Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2020:1287

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 17-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2020:1287, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/960121-17


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960121-17Datum uitspraak: 17 februari 2020Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Suriname) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam.

ECLI:NL:RBROT:2020:1287:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960121-17Datum uitspraak: 17 februari 2020Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Suriname) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 14, 15, 16 en 20 januari en 3 februari 2020.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officieren van justitie mrs. E. van Doorn en G. Sannes (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:
-

bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van voorarrest.

4

4.1.
Vrijspraak feit 1 (deelneming aan een criminele organisatie)

4.1.1.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van de onder 1 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie die zich bezig hield met de invoer van en handel in cocaïne en voorbereidingshandelingen daartoe. De verdachte heeft meerdere ontmoetingen gehad met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] , tijdens welke ontmoetingen drugsgerelateerde activiteiten werden besproken. De verdachte regelde uithalers, had contacten met medewerkers in de Rotterdamse haven en regelde importbedrijven voor het criminele samenwerkingsverband.
4.1.2.
Beoordeling

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het hem onder 1 tenlastegelegde. Zij overweegt daartoe als volgt.
De tenlastelegging is blijkens haar bewoordingen en de toelichting daarop door de officier van justitie bij het requisitoir toegesneden op het verwijt dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie waar het driemanschap [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] de kern van uitmaakte. Uit het dossier wordt duidelijk dat verdachte op incidentele basis samenwerkte met deze organisatie, maar dat hij daarvan geen deel uitmaakte. Integendeel, uit de bewijsmiddelen volgt veeleer dat hij zelf een organisatie om zich heen verzameld had en dat ‘zijn organisatie’ enige tijd – maar niet structureel – voor de organisatie van [naam medeverdachte 1] c.s. werkzaamheden verrichtte.

De rechtbank heeft nog overwogen de bewezenverklaring aldus in te kleden dat verdachte zou hebben deelgenomen aan een organisatie bestaand uit hemzelf en enkele andere personen, zodat aldus de namen van [naam medeverdachte 1] c.s. zouden worden ‘uitgestreept’. Zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank er evenwel - met de officier van justitie (en de verdediging) - vanuit dat de tenlastelegging ziet op de organisatie van [naam medeverdachte 1] c.s. Een dergelijke uitleg van de tenlastelegging zou daarom, hoewel in beginsel niet onverenigbaar met haar bewoordingen, toch op een denaturering en het resultaat in de vorm van een bewezenverklaring op een ‘verrassingsbeslissing’ neerkomen, zodat vrijspraak dient te volgen.

4.1.3.
Conclusie

De verdachte wordt vrijgesproken van het aan hem onder 1 ten laste gelegde feit.
4.2.
Bewijswaardering feit 2

4.2.1.
Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem onder 2 ten laste gelegde medeplegen van de invoer van 40 kilogram cocaïne. In de eerste plaats is er onvoldoende bewijs dat er daadwerkelijk 40 kilogram cocaïne is ingevoerd. Het enkele feit dat, na een inbraak, geconstateerd wordt dat enkele bananendozen lichter zijn – in totaal zou 40 kilogram bananen ontbreken – is hiertoe onvoldoende. Daarnaast heeft de verdachte geen, althans onvoldoende, betrokkenheid gehad bij deze vermeende uithaal. Hij wilde hier niet aan meewerken en heeft slechts wat algemene informatie gegeven aan derden. Voor zover de door hem gegeven informatie überhaupt al gebruikt is, levert dit geenszins een bijdrage op van zodanig gewicht dat van medeplegen kan worden gesproken.
4.2.2.
Beoordeling

Uit de aangifte van het havenbedrijf [naam havenbedrijf] en de camerabeelden van de beveiliging volgt dat er in de nacht van 20 op 21 augustus 2017 een inbraak is gepleegd in loods 7 van het bedrijf. In die loods stond onder andere een lading bananen opgeslagen, die op 19 augustus 2017 was gelost vanaf het schip “ [naam schip] ” en afkomstig was uit Ecuador. Bij de inbraak zijn bananendozen verplaatst. Vier bananendozen bleken na de inbraak een lichter gewicht te hebben dan zou moeten; in totaal ontbrak 40 kilogram.
Het is een feit van algemene bekendheid dat via containers cocaïne de Rotterdamse haven wordt ingesmokkeld, dat deze cocaïne vaak afkomstig is uit Zuid-Amerika en dat onder andere bananen daarbij worden gebruikt als deklading. Mede gelet op de inhoud van bepaalde gesprekken die de verdachte over deze inbraak heeft gevoerd, zoals hierna besproken zal worden, concludeert de rechtbank dat deze inbraak gericht was op de uithaal van cocaïne. Uit het feit dat er in de ‘lichtere’ bananendozen nog steeds bananen zaten, leidt de rechtbank af dat de bananen de deklading vormden en dat (slechts) de cocaïne uit die dozen is gehaald. Dit betekent dat de ontbrekende 40 kilogram enkel verklaard wordt door de weggenomen cocaïne.

De rechtbank concludeert daarom dat op 21 augustus 2017 een geslaagde uithaal van 40 kilogram cocaïne heeft plaatsgevonden.

De volgende vraag is dan of de verdachte een bijdrage van zodanig gewicht heeft geleverd aan deze uithaal dat bewezen kan worden dat hij medepleger is geweest van de invoer van die 40 kilogram cocaïne. De rechtbank vindt van wel en overweegt daartoe als volgt.

Uit tapgesprekken uit de periode van 18 tot en met 22 augustus 2017 blijkt onder meer het volgende. Een groep mannen heeft ‘een klus aangenomen’ bij ‘ [afkorting havenbedrijf] ’ (de rechtbank begrijpt: de uithaal van de onderhavige cocaïne bij het bedrijf [naam havenbedrijf] ). Deze groep heeft vervolgens door tussenkomst van [naam tussenpersoon] de verdachte benaderd om hen daarbij te helpen. Kennelijk beschikte de verdachte over specifieke informatie die deze mannen nodig hadden om de uithaal van de cocaïne mogelijk te maken. Zo wilde de groep van de verdachte weten waar ‘het’ (de rechtbank begrijpt: de lading bananen met daarin de cocaïne) naartoe gaat, ‘in welke rij, welke hal’. De verdachte heeft vervolgens verteld dat ze ‘naar 7’ (de rechtbank begrijpt: loods nummer 7) moesten gaan, en dat ze ‘het merk van de doos moesten hebben’. Want, zo zei de verdachte later, de pallets met bananen staan ‘merk bij merk’. Uit de gesprekken volgt dat [naam tussenpersoon] deze informatie vervolgens heeft doorgegeven aan de groep. Zo zei [naam tussenpersoon] op 19 augustus 2017 tegen de verdachte: ‘.’ Uit het vele bellen leidt de rechtbank af dat de groep naarstig op zoek was naar en veel belang hechtte aan de informatie die de verdachte hen - via [naam tussenpersoon] - kon verschaffen.

Uit de camerabeelden volgt dat de inbraak in de loods van [naam havenbedrijf] en het weghalen van de cocaïne uit de bananendozen binnen een tijdsbestek van nog geen twintig minuten heeft plaatsgevonden. De rechtbank leidt hieruit af dat de inbrekers/uithalers over zeer gedetailleerde informatie beschikten met betrekking tot de exacte locatie van de bananendozen met daarin de cocaïne. De informatie die de verdachte heeft verstrekt moet hieraan ten grondslag hebben gelegen. Dit maakt dat de door de verdachte verstrekte informatie van wezenlijk, zo niet cruciaal, belang is geweest voor de uithaal van de cocaïne.

In de ochtend na de inbraak is de verdachte vervolgens op de hoogte gesteld van het feit dat de uithaal geslaagd was en van de wijze waarop de uithalers te werk zijn gegaan. Een deel van een gesprek dat de verdachte (J) dan voert met [naam tussenpersoon] (R) luidt als volgt:

J: Ik hoop dat die mannen netjes het geld komen betalen, misschien morgen, overmorgen. Want ja, die mannen moeten eerst verkopen natuurlijk.

R: Hmm hmm

J: Jij moet ook je geld krijgen toch [naam] ?

Uit dit gesprek leidt de rechtbank af dat de verdachte een betaling in het vooruitzicht is gesteld voor zijn aandeel.

Op 21 augustus 2017 heeft [naam tussenpersoon] tegen de verdachte gezegd dat er een man is die ‘waarschijnlijk alles wil afnemen’, en dat dat mag voor ‘twee zes’; de verdachte heeft hierop gereageerd met: ‘is goed’. De rechtbank interpreteert dit gesprek in die zin dat het gaat om de verkoop van de uitgehaalde partij cocaïne voor (een gangbare verkoopprijs van) € 26.000,- per kilo. Kennelijk is de verdachte dus ook bij dit proces betrokken, of in elk geval daarvan op de hoogte gesteld.

Uit het feit dat de verdachte belangrijke informatie heeft verschaft ten behoeve van de uithaal van de cocaïne, het feit dat hem daarvoor een betaling in het vooruitzicht is gesteld en het feit dat hij enige betrokkenheid had bij het verkoopproces, concludeert de rechtbank dat de verdachte in zodanige mate bij de invoer van de cocaïne betrokken is geweest dat hij daarvoor als medepleger kan worden veroordeeld.

4.2.3.
Conclusie

Het onder 2 aan de verdachte ten laste gelegde medeplegen van de invoer van 40 kilogram cocaïne is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Vrijspraak feit 3

4.3.1.
Standpunt officier van justitie

Het onder 3 aan de verdachte ten laste gelegde medeplegen van de invoer van 17 kilogram cocaïne kan wettig en overtuigend worden bewezen. Uit tapgesprekken enkele weken voorafgaand aan de invoer volgt dat de verdachte ‘werk’ en geld voor het verrichten van dat werk heeft aangenomen. Vervolgens had hij contact met [naam medewerker havenbedrijf] , een medewerker van [naam havenbedrijf] (via welk bedrijf ook deze invoer is verlopen). Met behulp van [naam medewerker havenbedrijf] regelde de verdachte een pakbon en een sleutel van een loods van [naam havenbedrijf] . [naam medewerker havenbedrijf] is voor zijn aandeel bij de invoer van de 17 kilogram cocaïne veroordeeld.
4.3.2.
Beoordeling

Op 24 september 2017 wordt opnieuw ingebroken bij [naam havenbedrijf] . Ter plaatse in loods 7 treft de douane diverse kapotte bananendozen aan én een aantal dozen waarin in totaal nog 17 kilogram cocaïne blijkt te zitten.
De rechtbank constateert dat de verdachte gedurende een langere periode contact onderhield met [naam medewerker havenbedrijf] over de invoer van verdovende middelen via het bedrijf [naam havenbedrijf] . Ook in de weken voorafgaand aan de invoer van de onderhavige partij cocaïne vonden deze contacten plaats en heeft [naam medewerker havenbedrijf] , zo stelt de rechtbank vast, een pakbon en een sleutel van een loods van [naam havenbedrijf] aan de verdachte verstrekt. Dit laatste leidt de rechtbank af uit de tapgesprekken rondom de dag dat de verdachte samen met [naam medewerker havenbedrijf] naar een sleutelmaker is geweest.

Op basis van het dossier kan echter onvoldoende verband worden vastgesteld tussen enerzijds het verstrekken van een pakbon en een sleutel door [naam medewerker havenbedrijf] aan de verdachte en de door de officier van justitie aangehaalde tapgesprekken, en anderzijds de concrete invoer/uithaal van de cocaïne op 24 september 2017.

Uit de tapgesprekken kan worden afgeleid dat de verdachte ‘dit werk’ juist niet had aangenomen en dat een andere groep verantwoordelijk was voor de uithaal op 24 september 2017. De rechtbank betrekt hierbij ook het tijdsverloop tussen de tapgesprekken en de uithaal, afgezet tegen de eerdernoemde omstandigheid dat de verdachte zich in deze periode min of meer structureel met aan drugsinvoer gerelateerde activiteiten bezighield en ook eerder in september 2017 sprake lijkt te zijn geweest van een (poging tot) uithaal van cocaïne. Dat de door de officier van justitie aangehaalde tapgesprekken over de uithaal op 24 september 2017 gingen, is dus geenszins een gegeven.

De rechtbank is daarom van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor betrokkenheid van de verdachte – in de zin van medeplegen – bij de (poging tot) uithaal van cocaïne op 24 september 2017 en de invoer daarvan.

4.3.3.
Conclusie

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 aan hem ten laste gelegde medeplegen van de invoer van 35, althans 17 kilogram cocaïne.
4.4.
Bewijswaardering feit 4

4.4.1.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft geen vrijspraak van feit 4 bepleit, maar wel een aantal kanttekeningen geplaatst bij de door de officier van justitie gepresenteerde bewijsconstructie. Onder meer is aangevoerd dat niet elk haven- of handelgerelateerd gesprek zomaar als verdacht kan worden aangemerkt, aangezien de verdachte ook ‘gewoon’ in de haven en in de fruithandel heeft gewerkt en veel mensen in het wereldje kende. Daarnaast is de periode waarbinnen de verdachte voorbereidingshandelingen zou hebben gepleegd volgens de verdediging veel korter geweest dan ten laste gelegd en is zijn rol slechts ondergeschikt geweest.
4.4.2.
Beoordeling

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor bij feit 2 is overwogen, acht de rechtbank de aan de verdachte ten laste gelegde voorbereidingshandelingen ten behoeve van de in- en vervoer van drugs wettig en overtuigend bewezen.
Daarbij is niet aannemelijk geworden dat de door de verdachte gevoerde gesprekken een andere strekking hebben gehad dan door de officier van justitie is betoogd. Gelet op de inhoud van alle gesprekken en de gedragingen van de verdachte, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank er van uit dat deze in het teken stonden van het plegen van Opiumwet-delicten. Gedurende de ten laste gelegde periode heeft de verdachte ook geen legale werkzaamheden in de haven verricht, althans is daarvan niet gebleken. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.

Verder staat vast dat de verdachte de betreffende voorbereidingshandelingen binnen de ten laste gelegde periode heeft begaan. Daarmee kan ook deze periode (in haar geheel) bewezen worden verklaard.

4.4.3.
Conclusie

Het onder 4 aan de verdachte ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.
4.5.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
2.
(Zaak Ecuador)

hij in de periode van 17 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017, teRotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk,binnen het grondgebied van Nederland heeft gebrachtongeveer 40 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4.
(Zaak Ecuador)

hij in de periode van 7 oktober 2016 tot en met16 april 2018 te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) en te Rotterdam en te Capelleaan den IJssel en te Bergen op Zoom en te Barendrecht, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, te weten hetopzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, eenmiddel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/ofdaartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en
mededaders wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat zijbestemd waren tot het plegen van die feiten,
immers hebben verdachte en/of zijn mededaders, tezamen en in vereniging met elkaar, telkens:
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

- zich en/of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tothet plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en- anderen getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn
- opdrachten en geld aangenomen voor het uithalen van cocaïne,- personen die cocaïne uit containers halen (“uithalers”) geregeld en aangestuurd,- contacten gelegd, ontmoetingen gehad en overleg gevoerd met betrekking tot hetuithalen van cocaïne,- gesprekken gevoerd over containers (uit Panama), bakken, uithalen, Bill ofLading/pakbonnen en personen die cocaïne uithalen,- gesprekken gevoerd over het verkopen van cocaïne,- contacten onderhouden via telefoons,- een sleutel geregeld van een loods bij [naam havenbedrijf] in de Rotterdamse haven,- contacten onderhouden met een of meer personen werkzaam in de Rotterdamsehaven en,- gezocht naar een fruit- en/of houtbedrijf.
5

De bewezen feiten leveren op:
Feit 2

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

Feit 4

medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en uit te lokken en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich binnen een periode van ongeveer anderhalf jaar bezig gehouden met voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne via de Rotterdamse haven. Hij heeft (onder meer) aan deze drugsinvoer gerelateerde ontmoetingen gehad en contacten onderhouden met anderen, onder wie medewerkers binnen de Rotterdamse haven. Ook heeft hij opdrachten en geld aangenomen voor het uithalen van cocaïne.
Uit het dossier is concreet naar voren gekomen dat de verdachte binnen genoemde periode eenmaal samen met anderen via de Rotterdamse haven 40 kilogram cocaïne in Nederland heeft ingevoerd. Hij heeft hierbij, met gebruikmaking van zijn kennis van en contacten binnen de haven, ten behoeve van die invoer cruciale informatie aan anderen verschaft.

Met zijn handelen heeft de verdachte een belangrijke bijdrage geleverd aan de (instandhouding van) de handel in cocaïne, een verslavende en voor de gezondheid schadelijke stof. Drugshandel vormt een ernstig maatschappelijk probleem en gaat vaak gepaard met geweld, corruptie, witwassen en wapenbezit. Hiermee wordt ernstige schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij, het gevoel van veiligheid en het vertrouwen van de samenleving in de integriteit van publieke instanties. De verdachte heeft met zijn gedrag kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich niets aangetrokken van deze maatschappelijke gevolgen.

7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.
Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 november 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Overig

Op de zitting is door en namens de verdachte nog het volgende aangevoerd. Zijn kinderen zijn het allerbelangrijkste in zijn leven. Indien hij weer gedetineerd raakt, zal dit betekenen dat zijn fulltime werkende partner er alleen voor komt te staan. De verdachte is tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis gestart met een opleiding tot rijinstructeur en heeft daarnaast een parttimebaan in een restaurant. Toen hij in 2016 zonder werk kwam te zitten en privéproblemen kreeg, is hij op een zijspoor beland. Van de verkeerde mensen met wie hij toen in aanraking is gekomen, heeft hij afstand genomen.
7.4.
Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer soortgelijke zaken worden opgelegd.
De op te leggen straf verschilt in hoogte wezenlijk van de eis van de officier van justitie. Dit verschil wordt grotendeels verklaard doordat de verdachte, anders dan door de officier van justitie gevorderd, wordt vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie en de invoer van 17 kilogram cocaïne.

De rechtbank ziet in de ter zitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, afgezet tegen de ernst van de door hem begane strafbare feiten, onvoldoende aanleiding om daaraan een strafverlagende betekenis toe te kennen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaringen, passend en geboden.

8

8.1.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen iPhone, Toshiba laptop en Motorola telefoon verbeurd te verklaren. Zij heeft daarnaast gevorderd de in beslag genomen Aquaris (PGP-)telefoon te onttrekken aan het verkeer.
8.2.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om de teruggave aan de verdachte van de iPhone en Toshiba laptop. Het betreffen respectievelijk zijn privételefoon en -laptop waarin belangrijke contactgegevens en foto’s staan. Er zijn geen belastende gegevens op de telefoon en laptop gevonden.
8.3.
Beoordeling

De in beslag genomen iPhone zal worden verbeurd verklaard. Zoals uit het dossier blijkt, heeft de verdachte bij het begaan van de strafbare feiten van verschillende mobiele telefoons gebruik gemaakt. Hij heeft de politie niet in de gelegenheid gesteld om deze telefoon te onderzoeken, zodat de rechtbank er daarom van uitgaat dat de bewezen strafbare feiten met behulp van deze telefoon is begaan.
De in beslag genomen Aquaris PGP-telefoon zal worden onttrokken aan het verkeer. Het is een feit van algemene bekendheid dat PGP-telefoons doorgaans worden gebruikt voor criminele doeleinden. Het ongecontroleerde bezit daarvan is daarom in strijd met het algemeen belang. Het voorwerp behoort toe aan de verdachte, is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen en het kan dienen tot de voorbereiding en de belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten.

De in beslag genomen Motorola telefoon zal worden verbeurd verklaard. Het voorwerp behoort toe aan de verdachte en het onder 4 bewezen strafbare feit is met behulp van dit voorwerp begaan. Op deze telefoon zijn namelijk meerdere berichten gewisseld met medewerkers van het bedrijf [naam havenbedrijf] aangetroffen.

Ten aanzien van de in beslag genomen Toshiba laptop zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte. Het is onvoldoende gebleken dat aan de vereisten voor verbeurdverklaring is voldaan.

9

De verdediging heeft verzocht om de verdachte in de gelegenheid te stellen een eventueel hoger beroep tegen deze uitspraak in vrijheid af te wachten. De rechtbank vat dit op als een verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank zal dit verzoek afwijzen en overweegt daartoe als volgt.

Gelet op onderhavig vonnis is sprake van ernstige bezwaren tegen verdachte dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. Verder is de rechtbank gezien de aard, de ernst en de periode van de bewezenverklaarde feiten van oordeel dat er er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en een misdrijf waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt dus afgewezen.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat, met het wijzen van dit veroordelend vonnis, de aangevoerde persoonlijke belangen van de verdachte niet (langer) opwegen tegen het strafvorderlijk belang bij het laten herleven van de voorlopige hechtenis. Ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen.

10

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

11

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

12

De rechtbank:
- verklaart onttrokken aan het verkeer: (2) Aquaris telefoon;- gelast de teruggave aan verdachte van: (3) Toshiba laptop;

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tothet plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere
- opdrachten en geld aangenomen voor het uithalen van cocaïne,- personen die cocaïne uit containers halen (“uithalers”) geregeld en aangestuurd,- contacten gelegd, ontmoetingen gehad en overleg gevoerd met betrekking tot hetuithalen van cocaïne,- gesprekken gevoerd over containers (uit Panama), bakken, uithalen, Bill ofLading/pakbonnen en personen die cocaïne uithalen,- gesprekken gevoerd over het verkopen van cocaïne,- contacten onderhouden via 1-op-1 telefoons,- een sleutel geregeld van een loods bij [naam havenbedrijf] in de Rotterdamse haven,- contacten onderhouden met een of meer personen werkzaam in de Rotterdamsehaven en/of,- gezocht naar een fruit- en of houtbedrijf.
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een ;beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (als bijlage III aan dit vonnis gehecht), als volgt:- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 4: (1) Apple iPhone en (4) Motorola telefoon;

wijst af het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:mr. E. Rabbie, voorzitter,en mrs. F.A. Hut en L. Amperse, rechters,in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I

Tekst nader omschreven tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.
(Zaak Spijker)

hij in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 te Spijkenisse (gemeenteNissewaard) en/of te Rotterdam en/of te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband metnatuurlijke personen, te weten (onder andere) verdachte en/of de medeverdachte(n) [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 4] en/of een of meerandere personen,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld inartikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11aOpiumwet;
2.
(Zaak Ecuador)

hij in of omstreeks de periode 17 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017, teRotterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk,binnen het grondgebied van Nederland heeft gebrachtongeveer 40 kilogram cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van diewet;
3.
(Zaak Ecuador)

hij in of omstreeks de periode 04 september 2017 tot en met 24 september 2017, teRotterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk,binnen het grondgebied van Nederland heeft gebrachtongeveer 35, althans 17 kilogram cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaalbevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij deOpiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3avan die wet;
4.
(Zaak Ecuador)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2016 tot en met16 april 2018 te Spijkenisse (gemeente Nissewaard) en/of te Rotterdam en/of te Capelleaan den IJssel en/of te Bergen op Zoom en/of te Barendrecht, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,om een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, te weten hetopzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of afleveren en/of verstrekkenen/of vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een)hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, eenmiddel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/ofdaartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijnmededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zijbestemd waren tot het plegen van dat die feit(en),
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging meteen ander of anderen, althans alleen (telkens):