Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2020:1294

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 17-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2020:1294, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/960383-16


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960383-16Datum uitspraak: 17 februari 2020Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] (gemeente [gemeente] ), raadsman mr. J.G.D. Rutten, advocaat te Hilversum.

ECLI:NL:RBROT:2020:1294:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960383-16Datum uitspraak: 17 februari 2020Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] (gemeente [gemeente] ), raadsman mr. J.G.D. Rutten, advocaat te Hilversum.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 14, 15, 16 en 17 januari 2020 en 3 februari 2020.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officieren van justitie mrs. E. van Doorn en G. Sannes (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:
-

bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

4

4.1.
Standpunt verdediging

De officier van justitie is niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 4. Op grond van artikel 272, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), kan dit feit niet worden vervolgd, nu er door of namens de personen wiens gegevens de verdachte zou hebben verstrekt geen aangifte met verzoek tot vervolging in de zin van artikel 164 Sv is ingediend.
4.2.
Beoordeling

Op grond van artikel 272 lid 2 Sr wordt overtreding van artikel 272 Sr, indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon is gepleegd, slechts vervolgd op diens klacht. Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak evenwel geen sprake van een misdrijf dat tegen een bepaald persoon is gepleegd. Op de verdachte rustte op grond van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een geheimhoudingsplicht. Met de handhaving van artikel 67 AWR door middel van vervolging op grond van artikel 272 Sr is het openbaar belang gemoeid dat een ieder kan rekenen op vertrouwelijke behandeling van zijn bij de Belastingdienst bijeengebrachte gegevens. Een vervolging wegens schending van die geheimhoudingsplicht kan daarom niet afhankelijk worden gemaakt van de vraag of degene wiens gegevens het betreft zich zozeer benadeeld acht dat hij een vervolging wenst (zie ook de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad van 11 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2343). Het verweer wordt verworpen.
4.3.
Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk.
5

5.1.
Bewijswaardering feiten 1 en 2

a. Samenwerkingsverband [naam medeverdachte 1] / [naam medeverdachte 2] / [naam medeverdachte 3]

Uit uitlatingen van de verdachten zoals die blijken uit heimelijk opgenomen gesprekken was er al gedurende een aantal jaren – in elk geval langer dan de tenlastegelegde periode – sprake van samenwerking tussen [naam medeverdachte 1] en anderen gericht op het in Nederland invoeren van verdovende middelen.
b. Rol [naam verdachte]

Uit de bewijsmiddelen volgt daarnaast van diverse contacten tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] . Onder [naam verdachte] is een PGP-telefoon in beslag genomen waarin gesprekken zijn aangetroffen tussen hem en een persoon die hij aanduidt als ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 1] ’ en ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 1] ’. Zoals hierboven is overwogen zijn beide bijnamen van [naam medeverdachte 1] , waarbij deze laatste ook [naam verdachte] als ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 1] ’ aanspreekt (blz. 1987). De contacten hebben onder meer betrekking op de kwestie tussen [naam medeverdachte 1] en [persoon 3] , zoals die blijkt uit zaaksdossier [bijnaam persoon 1] , en dateren uit het voorjaar van 2016.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet is het volgende aangevoerd. De vervolging van de verdachte voor dit feit is uitsluitend gebaseerd op de inhoud van de in de woning van de verdachte aangetroffen PGP-telefoon. De reële mogelijkheid bestaat echter dat niet de verdachte, maar zijn broer van deze telefoon gebruik heeft gemaakt. Daarnaast is het goed mogelijk dat de berichten die in deze telefoon zijn aangetroffen niet op de handel in verdovende middelen, maar op de handel van de verdachte in olie, goud en edelstenen zien. Verder blijkt op geen enkele wijze dat de bewuste chatberichten zijn verstuurd naar één van de medeverdachten met wie de verdachte een criminele organisatie zou hebben gevormd. Bovendien is het enkel sturen van chatberichten onvoldoende om de vereiste structuur, duur en intentie voor deelname aan de organisatie te bewijzen. Ten slotte is er met de onderzoeksresultaten van de PGP-telefoon slechts één bewijsgrond waarop een bewezenverklaring kan steunen, waarmee niet aan de bewijsminimumregels is voldaan. Ten aanzien van de organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is het volgende aangevoerd. Nergens kan uit worden afgeleid dat er een samenwerkingsverband heeft bestaan tussen de verdachte en de medeverdachten die tot doel had het plegen van geweldsmisdrijven en/of omkoping van ambtenaren of andere personen. Ook biedt het dossier geen, althans onvoldoende, bewijs voor het feit dat de verdachte een aandeel heeft gehad in dan wel ondersteuning heeft gegeven aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het plegen van witwasmisdrijven als zijnde het oogmerk van de organisatie.
Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en 11b Opiumwet slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon - om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt - moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. De verdachte hoeft evenmin bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Wijze van ten laste leggen

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ervoor gekozen heeft om de beide organisaties – zowel die welke zich bezighield met delicten als bedoeld in de Opiumwet als de organisatie die commune delicten tot oogmerk had – afzonderlijk en onder twee feiten ten laste te leggen. Dat staat er niet aan in de weg dat de rechtbank de beide verwijten als één feit beschouwt in die zin dat het om één en dezelfde organisatie gaat die beide soorten misdrijven tot oogmerk had. Deze opvatting van de tenlastelegging is niet in strijd met haar bewoordingen en is in overeenstemming met de uitleg zoals de officier van justitie die ter terechtzitting heeft gegeven. Een en ander betekent wel dat er tussen de beide feiten – voor zover bewezen – sprake is van eendaadse samenloop.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Bijnamen

De (mede)verdachten worden in het dossier (mede) met de volgende bijnamen aangeduid: [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ): [bijnaam 1 medeverdachte 1] , [bijnaam 2 medeverdachte 1] en (in het contact met [naam verdachte] ) [bijnaam 3 medeverdachte 1] ; [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ): [bijnaam medeverdachte 2] ; [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3] ): [bijnaam 1 medeverdachte 3] , [bijnaam 2 medeverdachte 3] ; [naam verdachte] (hierna: [naam verdachte] ): [bijnaam verdachte] en (in het contact met [naam medeverdachte 1] ) [bijnaam 3 medeverdachte 1] .
A. Samenwerkingsverband

Voor het bewijs dat er sprake is geweest van strafbare overtreding van artikel 140 Sr en/of 11b Opiumwet is allereerst vereist dat vast komt te staan dat er een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen heeft bestaan dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Bij dat samenwerkingsverband dient sprake te zijn van een zekere duurzaamheid en structuur.
Op basis van die gesprekken kan allereerst worden vastgesteld dat de verdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] al geruime tijd samenwerkten. De rechtbank verwijst hiervoor naar een gesprek tussen hen beiden, gevoerd op 16 mei 2017 (blz. 156), waarin [naam medeverdachte 2] tegen zijn gesprekspartner zegt dat er ‘weinig mensen [zijn] die het zo lang vol hebben gehouden als wij […]. Heel weinig. Elke groep werkt een of twee keer, klaar.’ Daaruit valt al af te leiden dat [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zichzelf beschouwen als behorende tot een en dat die groep toen al bestond. Ook in een gesprek dat [naam medeverdachte 1] met ene [persoon 1] heeft gevoerd op 16 februari 2018 komt het al lang bestaande samenwerkingsverband tussen hem en [naam medeverdachte 2] (‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’) aan de orde. In dat gesprek haalt [naam medeverdachte 1] herinneringen op aan zijn begintijd met ‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’. Na te hebben opgemerkt dat hij ‘dit werk al heel lang’ doet (blz. 515) zegt hij onder andere het volgende: ‘Het was [de rechtbank begrijpt: in het begin] niet veel hoor. Toen deden [bijnaam medeverdachte 2] en ik tassenwerk, weet je wel?’ Uit dit gesprek volgt tevens dat het ‘werk’ bestaat uit het van schepen afhalen van verdovende middelen. Nu het een feit van algemene bekendheid is dat het bij via de Rotterdamse (en Antwerpse) haven ingevoerde drugs hoofdzakelijk om cocaïne gaat, staat daarmee vast dat de ‘groep’ waartoe [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zich rekenden tot oogmerk had het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.

Ook [naam medeverdachte 3] maakte deel uit van het samenwerkingsverband. Dit volgt, behalve uit diverse observaties en opnames van gesprekken gemaakt in de auto van [naam medeverdachte 3] (relaas blz. 22), met name uit een opmerking van [naam medeverdachte 1] bij een ontmoeting in het Carlton Oasis Hotel te Spijkenisse op 30 maart 2017, die als volgt luidt: ‘die streep (de rechtbank begrijpt, overeenkomstig de uitleg van de verdachte zelf, douaneambtenaar) in Rotterdam, die is van mij, [bijnaam medeverdachte 2] en nog een vriend van mij. We werken met z’n drieën samen. Eh, [persoon 2] , […] die [bijnaam 1 medeverdachte 3] . We zijn met z’n drieën hier, dus van ons is die streep’ (blz. 1107). Elders spreekt [naam medeverdachte 3] zelf tegen [naam medeverdachte 2] , die vraagt naar ‘jouw man’, over ‘mijn douane’ (blz. 812).

[naam verdachte] was gedurende de onderzoeksperiode werkzaam bij de Belastingdienst in Den Haag. Wanneer [naam medeverdachte 1] het in de opgenomen gesprekken heeft over ‘zijn maat bij de belasting’ (blz. 226) en bevestigt dat hij ‘iemand bij de belastingdienst’ heeft (blz. 201), gaat het daarbij naar het oordeel van de rechtbank over [naam verdachte] . [naam medeverdachte 1] refereert ook in een gesprek met [naam medeverdachte 2] aan ‘de belastingman’, terwijl [naam medeverdachte 2] kennelijk weet wie [naam medeverdachte 1] daarmee bedoelt (blz. 497).

Op grond van de voorgaande opmerkingen en het gegeven dat [naam verdachte] werd aangestuurd door [naam medeverdachte 1] , is de rechtbank van oordeel dat ook [naam verdachte] onderdeel uitmaakte van de criminele organisatie. De contacten tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] zien vooral op het faciliteren van (rand)zaken rondom de invoer van verdovende middelen. Dit volgt onder andere uit zaaksdossier Panama, waaruit volgt dat [naam verdachte] de gegevens van [persoon 4] heeft achterhaald voor [naam medeverdachte 1] op het moment dat [persoon 4] zijn voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne had gestaakt en, ondanks afspraak, niet voor [naam medeverdachte 1] naar Panama was gereisd.

B. Duurzaamheid

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de organisatie gedurende langere tijd heeft bestaan – in elk geval langer dan de tenlastegelegde pleegperiode – en dat er sprake was van een intensief activiteitenniveau. Zo bevat het dossier (relaas blz. 47-51) een opsomming van meer dan honderd ontmoetingen in de periode van 28 oktober 2016 tot en met 30 maart 2018 die [naam medeverdachte 1] en andere deelnemers met elkaar of anderen hebben op straat en in openbare gelegenheden. Van de in dit onderzoek niet-vervolgde personen bij deze ontmoetingen heeft een groot aantal antecedenten op het gebied van de Opiumwet. Daarnaast voerden – blijkens daarvan opgemaakte processen-verbaal – [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] regelmatig overleg met elkaar in (door hen gehuurde) auto’s (relaas blz. 15-30). De daarbij opgenomen gesprekken beslaan de periode van 1 december 2016 tot en met 17 april 2018. Daarbij wordt frequent gesproken over zaken die samenhangen met de door de leden van de organisatie begane of voorbereide misdrijven.
C. Structuur

De rechtbank is tevens van oordeel dat binnen de organisatie sprake was van een zekere . Zij verwijst hiervoor met name naar hetgeen hieronder overwogen zal worden betreffende de resultaten van het onderzoek in zaaksdossier Sint Janshaven, zoals weergegeven op blz. 35-37 van het relaas. Daarin is sprake van de invoer in Nederland van een partij van 171 kilo cocaïne via de haven; duidelijk wordt dat [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] gezamenlijk vanuit een pand in Rotterdam de actie hebben gecoördineerd. Daarbij onderhield [naam medeverdachte 2] de contacten met de chauffeur en [naam medeverdachte 3] die met de eigenaar van de loods waarin de cocaïne diende te worden overgeslagen. Uit de bewijsmiddelen wordt verder duidelijk dat [naam medeverdachte 1] in staat was grote bedragen te investeren in de aankoop van partijen verdovende middelen en ook de overige kosten die gemaakt dienen te worden uit eigen middelen kon bestrijden (blz. 1105).
Er lijkt sprake te zijn geweest van een zekere hiërarchie binnen de organisatie. Dat volgt al uit de omstandigheid dat degenen die hand- en spandiensten verrichten (bijvoorbeeld de douaniers en ‘uithalers’) door het hier genoemde drietal werden aangestuurd. Binnen dit drietal is onderling overigens ook weer sprake van hiërarchie, nu [naam medeverdachte 2] zichzelf en [naam medeverdachte 1] ten opzichte van [naam medeverdachte 3] diens (‘zijn’) ‘opdrachtgevers’ noemt (blz. 687) en hem naar eigen zeggen het consigne zou hebben gegeven dat hij ‘niet voor ons (de rechtbank begrijpt: [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] ) [moest] gaan beslissen’ maar veeleer ‘precies [moest] doen wat wij zeggen’ (blz. 712).

[naam verdachte] was als medewerker van de Belastingdienst (blz. 14 relaas) in staat om verschillende systemen van de Belastingdienst te raadplegen en leverde de daarin opgeslagen gegevens aan [naam medeverdachte 1] (blz. 16 en 33 relaas). Verder is gebleken dat [naam verdachte] geld heeft bewaard voor [naam medeverdachte 1] (blz. 16 relaas). Ten slotte leidt de rechtbank uit een opgenomen gesprek tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] af dat bij ‘de belastingman’ [de rechtbank begrijpt: [naam verdachte] ] ook stukken werden bewaard met betrekking tot de openstaande vorderingen van de organisatie (blz. 86 relaas).

D. Oogmerk van de organisatie

Uit het voorgaande volgt dat de organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven als strafbaar gesteld bij de Opiumwet, in het bijzonder het binnen Nederland brengen van verdovende middelen als bedoeld in lijst I behorende bij die wet (harddrugs), het vervoeren daarvan, en de voorbereiding van deze misdrijven. Van dergelijke handelingen met betrekking tot stoffen als bedoeld in lijst II bij de wet (softdrugs) is niet gebleken, zodat de rechtbank de verdachten daarvan zal vrijspreken.
De organisatie had eveneens het oogmerk op andere, niet bij de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven. Hierboven werd al een bewijsmiddel aangehaald waaruit volgt dat de organisatie de beschikking had over een ‘streep’, dat wil zeggen een douaneambtenaar. Eveneens hierboven was al sprake van ‘strepen’ die ‘van’ de leden van de organisatie zijn. Het gaat hier, zo begrijpt de rechtbank, om het omkopen van douaneambtenaren die werkzaam waren in de Rotterdamse haven, teneinde de invoer van verdovende middelen te bevorderen. Daarmee had de organisatie dus tevens het oogmerk op overtreding van artikel 177 Sr. Duidelijk is tevens dat ook anderen – havenmedewerkers – door de organisatie betaald werden. Zo spreekt [naam medeverdachte 1] over een ‘compleet verhaal’, bestaande uit twee miljoen voor de strepen en een half miljoen voor het bedrijf, de logistiek en ‘de jongens die de spullen uitladen, de stashes’ (blz. 1105). Daaruit volgt dat de organisatie ook het oogmerk had op overtreding van artikel 328ter Sr.

Het is een feit van algemene bekendheid dat met handel in verdovende middelen grote winsten worden gemaakt. Hierboven kwam al ter sprake dat aanzienlijke geldbedragen werden uitgegeven aan de omkoping van douaneambtenaren en havenmedewerkers; naar mag worden aangenomen gaat het daarbij om de herinvestering van met eerdere transporten verdiend en dus van misdrijf afkomstig geld. Daarnaast is in het dossier gerelateerd dat enkele leden van de organisatie de beschikking hadden over – gelet op hun reguliere inkomsten onverklaarbare – grote geldbedragen (relaas blz. 84-88). Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de organisatie tevens het oogmerk had op witwassen. Gelet op de grootte van de daarmee gemoeide bedragen en de lange tijdspanne waarin de geldbedragen werden gegenereerd en omgezet kan daarbij van gewoontewitwassen worden gesproken.

Voor de door [naam verdachte] aan [naam medeverdachte 1] geleverde informatie uit de systemen van de Belastingdienst geldt dat eerstgenoemde daarmee zijn geheimhoudingsplicht als ambtenaar schond. Aldus staat vast dat de organisatie tevens de overtreding van artikel 272 Sr tot oogmerk had.Ten slotte volgt uit zaaksdossier [bijnaam persoon 1] , waarvan een samenvatting in zaaksdossier Spijker is opgenomen (relaas blz. 33-35), dat [naam medeverdachte 1] – mede op grond van door [naam verdachte] aan hem geleverde informatie uit de systemen van de Belastingdienst – getracht heeft een schuld aan hem van [persoon 3] te innen. Daarbij is deze [persoon 3] in opdracht van [naam medeverdachte 1] en door tussenkomst van [naam verdachte] bedreigd en fysiek belaagd.
E. Deelneming

Voor [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] volgt uit hun hiervoor opgenomen uitlatingen in opgenomen gesprekken zonder meer van hun bewustheid van het doel van de organisatie en de door hen daaraan geleverde bijdrage. Voor [naam verdachte] geldt dat hij aan [naam medeverdachte 1] over verscheidene personen en bedrijven gegevens uit de belastingsystemen heeft verschaft, terwijl hij er blijkens de bewijsmiddelen mee bekend was dat die personen daarmee onder druk konden worden gezet en hij ook zelf opdracht gaf tot dit onder druk zetten (blz. 58).
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een samenwerkingsverband dat was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, alsmede op afpersing en/of openlijk geweld tegen personen, (gewoonte-)witwassen, omkoping van ambtenaren, schending van geheimen en niet-ambtelijke omkoping en dat hij daarnaast ook gedragingen heeft ondersteund die verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk.

Conclusie

Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
5.2.
Bewijswaardering feit 3 (zaaksdossier Vlieg )

5.2.1.
Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3. Er is geen bewijs dat de verdachte bij de opdracht heeft gegeven geweld tegen [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ) te gebruiken. De gedragingen van de uitgelokte personen, te weten het toepassen van geweld, zijn verder gegaan dan waarop het opzet van de verdachte, zoals dat uit het dossier naar voren komt, was gericht. Uit het dossier volgt niet meer dan dat het de opdracht was om [persoon 3] te vinden en hem bij de verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ) te brengen om één en ander uit te praten. De verdachte moet in ieder geval partieel worden vrijgesproken van de feitelijke handeling die is opgenomen achter het derde gedachtestreepje. Er is geen wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte gegevens heeft verstrekt over [persoon 3] en/of zijn bedrijf aan degenen die het geld moesten innen. Ook [persoon 5] heeft, buiten de verdachte om, over de gegevens van [persoon 3] kunnen beschikken en heeft deze aan derden kunnen verschaffen.
5.2.2.
Beoordeling

Op 8 december 2016 is [persoon 3] mishandeld door een groep mannen, onder wie [persoon 6] (hierna: [persoon 6] ), teneinde die [persoon 3] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag. De vraag dient beantwoord te worden of de verdachte deze poging tot afpersing (mede) heeft uitgelokt.
Van uitlokking is sprake als iemand een ander heeft aangezet tot het begaan van een strafbaar feit waarvoor de uitgelokte zelf kan worden gestraft. Voor een bewezenverklaring van uitlokking is (onder meer) dubbel opzet vereist; de uitlokker moet zowel opzet hebben gehad op de uitlokking, als op het delict waartoe de ander is aangezet.

Naar het oordeel van de rechtbank had [naam medeverdachte 1] zowel opzet op de uitlokking als op het geweld en de bedreiging met geweld waarmee geprobeerd is [persoon 3] te dwingen tot de afgifte van geld. Dat leidt de rechtbank af uit het volgende.
Het gaat niet om mij het gaat om [bijnaam 2 medeverdachte 1] en zijn geld hij heeft het aan jou af geven jij bent verandwoordelijk niet anderen (…) hij zegt dat het geld allemaal aan jou is afgeven wat jij met die anderen hebt ga je met hun moeten regelen ik zeg je wat [bijnaam 2 medeverdachte 1] tegen me zeg daarom zeg ik je zijn mensen gaan komen (…)
Uit opgenomen vertrouwelijke communicatie (hierna: het OVC-gesprek) van 11 december 2016 tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] volgt dat zij in nauwe en bewuste samenwerking de opdracht hebben gegeven om het geld van de verdachte bij [persoon 3] te innen met behulp van (bedreiging met) geweld. [naam verdachte] zegt in dat gesprek: “”, waarop [naam medeverdachte 1] vraagt: “[de rechtbank begrijpt: [persoon 3] ]” [naam verdachte] zegt dan: “” waarop [naam medeverdachte 1] bevestigend antwoordt: “”. Dat [naam medeverdachte 1] (mede) opdrachtgever was, volgt bovendien uit het OVC-gesprek van 19 februari 2017 tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] , waarin [naam verdachte] bespreekt dat “[de rechtbank begrijpt: [naam medeverdachte 1] ] ”.

Uit het OVC-gesprek van 11 december 2016 tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] volgt onmiskenbaar dat geweld niet geschuwd hoefde te worden bij het innen van het geld van [naam medeverdachte 1] . [naam medeverdachte 1] zegt in dat gesprek: “”, waarop [naam verdachte] antwoordt: “” Met name de opmerking dat “niemand die man (n)ooit meer te zien krijgt”, en de bevestiging van [naam verdachte] dat dát ook de opdracht is die hij heeft gegeven, geeft de rechtbank de overtuiging dat [persoon 6] en de groep mannen die [persoon 3] hebben mishandeld conform de opdracht van [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] hebben gehandeld en hiertoe ook zijn uitgelokt door hen.

Ten slotte is het zeer onaannemelijk dat [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] (onder meer) een baken onder de auto van [persoon 3] zouden (laten) plakken en een groep van acht man op [persoon 3] zouden afsturen, uitsluitend om met [persoon 3] om de tafel te kunnen gaan zitten. Dat laatste was overduidelijk een gepasseerd station. De schuld van [persoon 3] moest worden geïnd, goedschiks of kwaadschiks.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, dat het opzet van [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] was gericht op het gebruik van (bedreiging met) geweld door de personen die het geld moesten innen en dat zij zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan de uitlokking van de poging tot afpersing van [persoon 3] .De rechtbank acht tevens bewezen dat aan de personen die het geld moesten innen gegevens zijn verstrekt over [persoon 3] en/of zijn bedrijf. Dat leidt de rechtbank af uit het volgende.
In de woning van [naam verdachte] en in de locker op zijn werk zijn gegevens aangetroffen van [persoon 3] , zijn familie en aan hem gelieerde bedrijven. Er is in zijn locker onder meer een opgevouwen blaadje aangetroffen met daarop handgeschreven gegevens van [persoon 3] , zijn vriendin, kinderen, ouders en zus. De partner van [persoon 3] heeft verklaard over een soortgelijk briefje, dat door [persoon 6] tijdens een ontmoeting op 11 oktober 2016 met haar en [persoon 3] tevoorschijn werd gehaald. Daarop stonden de identiteitsgegevens van haar zus, kinderen en schoonouders. Gelet op de grote gelijkenissen tussen beide briefjes, het gegeven dat [naam verdachte] als medewerker van de Belastingdienst eenvoudig toegang had tot dergelijke persoonsgegevens en het gegeven dat [naam verdachte] - samen met [naam medeverdachte 1] - de opdracht aan [persoon 6] had gegeven om achter [persoon 3] aan te gaan, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat [persoon 6] dit briefje met gegevens van [naam verdachte] heeft ontvangen.

Daarnaast heeft [naam verdachte] op 22 november 2016 – twee weken vóór de mishandeling van [persoon 3] – een ontmoeting gehad met (onder meer) [persoon 6] en [persoon 5] (hierna: [persoon 5] ), waarbij [naam verdachte] een map met documenten, waaronder ook een afbeelding, aan [persoon 6] heeft overhandigd. In het telefoongesprek van 24 november 2016 vraagt [persoon 5] vervolgens aan [naam verdachte] : “[de rechtbank begrijpt: [persoon 6] ] ”. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat [naam verdachte] bij de ontmoeting op 22 november 2016 stukken met betrekking tot [persoon 3] , waaronder ook een foto van hem, aan [persoon 6] heeft overhandigd en dat [persoon 6] op een later moment door [persoon 5] heeft laten informeren of [naam verdachte] een lichtere, betere foto kon aanleveren zodat niet de verkeerde persoon zou worden aangepakt voor de schuld aan [naam medeverdachte 1] .

5.2.3.
Conclusie

De verweren worden verworpen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 primair ten laste gelegde.
5.3.
Bewijswaardering feit 4 (schending ambtsgeheim)

5.3.1.
Standpunt verdediging

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte met betrekking tot in de tenlastelegging genoemde personen zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van feit 4.
5.3.2.
Beoordeling

De verdachte, die werkzaam was als ambtenaar bij de Belastingdienst, wordt verweten dat hij zijn ambtsgeheim heeft geschonden, door vertrouwelijke informatie/gegevens met betrekking tot [persoon 3] , [persoon 7] (hierna: [persoon 7] ), [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ), [persoon 8] (hierna: [persoon 8] ), andere personen en aan deze personen gelieerde bedrijven aan derden te verstrekken.
Ten aanzien van het verwijt dat de verdachte vertrouwelijke informatie/gegevens met betrekking tot [persoon 8] aan derden zou hebben verstrekt, is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is, zodat de verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van [persoon 3] , [persoon 7] , [persoon 4] en één ander persoon is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte gegevens over deze personen en aan hen gelieerde bedrijven uit de systemen van de Belastingdienst aan derden heeft verstrekt. De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen alsmede hetgeen hiervoor onder 5.2.2 ten aanzien van [persoon 3] is overwogen tot een bewezenverklaring van de schending van het ambtsgeheim.

5.3.3.
Conclusie

De verweren worden verworpen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 4 ten laste gelegde.
5.4.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
(Zaak Spijker)

hij in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 te Spijkenisse (gemeenteNissewaard) en te Rotterdam en te Capelle aan den IJssel, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband metnatuurlijke personen, te weten verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid 10a eerste lidOpiumwet;
2.
(Zaak Spijker)

hij in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 te Spijkenisse (gemeenteNissewaard) en te Rotterdam en te Capelle aan den IJssel, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband metnatuurlijke personen, te weten verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] ,welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten misdrijven alsbedoeld in:
3.
(Zaak Vlieg )

Medeverdachte [naam medeverdachte 4] en andere personen op tijdstippen in de periode van 1 september 2016 tot en met 8 december 2016 teAmsterdam en te Weesp, meermalen, (telkens) ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging metelkaar, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen doorgeweld en bedreiging met geweld [naam slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van eengeldbedrag van 1,1 miljoen euro, dat aan [naam slachtoffer] toebehoorde, welk(e) geweld en bedreiging hebben bestaan uit:
welk strafbaar feit hij, verdachte en zijn mededader, in de periode van 30 mei2016 tot en met 8 december 2016 te ‘s Gravenhage althans in Nederland opzettelijk hebbenuitgelokt door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, immerhebben hij verdachte en zijn mededader
4.
(Zaken Vlieg en Panama)

hij op tijdstippen in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17april 2018 te Den Haag, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen(telkens) een geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uithoofd van zijn ambt, te weten belastingambtenaar bij deBelastingdienst verplicht was te bewaren,opzettelijk heeft geschonden door vertrouwelijke informatie/gegevens met betrekking tot [persoon 3] en [persoon 7] en [persoon 4] en een anderen aan voornoemde personen gelieerde bedrijven (uit de systemen van deBelastingdienst) aan derden te verstrekken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

- artikel 317 en/of 141 van het Wetboek van Strafrecht en- artikel 420ter althans 420bis van het Wetboek van Strafrecht en- artikel 177 en 272 en 328ter Wetboek van Strafrecht;
- het klemrijden van de auto van [naam slachtoffer] en- het schreeuwen naar [naam slachtoffer] ‘dat ze hem moesten hebben’ en ‘pak hem’en ‘neem hem mee’ en- het stompen en slaan/ trappen tegen het hoof en gezicht en lichaam van [naam slachtoffer] en- het dreigen met een mes ,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
- de opdracht gegeven om achter [naam slachtoffer] aan te gaan en- de opdracht gegeven om het geld te innen bij [naam slachtoffer] en- gegevens verstrekt over [naam slachtoffer] en zijn bedrijf aan degene die het geldmoest innen en- een (GPS-) baken onder het voertuig van die [naam slachtoffer] en/of de vriendin van die [naam slachtoffer] geplakt, dan wel laten plakken om die [naam slachtoffer] te traceren;
6

De bewezen feiten leveren op:
Feit 1 en 2

de eendaadse samenloop van

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet

en

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Feit 3

medeplegen van opzettelijke uitlokking van poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, door het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen

Feit 4

medeplegen van enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

8

8.1.
Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
8.2.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft, terwijl hij werkzaam was als ambtenaar bij de Belastingdienst, gedurende een periode van ruim anderhalf jaar deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met de invoer van cocaïne via de Rotterdamse haven en daaraan gerelateerde misdrijven als afpersing, witwassen en omkoping.
Binnen deze organisatie fungeerde de verdachte als leverancier van vertrouwelijke informatie, waarover hij uit hoofde van zijn functie als medewerker bij de Belastingdienst beschikte. Deze informatie bestond uit persoons- en bedrijfsgegevens, welke informatie door [naam medeverdachte 1] werd aangewend ten behoeve van de criminele organisatie.

De verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] hebben samen, onder meer met behulp van door de verdachte geleverde informatie, anderen de opdracht gegeven om bij een derde met geweld een schuld van 1,1 miljoen euro te innen, die deze derde bij de medeverdachte [naam medeverdachte 1] had openstaan. Die derde is vervolgens ook daadwerkelijk door een groep mannen in elkaar geslagen.

Uit het voorgaande volgt tevens dat de verdachte zich in zijn hoedanigheid van medewerker van de Belastingdienst schuldig heeft gemaakt aan herhaalde schending van zijn ambtsgeheim.

Met zijn handelen heeft de verdachte een belangrijke bijdrage geleverd aan de (instandhouding van) de handel in cocaïne, een verslavende en voor de gezondheid schadelijke stof. Drugshandel vormt een ernstig maatschappelijk probleem. Zoals ook in dit geval bevestigd wordt, gaat het vaak gepaard met geweld, corruptie, witwassen en wapenbezit. Hiermee wordt ernstige schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij, het gevoel van veiligheid en het vertrouwen van de samenleving in de integriteit van publieke instanties.

De rechtbank rekent het de verdachte hierbij in het bijzonder zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie als ambtenaar en het in hem gestelde vertrouwen heeft geschonden. Van een ambtenaar wordt volledige integriteit en onkreukbaarheid verwacht. De verdachte heeft daarentegen zijn ambtelijke positie ingezet om zware, georganiseerde criminaliteit te faciliteren. De verdachte heeft met zijn handelen dan ook een grote inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat de maatschappij in ambtenaren, in het bijzonder die van de Belastingdienst, mag hebben. Daarbij heeft verdachte met zijn handelwijze ernstige schade toegebracht aan het imago van de Belastingdienst.

8.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.
Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 november 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
8.3.2.
Overig

Op de zitting is namens de verdachte nog het volgende aangevoerd. De verdachte is geestelijk van slag, staat daarvoor onder behandeling van een psychiater en slikt een aanzienlijke hoeveelheid medicijnen. Zijn werkgever is voornemens hem te ontslaan. Hij is in de kranten landelijk zwartgemaakt door foutieve berichtgeving. Hij draagt zorg voor twee kinderen.
8.4.
Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer soortgelijke zaken worden opgelegd.
De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de al ondergane voorlopige hechtenis achterwege te laten. De ernst van de door de verdachte begane feiten, zoals die hiervoor tot uitdrukking is gebracht, laat hiertoe echter geen ruimte.

Verder ziet de rechtbank in de op de zitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, afgezet tegen de ernst van de door hem begane strafbare feiten, onvoldoende aanleiding om daaraan een strafverzachtende waarde toe te kennen. In dat oordeel betrekt de rechtbank ook dat verdachte zich bij alle verhoren op zijn zwijgrecht heeft beroepen en het daarmee voor de rechtbank onmogelijk heeft gemaakt om inzicht te verkrijgen in zijn drijfveren en de redenen waarom hij tot zijn handelen is gekomen.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaar, zoals door de officier van justitie geëist en de hieronder besproken verbeurdverklaring), passend en geboden.

9

9.1.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen detector en PGP-telefoon te onttrekken aan het verkeer en de andere telefoon verbeurd te verklaren.
9.2.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen voorwerpen.
9.3.
Beoordeling

De in beslag genomen detector zal worden onttrokken aan het verkeer. Het bezit van dit voorwerp is in strijd met het algemeen belang. Het voorwerp behoort toe aan de verdachte, is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten aangetroffen en dit kan dienen tot de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel de belemmering van de opsporing daarvan.
De in beslag genomen PGP-telefoon zal worden onttrokken aan het verkeer. Het is een feit van algemene bekendheid dat PGP-telefoons doorgaans worden gebruikt voor criminele doeleinden. Het ongecontroleerde bezit daarvan is daarom in strijd met het algemeen belang. Het voorwerp behoort toe aan de verdachte, is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen en dit kan dienen tot de voorbereiding en de belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten.

De andere in beslag genomen telefoon zal worden verbeurd verklaard. Deze behoort toe aan de verdachte en de onder 1 en 2 bewezen feiten zijn met behulp van dit voorwerp begaan. Via deze telefoon heeft de verdachte immers contact onderhouden met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] .

10

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 55, 57, 140, 272 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11b van de Opiumwet.

11

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

12

De rechtbank:
- verklaart onttrokken aan het verkeer: (5) detector en (7) PGP-telefoon.
- artikel 317 en/of 141 van het Wetboek van Strafrecht en/of- artikel 420ter althans 420bis van het Wetboek van Strafrecht en/of- artikel 177 en/of 272 en/of 328ter Wetboek van Strafrecht,althans enige misdrijven;
- het klemrijden van de auto van [naam slachtoffer] en/of- het schreeuwen naar [naam slachtoffer] ‘dat ze hem moesten hebben’ en/of ‘pak hem’en/of ‘neem hem mee’ en/of- een poging om [naam slachtoffer] te gijzelen en/of- het stompen en/of slaan/ trappen tegen het hoof en/of gezicht en/of lichaam van [naam slachtoffer] en/of- het dreigen met een mes (op korte afstand), althans met een scherp voorwerp,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
- de opdracht gegeven om achter [naam slachtoffer] aan te gaan en/of- de opdracht gegeven om het geld door een medeverdachte afgegeven te innen bij [naam slachtoffer] en/of- gegevens verstrekt over [naam slachtoffer] en/of zijn bedrijf aan degene die het geldmoesten innen en/of- een (GPS-) baken onder het voertuig van die [naam slachtoffer] en/of de vriendin van die [naam slachtoffer] geplakt, danwel laten plakken om die [naam slachtoffer] te traceren
- de opdracht gegeven om achter [naam slachtoffer] aan te gaan en/of- de opdracht gegeven om het geld door een medeverdachte afgegeven te innen bij [naam slachtoffer] en/of- gegevens verstrekt over [naam slachtoffer] en/of zijn bedrijf aan degene die het geldmoesten innen en/of- een (GPS-) baken onder het voertuig van die [naam slachtoffer] en/of de vriendin van die [naam slachtoffer] geplakt, danwel laten plakken om die [naam slachtoffer] te traceren;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een ;beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (als bijlage III aan dit vonnis gehecht), als volgt:- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor voor de feiten 1 en 2: (6) telefoon;

Dit vonnis is gewezen door:mr. E. Rabbie, voorzitter,en mrs. F.A. Hut en L. Amperse, rechters,in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.Bijlage I
Tekst nader omschreven tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.
(Zaak Spijker)

hij in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 te Spijkenisse (gemeenteNissewaard) en/of te Rotterdam en/of te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband metnatuurlijke personen, te weten (onder andere) verdachte en/of de medeverdachte(n) [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 5] en/of een of meerandere personen,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld inartikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
2.
(Zaak Spijker)

hij in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 te Spijkenisse (gemeenteNissewaard) en/of te Rotterdam en/of te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband metnatuurlijke personen, te weten (onder meer) verdachte en/of de medeverdachte(n) [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] en/of een of meer andere personen,welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten misdrijven alsbedoeld in:
3.
(Zaak Vlieg )

Medeverdachte [naam medeverdachte 4] en/of één of meer andere personen op een of meertijdstippen in de periode van 1 september 2016 tot en met 8 december 2016 teAmsterdam en/of te Weesp, althans in Nederland,meermalen, althans eenmaal,(telkens) ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging metelkaar, althans alleen,met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen doorgeweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van eengeldbedrag van 1,1 miljoen euro, althans enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan de [naam slachtoffer] toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [naam medeverdachte 4] en/of zijn mededader(s), welk(e) geweld en/of bedreiging heeft bestaan uit:
welk strafbaar feit hij, verdachte en/of zijn mededader(s), in de periode van 30 mei2016 tot en met 8 december 2016 te Amsterdam en/of te ‘s Gravenhage en/of teSpijkenisse (gemeente Nissewaard), althans in Nederland, opzettelijk heeft/hebbenuitgelokt door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, immerheeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s)
Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of eenveroordeling mocht of zou kunnen leiden:
Medeverdachte [naam medeverdachte 4] en/of één of meer andere personen op of omstreeks 8december 2016 te Amsterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,op of aan de openbare weg (Millingenhof), in elk geval op of aan de openbare weg en/ofop een voor het publiek toegankelijke plaats,geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [naam slachtoffer]welk geweld bestond uit het stompen en/of slaan en/of trappen tegen het hoofd en/ofgezicht en/of lichaam van die [naam slachtoffer] ,welk strafbaar feit hij, verdachte en/of zijn mededader(s), in de periode van 30 mei2016 tot en met 8 december 2016 te Amsterdam en/of te Weesp en/of te ‘s Gravenhageen/of te Spijkenisse (gemeente Nisserwaard), althans in Nederland, opzettelijkheeft/hebben uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/ofinlichtingen, immer heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s)
4.
(Zaken Vlieg en Panama)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 mei 2016 tot en met 17april 2018 te Den Haag, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,(telkens) een geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uithoofd van zijn ambt, beroep of wettelijk voorschrift, te weten belastingambtenaar bij deBelastingdienst verplicht was te bewaren,opzettelijk heeft geschonden door vertrouwelijke informatie/gegevens met betrekking tot [naam slachtoffer] en/of [persoon 7] en/of [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of anderenen/of aan voornoemde personen gelieerde bedrijven (uit de systemen van deBelastingdienst) aan derden te verstrekken.
_437f8f38-2e8d-4d1b-80fc-1b92d765765d
1

Zaaksdossier Spijker, blz. 21.