [naam verdachte] de gebruiker was van het telefoonnummer [gsm-nummer 2] . Verdachte heeft ook niet verklaard dat er die dag een tweede [bijnaam verdachte] in de woning was.

Op de alternatieve verklaring van de verdachten dat zij in het huis aan de [adres] waren om te pokeren komt de rechtbank hieronder terug.

De rechtbank stelt vast dat [naam medeverdachte 3] degene was die per telefoon het contact onderhield met [naam persoon 6] , die zich ten tijde van de aflevering van de cocaïne in de loods te Vierpolders bevond. Daartoe is het volgende redengevend:

Uit de contacten tussen de beide hiervoor genoemde telefoonnummers volgt dat [naam medeverdachte 3] aan [naam persoon 6] gedetailleerde instructies gaf hoe hij diende te handelen met betrekking tot de aankomst van de cocaïne. Daarbij geeft [naam medeverdachte 3] onder andere de aankomsttijd en de gebruikte auto door en instrueert hij [naam persoon 6] over het openen van de deuren van de loods. De rechtbank verwijst nog naar het tapgesprek tussen [naam medeverdachte 3] en [naam persoon 6] van 10 november 2017 om 8.23 uur (blz. 331), waaruit volgt (‘ik heb jou die … auto geschreven’) dat het kort voordien verzonden sms-bericht van 8.22 uur (blz. 330) door [naam medeverdachte 3] is opgesteld en verzonden.Overigens is de vraag wie de berichten precies heeft verstuurd niet of nauwelijks relevant, nu de rechtbank nauwe en bewuste samenwerking en dus medeplegen tussen de verdachten wettig en overtuigend bewezen acht.
Wat betreft de rol van [naam verdachte] geldt het volgende. Hierboven is al vastgesteld dat [naam verdachte] zich op de ochtend van 10 november 2017 in de woning aan de [adres] bevond. Nu de rechtbank ervan uitgaat dat de telefoon met nummer [gsm-nummer 2] in gebruik was bij [naam verdachte] , concludeert zij uit de historische gegevens van dit toestel dat [naam verdachte] op de ochtend van 10 november 2017 het contact onderhield tussen (de verdachten in) de woning aan de [adres] en [naam persoon 7] , de chauffeur van de auto waarin de verdovende middelen naar Vierpolders werden vervoerd.Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat het toestel in gebruik bij [naam medeverdachte 3] op 10 november 2017 om 8.35 uur trachtte contact op te nemen met dat van [naam persoon 6] . Laatstgenoemd toestel reageerde niet – [naam persoon 6] was immers kort voordien aangehouden of stond op het punt te worden aangehouden – en in plaats daarvan trad de voicemail in werking. Bij het afluisteren van de voicemail door de politie werd duidelijk dat er op dat moment een achtergrondgesprek werd gevoerd waarbij de beluisterende verbalisant de stem van [naam verdachte] herkende, die vroeg: ‘Staan ze voor de deur? Deuren zijn dicht toch? Deuren zijn dicht toch?’ Nu het antwoord niet hoorbaar is, leidt de rechtbank hieruit af dat de spreker, [naam verdachte] , op dat moment een telefoongesprek voerde met een persoon die zich te Vierpolders bevond – niet zijnde [naam persoon 6] – en informeerde naar de toestand aldaar. De rechtbank interpreteert dit gesprek aldus dat [naam verdachte] bij zijn gesprekspartner informeert of voor de deur staat en of de deuren dicht zijn. Ook daaruit volgt zijn betrokkenheid bij de invoer van de partij cocaïne. De verdediging heeft aangevoerd dat de herkenning van de stem van [naam verdachte] als degene die het achtergrondgesprek heeft gevoerd onbetrouwbaar is. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het gesprek moet zijn gevoerd in de woning aan de [adres] . Derhalve komen uitsluitend de vijf, mogelijk zes personen die toen in de woning aanwezig waren in aanmerking, met uitzondering van [naam medeverdachte 3] , die op dat moment zelf over een andere lijn aan het bellen was. De stem van verdachte [naam verdachte] was de politie uit andere bronnen bekend (blz. 173 zaaksdossier). Gelet hierop, in combinatie met de omstandigheid dat hiervoor is vastgesteld dat [naam verdachte] eerder die ochtend in frequent contact stond met de chauffeur [naam persoon 7] en dat dit gesprek dus binnen zijn rol past, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de stemherkenning.
Zoals gezegd heeft ook [naam medeverdachte 1] tweemaal gebruik gemaakt van de genoemde, aan [naam medeverdachte 3] toegeschreven telefoon. Die gesprekken zijn gevoerd op 8 november 2017 om 13.50 en 14.49 uur (blz. 264-265) terwijl ‘hij’ – de rechtbank begrijpt: de vaste gebruiker van het toestel, [naam medeverdachte 3] – lag te slapen. De gesprekken gaan over de vereiste aanwezigheid van [naam persoon 6] – naar de rechtbank verstaat: op zijn bedrijf – op 9 november 2017 om 7 uur ’s morgens. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat de cocaïne in de ochtend van 9 november 2017 zou worden afgeleverd, maar dat die levering op het laatste moment één dag is uitgesteld. Uit deze gesprekken blijkt dat [naam medeverdachte 1] klaarblijkelijk in staat is om voor [naam medeverdachte 3] waar te nemen en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.

Wat betreft de rol van [naam medeverdachte 1] in dit zaaksdossier wijst de rechtbank nog op het tapgesprek op 10 november 2017 om 9.15 uur, dus kort na de ontdekking van de cocaïne en de aanhouding van [naam persoon 6] en [naam persoon 7] , tussen hem en zijn dochter [naam persoon 8] . In dat gesprek ( [nummer proces-verbaal 4] , blz. 386) laat hij haar weten dat het niet goed gaat, dat hij enige tijd niet te bereiken zal zijn en dat zij enkele papieren voor hem moet weghalen. De rechtbank concludeert dat de onderschepping van de cocaïne de aanleiding voor dit gesprek vormt en dat [naam medeverdachte 1] rekening hield met de mogelijkheid dat hij hiervoor zou worden aangehouden en dat zijn woning doorzocht zou worden.Uit onderzoek is verder gebleken dat de Renault Megane met kenteken [kentekennummer 3] , in gebruik bij [naam medeverdachte 3] , telkens in de omgeving van de [adres] geparkeerd stond wanneer de Mercedes met kenteken [kentekennummer 4] , in gebruik bij [naam medeverdachte 1] , daar ook was ( [nummer proces-verbaal 5] , blz. 226).
Verder wijst de rechtbank op het volgende. Vanaf 8.35 uur op 10 november 2017 slaagde het toestel dat in gebruik was bij [naam medeverdachte 3] er ondanks diverse pogingen niet meer in [naam persoon 6] te bereiken omdat deze niet meer opnam. Zoals hierboven al ter sprake kwam, moet hier een verband worden aangenomen met het binnentreden van de politie in de loods en de daarop gevolgde aanhouding van [naam persoon 6] . Uit observaties is gebleken dat kort nadien de verdachten één voor één het pand aan de [adres] verlaten en uit de omgeving vertrekken: [naam verdachte] om 8.39 u, [naam medeverdachte 1] om 8.43 uur en één minuut later ten slotte [naam medeverdachte 3] .

De verdachten hebben elk voor zich – [naam verdachte] pas in tweede instantie, ter terechtzitting – verklaard dat hun aanwezigheid in de woning niet van doen had met het cocaïnetransport, maar dat zij daar aan het pokeren waren. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.Het is goed mogelijk dat de verdachten aan de [adres] ook hebben gepokerd. De wachttijd was immers lang – meer dan een dag – en het ligt voor de hand dat de aanwezigen de tijd wilden doden. Dat hoeft er echter niet aan in de weg te staan dat de hoofdreden voor hun aanwezigheid het coördineren van het cocaïnetransport was. Dat er – uitsluitend – gepokerd werd, is niet aannemelijk, gelet op het volgende:
Tot slot overweegt de rechtbank nog het volgende. Zoals hiervoor met betrekking tot de feiten 1 en 2 is overwogen, namen [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 3] en [naam verdachte] deel aan een organisatie die tot doel had het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen. De bewezenverklaring van dat feit sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat ook het onderhavige feit door de drie verdachten in vereniging is begaan en dat zij in de [adres] aanwezig waren ten behoeve van de invoer van de aangetroffen 171 kilogram cocaïne.

Conclusie

Het onder 3 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

-

Het telefoonnummer [gsm-nummer 3] was in gebruik bij [naam persoon 6] (zie [nummer proces-verbaal 2] , blz. 474-476);

Dit telefoonnummer stond op 9 en 10 november 2017 in contact met een toestel met IMEI-nummer [imei-nummer] , waarin op genoemde data een simkaart zat met nummer [gsm-nummer 4] . Het genoemde IMEI-nummer is naar voren gekomen uit de inzet van een IMSI-catcher tegen [naam medeverdachte 3] op 12 oktober 2017 in combinatie met observaties (zie [nummer proces-verbaal 3] );

Voor zover met het toestel met het genoemde IMEI-nummer gesprekken zijn gevoerd, is daarbij doorgaans de stem van [naam medeverdachte 3] herkend; slechts tweemaal zou – zo is op basis van stemherkenning vastgesteld – [naam medeverdachte 1] deze telefoon hebben gebruikt;

Daarbij bevond deze telefoon zich blijkens de aangestraalde zendmast telkens in de nabije omgeving van de woning aan de [adres] te Rotterdam.

-

de ter plaatse gevoerde telefoongesprekken en verstuurde sms-berichten zijn daarmee niet in overeenstemming;

de verdachten sliepen ook ter plaatse, en wel overdag;

hun vrijwel gelijktijdige vertrek in de ochtend van 10 november 2017 lijkt samen te hangen met de aanhoudingen te Vierpolder kort daarvoor;

uit de uitlatingen van [naam medeverdachte 1] tegen zijn dochter kort na zijn vertrek van de [adres] kan worden afgeleid dat hij de vrees koesterde te zullen worden aangehouden;

de verdachte heeft wisselend verklaard over zijn reden van aanwezigheid: bij de politie heeft hij verklaard op de [adres] te komen chillen; eerst ter terechtzitting heeft hij te kennen gegeven er te komen om te pokeren.

5.3.
Bewijswaardering feit 4 (zaaksdossier Hobo)


Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde. De contante bedragen hebben deels een legale herkomst (te weten de opgenomen Wajong-uitkering van de verdachte en het opgenomen salaris van zijn voormalige partner), terwijl aannemelijk is dat zij voor een ander deel verband houden met de opbrengst van pokerspellen en/of loterijen. Er kan dus niet worden vastgesteld dat de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen onmiddellijk of middellijk van enig misdrijf afkomstig zijn.
Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het dossier geen aanknopingspunten bevat waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), handelingen heeft verricht die tot doel hadden of geschikt waren om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing van de ten laste gelegde geldbedragen te verbergen of te verhullen danwel om te verbergen of verhullen wie de rechthebbende van die geldbedragen is. De verdachte zal daarom van het onder a ten laste gelegde partieel worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder sub b ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

De verdachte heeft in de ten laste gelegde periode de beschikking gehad over diverse grote contante geldbedragen. Hij heeft in totaal € 1.300,- contant gestort op zijn eigen bankrekening. Daarnaast is er een totaalbedrag van € 37.970,35 contant gestort op de bankrekening van zijn voormalige partner, [naam voormalig partner verdachte] (hierna: [naam voormalig partner verdachte] ). De verdachte heeft verklaard dat [naam voormalig partner verdachte] dit geld van hem heeft gekregen. In de woning van [naam voormalig partner verdachte] zijn diverse bonnen aangetroffen waaruit volgt dat er door de verdachte en/of [naam voormalig partner verdachte] diverse contante betalingen zijn gedaan voor een totaalbedrag van € 38.240,66. De verdachte heeft verklaard dat deze contante betalingen met geld van de verdachte zijn voldaan. De verdachte heeft in totaal € 17.970,- omgewisseld naar Marokkaanse Dirham. Er is een totaalbedrag van € 4.500,- contant betaald voor de borg en lease van een MercedesBenz, welk geld afkomstig was van de verdachte. In de woning van [naam voormalig partner verdachte] zijn op diverse plaatsen contante geldbedragen aangetroffen; in totaal is € 15.378,66 in beslag genomen. Daaronder zaten ook 10 biljetten van € 500,-. De verdachte heeft verklaard dat al het aangetroffen geld van hem afkomstig is. In de auto van de verdachte is een contant geldbedrag aangetroffen van € 1.408,70. In de fouillering van de verdachte is een contant geldbedrag aangetroffen van € 2.600,-. De verdachte heeft verklaard dat beide bedragen van hem zijn.
De verdachte heeft in de tenlastegelegde periode dus een totaalbedrag van € 119.368,37 aan contante geldbedragen – al dan niet tezamen en in vereniging met [naam voormalig partner verdachte] – verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en hiervan gebruikt gemaakt. Beoordeeld dient te worden of de contante bedragen van misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Vermoeden van witwassen

De verdachte, die geen baan heeft en een Wajong-uitkering van het UWV ontvangt, heeft in de tenlastegelegde periode de beschikking gehad over een totaalbedrag van € 119.368,37 aan contant geld. Dit bedrag staat niet in verhouding tot de legale inkomsten van de verdachte. Een deel van het geld dat is aangetroffen bestond uit coupures van € 500,-. De verdachte is in het verleden veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en heeft zich in de tenlastegelegde periode schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van 171 kg cocaïne alsmede aan deelname aan een criminele organisatie die zich (onder meer) bezig hield met de invoer van cocaïne. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank zonder meer het vermoeden gerechtvaardigd dat het contante geld op de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit – waaronder ook de handel in verdovende middelen – gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld en dat coupures van € 500,- in het normale betalingsverkeer zeldzaam zijn en vooral worden gebruikt in het criminele circuit.
Nu er een vermoeden van witwassen is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Verklaring van de verdachte

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die de verdachte daarover heeft gegeven niet als zo'n verklaring kan worden aangemerkt.
De verdachte heeft tijdens zijn eerste verhoor bij de politie op 18 april 2018 desgevraagd verklaard dat hij naast zijn Wajong-uitkering verder geen inkomsten heeft. Later in dat verhoor heeft hij verklaard dat hij handelt in softdrugs en telefoons. Tijdens zijn verhoor op 13 juli 2018 heeft de verdachte verklaard dat hij meespeelde in de Staatsloterij en de Lotto en daarnaast pokerde. Hij heeft met de loterijen wel eens € 3.700,- gewonnen en won ook wel vaker. Alles onder de € 5.000,- kreeg de verdachte cash uitbetaald. Meestal won de verdachte een bedrag van € 700,- tot € 1.000,-. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn winsten bijhield op lijstjes. De verdachte pokerde twee keer per week, soms in cafés en soms in huizen; het lag eraan waar het georganiseerd werd. Hij gokte met een hele hoop mensen, een soort club. De verdachte behaalde winsten van € 1.000,- tot € 15.000,- per keer en won zeker wel vier keer per maand. De winst van de verdachte bedroeg € 2.000,- tot maximaal € 4.000,- per maand. De winst werd cash uitbetaald. Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dat hij de namen en contactgegevens van zijn pokermaatjes op dat moment niet bij zich had, maar dat hij die op een later moment kon aanleveren. De verdachte heeft verklaard dat hij tevens geld verdiende met de verkoop van telefoons. Soms verdiende hij hier € 200 per telefoon mee, en soms een maand helemaal niks. De verdachte bewaarde van alle telefoons die hij inkocht de bon en daar schreef hij zijn winst op. Deze bonnen zouden bij de verdachte thuis liggen. Ter terechtzitting heeft de verdachte in grote lijnen hetzelfde verklaard als bij de politie op 13 juli 2018. Hij heeft ook toen geen namen willen noemen van de personen met wie hij pokerde.
De rechtbank constateert dat de verdachte zelf niet heeft verklaard dat de contante bedragen op zijn tenlastelegging afkomstig zouden zijn uit zijn opgenomen Wajong-uitkering, dan wel uit het opgenomen salaris van [naam voormalig partner verdachte] (zoals aangevoerd door zijn advocaat). De rechtbank constateert verder dat de verdachte tijdens zijn eerste verhoor op 18 april 2018 niets heeft verklaard over inkomsten uit loterijen en poker, dat hij daarover pas heeft verklaard op 13 juli 2018 en dat hij bovendien in die verklaring geen concrete en min of meer verifieerbare gegevens heeft verstrekt op basis waarvan het Openbaar Ministerie nader onderzoek had kunnen doen naar zijn verklaring. Op zichzelf acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat verdachte regelmatig meespeelde met loterijen en pokerde en daarmee ook wel eens geldbedragen won. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat het uitzonderlijk is dat een persoon structureel nettowinsten behaalt met kansspelen (waaronder poker) en zeker niet de bedragen die bewezen zijn verklaard. De verdachte heeft niets aangevoerd op grond waarvan dit in zijn geval uitzondering zou lijden.
Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte niet kan worden aangemerkt als een concrete en verifieerbare verklaring voor het op legale wijze beschikken over een dergelijk groot bedrag in de tenlastegelegde periode.

Daar komt nog bij dat de verdachte op onderdelen hoogst onwaarschijnlijk (al dan niet leugenachtig) heeft verklaard. Zo heeft hij – zowel bij de politie als ter terechtzitting – verklaard dat loterijwinsten onder de € 5.000,- cash aan hem werden uitbetaald en dat hij ooit een prijs van € 3.700,- heeft gewonnen. Nadat de officier van justitie hem op zitting had geconfronteerd met het gegeven dat prijzen boven de € 600,- bij de Staatsloterij en € 449,- bij de Lotto enkel giraal worden uitbetaald, heeft de verdachte vervolgens verklaard dat hij misschien over verschillende loten heeft beschikt die opgeteld bij elkaar hebben geresulteerd in een totale winst van € 3.700,- en dat hij, als hij de limiet van het cash uit te betalen prijzengeld had bereikt bij de ene Primera, naar een andere Primera ging om daar de rest uit te laten betalen. Dit komt de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk voor, omdat hij dan voor uitbetaling van een prijs van € 3.700,- bij ten minste zeven Primera-vestigingen moet zijn geweest.

Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het contante geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde (opzet)witwassen. Gelet op de duur en intensiteit hiervan is sprake van gewoontewitwassen. Omdat ten aanzien van een aantal contante bedragen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met [naam voormalig partner verdachte] (te weten ten aanzien van de contante stortingen op de bankrekeningen van [naam voormalig partner verdachte] , een deel van de contante uitgaven en een deel van het geld dat op 17 april 2018 is aangetroffen), is in die gevallen ook sprake van medeplegen.

Conclusie

De verweren worden verworpen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 4 impliciet primair ten laste gelegde gewoontewitwassen.
5.4.
Bewijswaardering feit 5 (zaaksdossier Cadere)

Het onder 5 ten laste gelegde feit zal zonder nadere bewijsoverweging bewezen worden verklaard.
5.5.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
(Zaak Spijker)

hij in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 te Spijkenisse (gemeenteNissewaard) en te Rotterdam en te Capelle aan den IJssel, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband metnatuurlijke personen, te weten verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid 10a eerste lidOpiumwet;
2.
(Zaak Spijker)

hij in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 te Spijkenisse (gemeenteNissewaard) en te Rotterdam en te Capelle aan den IJssel, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband metnatuurlijke personen, te weten verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] ,welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten misdrijven alsbedoeld in:
3.
(Zaak Sint Janshaven )

hij in de periode van 7 november 2017 tot en met 10 november 2017, te Vierpolders(gemeente Brielle) en te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebrachtenopzettelijk heeft vervoerd ongeveer 171 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4.
(Zaak Hobo)

hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 mei 2018 te Capelle aan den IJssel, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,immers heeft hij, verdachte en zijn mededader van diverse geldbedragen, te weten:
telkens deze geldbedragen verworven en voorhanden gehad en overgedragenen omgezet en van deze geldbedragen gebruik gemaakt, terwijl verdachte enzijn mededader wisten, dat voornoemde geldbedragen— onmiddellijk of middellijk —afkomstig waren uit enig misdrijf;
en

hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 mei 2018 te Capelle aan den IJssel, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,immers heeft hij, verdachte van diverse geldbedragen, te weten:
telkens deze geldbedragen verworven en voorhanden gehad en overgedragenen omgezet en van deze geldbedragen gebruik gemaakt, terwijl verdachte wist, dat voornoemde geldbedragen— onmiddellijk of middellijk —afkomstig waren uit enig misdrijf;
5.
(Zaak Cadere)

hij op 17 april 2018 te Capelle aan den IJssel, munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III in de zin van artikel 1 onder 4 van deWet wapens en munitie, te weten een hoeveelheid van in totaal 16 kogelpatronenvoorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

- artikel 317 en/of 141 van het Wetboek van Strafrecht en- artikel 420ter althans 420bis van het Wetboek van Strafrecht en- artikel 177 en 272 en 328ter Wetboek van Strafrecht;
- in totaal 37.970,35 euro (contante stortingen op de bankrekening van [naam voormalig partner verdachte] )en- in totaal 5.645,41 euro (contante uitgaven) en- 7348,75 euro (op 17 april 2018 aangetroffen)
- in totaal 1.300 euro (contante stortingen op de bankrekening van verdachte) en- in totaal 32.595,25 euro (contante uitgaven) en- in totaal 17.970 euro (valutawissels) en/of- in totaal 4.500 euro (contante betalingen voor de lease van een Mercedes Benz)en- 8.030 euro en 4.008,70 euro (op 17 april 2018 aangetroffen)
6

De bewezen feiten leveren op:
Feit 1 en 2

de eendaadse samenloop van

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet

en

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Feit 3

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

Feit 4

medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken

en

van het plegen van witwassen een gewoonte maken

Feit 5:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

8

8.1.
Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
8.2.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met de invoer van cocaïne via de Rotterdamse haven en daaraan gerelateerde misdrijven als afpersing, witwassen en omkoping. Binnen het onderhavige onderzoek is eenmaal een door de verdachte en zijn medeverdachten georganiseerde drugsinvoer onderschept. Het ging hierbij om 171 kilogram cocaïne.
Ten laste gelegd en bewezen is verklaard deelname aan de criminele organisatie gedurende een periode van ruim 22 maanden. De verdachte (evenals [naam medeverdachte 1] ) bekleedde een hoge positie binnen de organisatie. Hij was onder meer de (mede)investeerder in de drugs, hij coördineerde de logistiek en hij stuurde uitvoerders aan. Zoals blijkt uit de gang van zaken bij eerdergenoemd onderschept transport, bleef de verdachte hierbij op de achtergrond om uit het zicht van de politie te blijven.

De verdachte heeft tevens geld witgewassen dat hij met zijn criminele activiteiten heeft verdiend. Bewezen is een bedrag ter hoogte van ongeveer € 120.000,-. De rechtbank vindt het aannemelijk dat dit bedrag slechts een deel is van het geld dat de verdachte daadwerkelijk met zijn criminele activiteiten heeft verworven. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat met drugshandel zeer grote geldbedragen gemoeid zijn, terwijl de verdachte een hoge positie binnen de organisatie innam. Daarnaast wordt in de afgeluisterde gesprekken regelmatig gesproken over grote geldbedragen in relatie tot de verdachte en zijn criminele activiteiten.

Ten slotte heeft de verdachte in zijn woning 16 kogelpatronen voorhanden gehad.

Met zijn handelen heeft de verdachte een belangrijke bijdrage geleverd aan de (instandhouding van) de handel in cocaïne, een verslavende en voor de gezondheid schadelijke stof. Drugshandel vormt een ernstig maatschappelijk probleem. Zoals ook in dit geval bevestigd wordt, gaat het vaak gepaard met geweld, corruptie, witwassen en wapenbezit. Hiermee wordt ernstige schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij, het gevoel van veiligheid en het vertrouwen van de samenleving in de integriteit van publieke instanties. De verdachte heeft met zijn gedrag kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich niets aangetrokken van deze maatschappelijke gevolgen.

8.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 november 2019, waaruit blijkt dat de verdachte weliswaar eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, maar zo lang geleden dat daarmee in deze zaak niet in strafverzwarende zin rekening mee zal worden gehouden.
8.4.
Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
De rechtbank betrekt bij de bepaling van de strafmaat in het bijzonder het aantal feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld, de organiserende en coördinerende rol die de verdachte heeft vervuld binnen de criminele organisatie waaraan hij heeft deelgenomen en de duur van de periode waarbinnen de verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd.

Aan het voorhanden hebben van de kogelpatronen zal, gelet op de geringe ernst van dit feit in verhouding tot de andere feiten, bij het bepalen van de strafmaat geen zelfstandige betekenis worden toegekend.

De rechtbank ziet, anders dan door de officier van justitie geëist, geen aanleiding om naast de gevangenisstraf, de hierna te bespreken verbeurdverklaringen en de nog te voeren ontnemingsprocedure, aan de verdachte tevens een geldboete op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaringen, passend en geboden.

9

9.1.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen telefoons, genummerd 22 tot en met 26 en 29 tot en met 33, verbeurd te verklaren. Zij heeft gevorderd de in beslag genomen (PGP-)telefoons, genummerd 27 en 28, te onttrekken aan het verkeer.
Daarnaast heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank geen beslissing hoeft te nemen over de in beslag genomen (in totaal) € 19.347,61 (nummers 1 tot en met 7 en 11), auto (nummer 10) en sieraden (nummers 12 tot en met 21), omdat op die voorwerpen conservatoir beslag rust.

9.2.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen voorwerpen.
9.3.
Beoordeling

De in beslag genomen telefoons, genummerd 22 tot en met 26 en 29 tot en met 33, zullen worden verbeurd verklaard. Zij behoren toe aan de verdachte. Zoals uit het dossier blijkt, heeft de verdachte bij het begaan van de strafbare feiten van veel verschillende mobiele telefoons gebruik gemaakt. Hij heeft de politie niet in de gelegenheid gesteld om deze telefoons te onderzoeken, zodat de rechtbank er daarom van uitgaat dat de onder 1 en 2 bewezen strafbare feiten met behulp van deze telefoons zijn begaan.
De in beslag genomen (PGP-)telefoons, genummerd 27 en 28, zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het is een feit van algemene bekendheid dat PGP-telefoons doorgaans worden gebruikt voor criminele doeleinden. Het ongecontroleerde bezit daarvan is daarom in strijd met het algemeen belang. De voorwerpen behoren toe aan de verdachte, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen en deze kunnen dienen tot de voorbereiding en de belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten.

Over de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen zal de rechtbank geen beslissing nemen omdat op die voorwerpen conservatoir beslag rust.

10

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 55, 57, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.