Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2020:1168

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 11-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2020:1168, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/221780-19


Bron: Rechtspraak


Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/221780-19Datum uitspraak: 11 februari 2020Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte]ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Penitentiair Psychiatrisch Centrum,raadsvrouw mr. B.V. Rafaela, advocaat te Rotterdam.

ECLI:NL:RBROT:2020:1168:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/221780-19Datum uitspraak: 11 februari 2020Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte]ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Penitentiair Psychiatrisch Centrum,raadsvrouw mr. B.V. Rafaela, advocaat te Rotterdam.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 19 december 2019 en 28 januari 2020.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een opname in een zorginstelling (FPA) en een ambulante behandeling (indien nodig na de klinische opname), met bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

4

4.1.
Bewijswaardering

4.1.1.
Standpunt verdediging

De verdachte heeft verklaard dat hij per ongeluk de kookplaat aan had laten staan met een pan met hete olie erop. Verdachte is een rondje buiten gaan lopen. Toen hij thuis kwam, was er brand in zijn huis. Verdachte had daarmee niet de opzet om brand te stichten.
4.1.2.
Beoordeling

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij een pan met olie op de kookplaat had laten staan en was vergeten om deze uit te zetten toen hij naar buiten ging, onaannemelijk. Deze verklaring van de verdachte wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. Uit forensisch technisch onderzoek is gebleken dat de brand niet in de keuken is ontstaan. De pan met olie en de kookplaat, zijn niet door hitte of vuur aangetast. Wel zijn er elders in de woning zes afzonderlijke brandhaarden aangetroffen. Op vijf verschillende plaatsen is positief getest op de aanwezigheid van een brandversnellend middel. Uit het rapport van het NFI volgt dat het brandversnellend middel motorbenzine is geweest.
In de gang voor de woning van verdachte hangt een beveiligingscamera. Daarop is te zien dat verdachte om 16:35 uur zijn woning binnen gaat. Om 16:49 uur is in de woning door de ruit van de voordeur een oranje-achtige vuurgloed te zien, en even later komt de verdachte de woning uit. Hieruit volgt dat verdachte in de woning aanwezig is geweest ten tijde van het ontstaan van de brand. Gelet op de bewijsmiddelen, in hun onderlinge samenhang bezien, kan de conclusie niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die de brand in de woning heeft veroorzaakt en dat hij daarbij opzettelijk heeft gehandeld.

4.1.3.
Conclusie

Het ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat:
hij op 13 september 2019 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres delict] , door meermalen open vuur in aanraking te brengen met benzine, ten gevolge waarvan de vloer(bekleding) en/of goederen, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor omliggende flatwoningen en de goederen in die woningen en het portiek en goederen in dat portiek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor aanwezige personen in omliggende flatwoningen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor aanwezige personen in omliggende flatwoningen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5

Het bewezen feit levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6

6.1.
Rapporten deskundigen

Uit het door J. Hoerée, psychiater, over verdachte uitgebrachte rapport van 15 december 2019 komt onder meer het navolgende naar voren:De verdachte lijdt aan een depressie met katatone symptomen. Daarnaast is er sprake van een zwakbegaafd intellectueel functioneren. De katatonie verstoorde de willekeurige controle over zijn handelen en de depressie vertroebelde zijn denken. Omdat de verdachte ontkent, en het ten laste gelegde dus niet volledig met hem kan worden besproken, kan het verband met de stoornis niet goed worden onderzocht. Niettemin acht de rapporteur aannemelijk dat de bij verdachte vastgestelde stoornis een belangrijke invloed heeft gehad op zijn handelen. Er wordt geadviseerd het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.
Uit het door J.P.M. van der Leeuw, psycholoog, over verdachte uitgebrachte rapport van 12 december 2019 komt onder meer het navolgende naar voren:De verdachte is lijdende aan ziekelijke stoornissen en (mogelijk) een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er is sprake van katatonie bij een depressieve stoornis en mogelijk een licht verstandelijke beperking. De katatonie en de depressie leiden tot onverschilligheid en motorische inperking op het ene moment en tot agitatie en desinteresse voor het welzijn van zichzelf en de ander op het andere moment. Mogelijk mede gevoed door zelfverwaarlozing en door oordeels- en kritiekstoornissen heeft de verdachte het ten laste gelegde gepleegd (indien bewezen). Het is te adviseren om betrokkene het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen.
6.2.
Beoordeling

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapporten van de deskundigen en neemt het advies daaruit over om de bewezen brandstichting in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Hoewel de deskundigen op grond van verdachtes psychiatrische problematiek een verdergaande mate van vermindering van toerekeningsvatbaarheid niet uitsluiten, kan een dergelijke conclusie - zoals zij ter zitting van 28 januari 2020 hebben toegelicht - op basis van de beschikbare informatie evenmin concreet worden onderbouwd. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat het door de verdachte geschetste delictscenario - mogelijk passend bij de genoemde motorische beperkingen - nadrukkelijk afwijkt van de bewezen toedracht van het ten laste gelegde en dat op basis van het technisch onderzoek een zekere mate van controle en doelgerichtheid bij het handelen van verdachte moet worden aangenomen.
6.3.
Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft brand gesticht in zijn woning. In de woning zijn maar liefst zes brandhaarden aangetroffen. De verdachte heeft door zijn handelen een zeer gevaarlijke situatie doen ontstaan, die relatief goed is afgelopen, doordat vanwege alert optreden van omwonenden slechts materiële schade is ontstaan. Daarentegen was de gevaarzetting groot. De woning van verdachte is een woning die deel uitmaakt van een galerijflat met 42 woningen. Op het tijdstip van de brand, aan het einde van de middag, konden veel omwonenden in hun woning aanwezig zijn.Dergelijke feiten behoren tot de categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en die hevige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken. De ervaring leert dat mensen die dergelijke branden van dichtbij hebben meegemaakt, hiervan nog lange tijd de nadelige en traumatische gevolgen kunnen ondervinden. Brandstichting in een woning is een zwaar misdrijf en rechtvaardigt dan ook in beginsel een bestraffing met een vrijheidsstraf van langere duur.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.
Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 november 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

Psychiater J. Hoerée acht behandeling van de vastgestelde stoornis binnen een gespecialiseerde psychiatrische zorginstelling zoals een PPC of een psychiatrisch ziekenhuis vanuit medisch oogpunt noodzakelijk. Verdachte kan als gevolg van zijn stoornis onvoldoende gaan eten, drinken en bewegen. Bij het ontbreken van adequate zorg dreigt aldus levensgevaar. Opname na detentie in een forensisch psychiatrische afdeling (FPA) van een psychiatrisch ziekenhuis is daarom de beste optie. Op zo’n afdeling kan een adequaat nazorg traject worden opgestart. De verdachte heeft onvoldoende ziekte-inzicht om op vrijwillige basis voldoende zorg te aanvaarden. Behandeling kan dan ook het beste plaatsvinden binnen een min of meer verplicht wettelijk kader. Opname in een forensisch psychiatrische afdeling (FPA) van een psychiatrisch ziekenhuis kan worden gesteld als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.
Psycholoog J.P.M. van der Leeuw heeft eveneens geadviseerd om de verdachte binnen het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf te laten behandelen op een forensisch psychiatrische afdeling.

Op de terechtzitting hebben de deskundigen verklaard dat katatonie bij een depressieve stoornis een verschijnsel is met een nogal wisselend karakter. Er zijn geen betrouwbare cijfers voorhanden over de prognose bij katatonie en evenmin kunnen concrete uitspraken worden gedaan over verdachtes zorgbehoefte op langere termijn. Het recidivegevaar is op basis van de bij verdachte vastgestelde psychiatrische problematiek moeilijk in te schatten. Daarbij zijn geen gevalideerde risicotaxatie instrumenten beschikbaar voor het onderhavige type delict. Genoemde persoonsfactoren (katatonie, depressieve symptomatologie en verstandelijke beperking) zijn echter als essentiële delictfactoren nog steeds aanwezig en kunnen aldus een opmaat vormen naar herhaling van een soortgelijk feit als ten laste gelegd. De verdachte heeft meer zorg nodig dan bij een ambulante behandeling geboden kan worden. Een opname binnen een FPA is noodzakelijk, omdat daar meer toezicht is, en de verdachte dan niet zomaar weg kan. Een advies op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht tot plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis is sinds 1 januari 2020 wettelijk niet langer mogelijk. Nu nog niet eerder een behandeling in een gedwongen kader heeft plaatsgevonden, verdient het, gelet op het subsidiairiteitsbeginsel, de voorkeur dat verdachte een behandeling ondergaat binnen het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke strafdeel, aldus de deskundigen.
Reclassering Nederland heeft op 10 december 2019 een rapport over de verdachte opgemaakt. Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een opname in een zorginstelling (FPA) en een ambulante behandeling (indien nodig na de klinische opname).

7.4.
Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank acht, in afwijking van de uitgebrachte adviezen en van de vordering van de officier van justitie, de oplegging aan verdachte van de maatregel tot terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk. Gelet op de aard en ernst van de bewezen feiten en in aanmerking genomen de toelichting door de deskundigen op hun beoordeling van het gevaar voor herhaling, acht de rechtbank het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf niet toereikend om het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau te beperken. In dat verband wordt overwogen dat op basis van de verklaringen van verdachte bij het Pro Justitia-onderzoek geen volledige delictanalyse mogelijk is gebleken en dat slechts beperkt zicht is verkregen op verdachtes drijfveren en emoties in de aanloop naar de bewezen brandstichting. De rechtbank acht, mede gelet op het ontbreken van ziektebesef en -inzicht bij de verdachte, onvoldoende waarborgen aanwezig binnen het geadviseerde kader om verdachte adequaat te behandelen en daarbij de veiligheid van zichzelf en van anderen voldoende te garanderen.

Vastgesteld wordt dat het bewezen verklaarde feit, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met voorwaarden zal worden opgelegd, een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, Sr.De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met voorwaarden. De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

8

Gelet is op de artikelen 37a, 38, 38a, 55 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

10

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ;

stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:

de ter beschikking gestelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;de ter beschikking gestelde laat zich, op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling, opnemen in een Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) of een soortgelijke zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De plaatsing is afhankelijk van de in- en uitstroom van patiënten binnen de kliniek. De opname duurt zo lang als de reclassering en/of de kliniek dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;indien dit nodig wordt geacht door de FPA en/of de reclassering laat de ter beschikking gestelde zich behandelen door de forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start nadat de opname in de zorginstelling is voltooid. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;de ter beschikking gestelde moet zich melden bij Reclassering Nederland op de locatie waar de ter beschikking gestelde op dat moment in behandeling / woonachtig is. Hierna moet hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze perioden nodig acht;
geeft aan Reclassering Nederland opdracht de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt de onmiddellijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Dit vonnis is gewezen door:mr. J. van Dort, voorzitter,en mrs. J.M.L. van Mulbregt en J.J. Kuipers, rechters,in tegenwoordigheid van mr. M. van der Hoeff, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 13 september 2019 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres delict] , door meermalen, althans eenmaal, open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans (een) brandversnellend middel(en),althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan de vloer(bekleding) en/of (een) plint(en) en/of (een) goed(eren), geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor omliggende (flat)woningen en/of de goederen in die woningen en/of het portiek en/of goederen in dat portiek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor aanwezige personen in omliggende (flat)woningen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor aanwezige personen in omliggende (flat)woningen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )