Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2020:1164

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2020:1164, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/10/591216 / KG ZA 20-132


Bron: Rechtspraak

center
100
9ae00080-5437-4d76-b0e2-6cac5fc1aefd
2
13
image/png

center
100
c0dcf1d7-0eeb-42bf-aa2c-e880969ee364
2
523
image/png


RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/591216 / KG ZA 20-132

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak in kort geding op grond van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, gewezen op 12 februari 2020

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht
ORIENT OVERSEAS CONTAINER LINE LTD

gevestigd te Hong Kong, China,eiseres,advocaat mr. W.E. Boonk,
tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht
[naam gedaagde]

gevestigd te [plaatsnaam] , Verenigde Staten van Amerika,gedaagde,advocaat mr. J.H. van Seters.
Partijen zullen hierna OOCL en [naam gedaagde] genoemd worden.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.

Tegenwoordig zijn mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, voorzieningenrechter, en mr. W. van Moergastel, griffier.

Na uitroeping van de zaak verschijnen

De zitting heeft geduurd van 9:00 uur tot circa 11:00 uur ’s ochtends. De voorzieningenrechter heeft partijen vervolgens voorgehouden dat de zitting diezelfde dag heropend zou worden om (circa) 18:30 uur teneinde mondeling vonnis te wijzen. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter dit vonnis mondeling gewezen, waarbij de voorzieningenrechter zich er van heeft vergewist dat geen van partijen aanwezig was om het mondelinge vonnis aan te komen horen (het was ter zitting al besproken met partijen dat zij niet gehouden waren om alleen voor het aanhoren van het mondelinge vonnis terug te keren naar de rechtbank).

-

namens OOCL: mr. W.E. Boonk.

namens [naam gedaagde] : mr. J.H. van Seters en [naam] (statutair directeur van en aandeelhouder in [naam gedaagde] ).

ECLI:NL:RBROT:2020:1164:DOC
nl

center
100
9ae00080-5437-4d76-b0e2-6cac5fc1aefd
2
13
image/png

center
100
c0dcf1d7-0eeb-42bf-aa2c-e880969ee364
2
523
image/png


RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/591216 / KG ZA 20-132

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak in kort geding op grond van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, gewezen op 12 februari 2020

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht
ORIENT OVERSEAS CONTAINER LINE LTD

gevestigd te Hong Kong, China,eiseres,advocaat mr. W.E. Boonk,
tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht
[naam gedaagde]

gevestigd te [plaatsnaam] , Verenigde Staten van Amerika,gedaagde,advocaat mr. J.H. van Seters.
Partijen zullen hierna OOCL en [naam gedaagde] genoemd worden.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.

Tegenwoordig zijn mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, voorzieningenrechter, en mr. W. van Moergastel, griffier.

Na uitroeping van de zaak verschijnen

De zitting heeft geduurd van 9:00 uur tot circa 11:00 uur ’s ochtends. De voorzieningenrechter heeft partijen vervolgens voorgehouden dat de zitting diezelfde dag heropend zou worden om (circa) 18:30 uur teneinde mondeling vonnis te wijzen. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter dit vonnis mondeling gewezen, waarbij de voorzieningenrechter zich er van heeft vergewist dat geen van partijen aanwezig was om het mondelinge vonnis aan te komen horen (het was ter zitting al besproken met partijen dat zij niet gehouden waren om alleen voor het aanhoren van het mondelinge vonnis terug te keren naar de rechtbank).

-

namens OOCL: mr. W.E. Boonk.

namens [naam gedaagde] : mr. J.H. van Seters en [naam] (statutair directeur van en aandeelhouder in [naam gedaagde] ).

beslissing

1

1.1.
Partijen zijn gevestigd in China en in de Verenigde Staten. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe reeds omdat het executie in Nederland betreft en niet (en dus ook niet tijdig) het verweer is gevoerd dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft (artikel 11 Rv.).
1.2.
De voorzieningenrechter staat de akte eiswijziging van OOCL toe. Tegen deze eiswijziging is niet geprotesteerd en ook ambtshalve acht de voorzieningenrechter deze wijziging niet in strijd met de goede procesorde. De eiswijziging hangt ten nauwste samen met de oorspronkelijke eis en is wezen slechts een aanvulling daarop om de reden dat [naam gedaagde] inmiddels daadwerkelijk beslag heeft gelegd.
1.3.
Het spoedeisend belang is aanwezig. Het gaat hier om een executiegeschil over de vraag of er dwangsommen zijn verbeurd, of er op deze grondslag executoriale beslagen gelegd dan wel gehandhaafd mogen worden en of geïncasseerd mag worden uit hoofde van een inmiddels gelegd executoriaal beslag. OOCL heeft ter zitting verklaard dat een recent door [naam gedaagde] gelegd executoriaal beslag op een bankrekening die OOCL aanhoudt bij de bank Société Générale doel heeft getroffen voor circa € 600.000- en dat dit beslag haar ernstig in haar financiële mogelijkheden treft. Dit volstaat.
1.4.
Onverminderd zijn overige bevoegdheden kan de voorzieningenrechter onder meer desgevorderd de executie schorsen voor een bepaalde tijd of totdat op het geschil zal zijn beslist, dan wel bepalen dat de executie slechts tegen zekerheidstelling mag plaatsvinden of worden voortgezet. Hij kan beslagen, al of niet tegen zekerheidstelling, opheffen.
1.5.
De thans in geding zijnde veroordeling is uitgesproken bij kort gedingvonnis van 7 januari 2020. Het dictum van dat vonnis luidt, voor zover van belang:
“6.5. veroordeelt OOCL binnen acht uur na betekening van dit vonnis de goederen die zich in de containers met nummers [containernummer 1] en [containernummer 2] bevinden aan [naam gedaagde] afte geven en alle medewerking te verlenen (aan een eventueel door [naam gedaagde] in te schakelen deurwaarder) tot afgifte van die goederen aan [naam gedaagde] , op straffe van verbeurte van een aan [naam gedaagde] toekomende dwangsom van € 25.000,-- per dag of gedeelte daarvan dat OOCL nalatig is in de nakoming van deze veroordeling tot een maximum van € 200.000,--;”

6.6.
veroordeelt OOCL in de proceskosten [..]
6.7.
verklaart de onder 6.4-6.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
6..8. wijst het meer of anders gevorderde af.”

1.6.
Bij de vraag of aan de veroordeling is voldaan hanteert de voorzieningenrechter het volgende toetsingskader: in een executiegeschil moet datgene wat de veroordeelde ter uitvoering van het vonnis heeft verricht te worden getoetst aan de inhoud van de veroordeling zoals die door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Voor de daarop volgende vraag of (en tot welk bedrag) dwangsommen zijn verbeurd geldt, dat de veroordeelde niet tot meer gehouden is dan, gelet op de aldus uitgelegde veroordeling, rechtens in redelijkheid van hem kan worden verlangd.
1.7.
Partijen verschillen niet van mening over de navolgende feiten: - het vonnis is aan OOCL betekend op 7 januari 2020 om 16:25 uur,- de volgende dag, 8 januari 2020 heeft zich op enig moment vroeg in de ochtend namens [naam gedaagde] een vrachtwagenchauffeur gemeld bij Euromax (ECT) om de twee containers, , die op het terrein van Euromax stonden, in ontvangst te nemen,- de twee containers zijn diezelfde dag, 8 januari 2020, door Euromax aan deze chauffeur afgegeven om circa 17.08 uur.
1.8.
Tussen het moment van betekening van het vonnis en de afgifte van de twee containers zitten dus iets meer dan . De dwangsomveroordeling houdt in dat de containers binnen na betekening moeten worden afgegeven. Volgens [naam gedaagde] is € 50.000,- aan dwangsommen verbeurd (twee dagen à € 25.000,- per dag). De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet. Er kan voorshands in ernst worden betwijfeld dat er dwangsommen zijn verbeurd. Het standpunt van OOCL is in ieder geval dermate steekhoudend dat in onvoldoende mate valt uit te sluiten dat zij in een eventuele bodemprocedure in het gelijk zal worden gesteld. In dit oordeel wordt het volgende betrokken.
1.9.
Aan [naam gedaagde] kan worden nagegeven dat de afgifte van de twee containers op weinig slagvaardige wijze is geschied, gelet alleen op het tijdsverloop tussen het aanmelden van de chauffeur bij Euromax en de feitelijke afgifte van de containers. Voorts is aannemelijk geworden dat de advocaat van [naam gedaagde] op deze dag talloze telefoontjes heeft moeten plegen met onder meer zijn cliënt en met diverse personen werkzaam bij Euromax Ook het in geding gebrachte logboek van de chauffeur - een beschrijving van hetgeen hem op 8 januari 2020 is overkomen toen hij de containers op kwam halen bij Euromax - wijst er op dat de afgifte van de twee containers bepaald niet op rolletjes liep.
1.10.
Het standpunt van OOCL is dat zij, althans haar advocaat, al hetgeen redelijkerwijs van haar gevergd kan worden heeft gedaan om de afgifte te bewerkstelligen en dat het niet aan háár, maar aan [naam gedaagde] toe te rekenen is dat het zo lang duurde voordat de containers werden afgegeven, zodat geen dwangsommen zijn verbeurd. Dit standpunt is voorshands juist.
1.11.
Vast staat dat de advocaat van OOCL al de vorige dag, 7 januari 2020 om 17.18 uur aan de advocaat van [naam gedaagde] heeft bevestigd dat onmiddellijk tot afgifte van de containers wordt overgegaan. OOCL schrijft:
“Mijn cliënte gaat onmiddellijk tot vrijgave over.

Ik begrijp dat je cliënte de containers kan ophalen met onderstaand release number. Wellicht moet je cliënte nog douaneaangelegenheden verzorgen. Mijn cliënte zond mij in dit verband nog bijgaand, voor zover relevant.

Aan ECT is verzocht de blokkade te verwijderen.

Indien uw cliënte meer of anders nodig heeft, dan hoor ik dat graag. Ik neem aan dat containers op de gebruikelijke wijze worden geretourneerd.”

[naam gedaagde] was dus van tevoren al gewaarschuwd dat er bepaalde voorwaarden konden gelden voor de afgifte van containers. Ook blijkt dit uit het e-mailbericht dat namens Euromax diezelfde avond om 21.44 uur aan [naam gedaagde] is gestuurd. Daarin wordt bevestigd dat de lading kon worden opgehaald, maar dan wel onder de mededeling:

“Wel dienen de gebruikelijke procedures daarbij in acht worden genomen en dient de chauffeur te beschikken over de pincode.”

Daarbij komt dat OOCL (haar advocaat) op 8 januari 2020 de pincode heeft doorgestuurd en, om 09.42 uur die dag, heeft gemaild: “Laat u mij weten of een en ander is gelukt en of u nog wat van mij nodig hebt.” Daarop is die dag van de zijde van [naam gedaagde] geen contact meer met hem opgenomen. Daarmee heeft OOCL gedaan hetgeen van haar in redelijkheid gevergd kon worden.

1.12.
De voorzieningenrechter acht de onvrede van [naam gedaagde] over het (inderdaad) ruime tijdsverloop totdat de containers uiteindelijk werden afgegeven op zich meer dan begrijpelijk, en dit temeer nu [naam gedaagde] ook al in meerdere eerdere procedures betrokken was over de vraag wie rechthebbende is op de inhoud van de containers (een partij foelie). Dit is echter nog geen reden om tot het oordeel te kunnen komen dat er dwangsommen zijn verbeurd. Het lijkt er sterk op dat dat [naam gedaagde] een chauffeur heeft ingeschakeld die geen ervaring heeft met het ophalen van containers bij Euromax in de haven van Rotterdam. Volgens OOCL had deze chauffeur niet de voormelding bij Euromax gedaan dat hij er aankwam om de containers af te halen. Er kan op voorhand niet worden uitgesloten dat deze stelling juist is. En niet in geding is dat de onderhavige chauffeur niet beschikte over een Cargo Card, zijnde een in de haven van Rotterdam, en met name bij Euromax, gehanteerde pas waarmee het logistieke proces van afgifte van containers mogelijk wordt gemaakt. Het is niet aan OOCL toerekenbaar dat deze chauffeur kennelijk niet over deze pas beschikte en daarom aan de poort bij Euromax is heengezonden teneinde deze card, op een andere locatie, te moeten gaan aanvragen/ ophalen. De voorzieningenrechter heeft ter zitting aan [naam gedaagde] gevraagd of de onderhavige chauffeur ervaring had met het ophalen van containers in de haven van Rotterdam. Daarop is geen duidelijk bevestigend antwoord gekomen. Het antwoord was (slechts) dat het ging om een chauffeur die ervaring heeft met het vervoeren van containers. Dat is geen bevestigend antwoord op de vraag.
1.13.
[naam gedaagde] mag zich in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat van haar niet gepaste inspanning zou mogen worden gevergd teneinde de efficiënte afgifte van de twee containers te bevorderen. Het standpunt van [naam gedaagde] komt er op neer dat de dwangsomveroordeling een geheel onvoorwaardelijke resultaatsverplichting inhoudt en dat zij daarom niet gebonden zou zijn aan ook maar enige voorwaarde die Euromax stelt aan de afgifte van containers. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet. Het gaat hier om alleszins redelijke voorwaarden van Euromax die ten doel hebben het - toch grootschalige - logistieke proces van afgifte van containers door Euromax op een efficiënte wijze te laten verlopen. Dat geldt temeer waar het gaat om eisen die in de gehele haven gelden. Het komt voor risico van [naam gedaagde] dat haar chauffeur niet bekend was met de voorwaarden van dit logistieke proces bij Euromax. In het midden kan blijven of deze voorwaarden mede tot doel hebben te voldoen aan publiekrechtelijke voorschriften die strekken tot bevordering van de veiligheid in de haven, zoals OOCL - zij het pas aan het einde van de zitting en zonder onderbouwing stelde, en [naam gedaagde] betwistte.
Dat betekent dat OOCL heeft gedaan wat van haar verwacht kon worden, zelfs als wordt aangenomen dat Euromax als haar hulppersoon geldt, en dat de vertraging in de afgifte van de containers voorshands niet te wijten is aan omstandigheden die voor haar risico komen, maar aan omstandigheden die voor risico van [naam gedaagde] komen, zodat voorshands geen dwangsommen zijn verbeurd.

1.14.
Als er toch dwangsommen zouden zijn verbeurd, dan zou dat overigens hoogstens € 25.000,- zijn geweest. Het vonnis is betekend 7 januari 2020 om 16.25 uur. OOCL had vanaf dat moment 8 uur de tijd om aan de dwangsomveroordeling te voldoen. En 8 uur later was het al 8 januari 2020. Op 7 januari 2020 zijn er dus geen dwangsommen verbeurd. Het standpunt van [naam gedaagde] dat de dwangsom al is gaan lopen op het moment van betekening van het vonnis ligt (zeer) weinig voor de hand. [naam gedaagde] heeft redelijkerwijs moeten begrijpen dat dat nooit de bedoeling kan zijn geweest.
1.15.
Een absoluut verbod om nog meer executoriale beslagen te mogen leggen gaat te ver. Tussen partijen bestaan, naast de onderhavige vraag of er dwangsommen zijn verbeurd, nog meer geschillen. OOCL is inmiddels in hoger beroep gekomen van het vonnis met daarin onder meer de dwangsomveroordeling. De voorzieningenrechter zal het verbod slechts toewijzen voor zover betrekking hebbend op de executie van de beweerdelijk uit hoofde van het kort gedingvonnis van 7 januari 2020 verbeurde dwangsommen.

1.16.
Een dwangsom komt geraden voor, zover het gaat om een veroordeling van [naam gedaagde] haar executiemaatregelen te staken. OOCL vordert echter ook opheffing van het executoriale beslag door de voorzieningenrechter (zelf). Een zodanig vonnis, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, heeft constitutieve werking. Het beslag vervalt reeds door het doen van deze uitspraak. Daarom is voor dat onderdeel van het gevorderde geen dwangsom nodig.De op te leggen dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd op na te melden wijze. Aan [naam gedaagde] zal een iets ruimere termijn voor vrijwillige nakoming worden gegund (voordat een dwangsom wordt verbeurd) dan OOCL vordert.
1.17.
Het vonnis zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De voorzieningenrechter acht het belang van OOCL dat daarmee is gediend wezenlijk zwaarder wegen dan het tegenovergestelde belang van [naam gedaagde] .

1.18.
[naam gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van OOCL. Deze kosten worden begroot op € 1.719.38, zijnde € 980,- aan salaris advocaat, € 656,- aan griffierecht en € 83,38 aan explootkosten dagvaarding.
beslissing

2

De voorzieningenrechter

2.1.
gebiedt [naam gedaagde] de tenuitvoerlegging van het kort gedingvonnis van 7 januari 2020 te staken en gestaakt te houden totdat in hoger beroep is beslist voor zover het gaat om het incasseren van beweerdelijk verbeurde dwangsommen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, te verbeuren vanaf 1 uur na betekening van onderhavig vonnis, met een maximum van € 50.000,-,
2.2.
heft het reeds onder Société Generale gelegde executoriale beslag op,
2.3.
gebiedt [naam gedaagde] om eventuele andere, door [naam gedaagde] ten laste van OOCL gelegde executoriale beslagen op te heffen voor zover die beslagen betrekking hebben op het incasseren van beweerdelijk verbeurde dwangsommen uit hoofde van het kort gedingvonnis van 7 januari 2020, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-, de dwangsom te verbeuren vanaf de tweede werkdag volgend op de dag van betekening van het onderhavige vonnis,
2.4.
veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten van OOCL, tot op heden begroot op € 1.719.38,
2.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
2.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

[2517/106]