Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:9442

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 03-12-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 03-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:9442, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/682202-17


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/682202-17Datum uitspraak: 3 december 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr Y.L. Zandbergen, advocaat te Rotterdam.

ECLI:NL:RBROT:2019:9442:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/682202-17Datum uitspraak: 3 december 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr Y.L. Zandbergen, advocaat te Rotterdam.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 november 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal melden bij de reclassering en dat hij zich ambulant zal laten behandelen.

4

4.1.
Bewijswaardering

4.1.1.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en van voorwaardelijk opzet op dat gevolg is evenmin sprake. De verdachte heeft zijn auto rustig schuin het trottoir op gereden en daarmee heeft hij de man met de fiets (hierna: [naam medeverdachte] ) klem gezet op diens voorwiel. De kans dat bij een dergelijke aanrijding zwaar lichamelijk letsel wordt veroorzaakt is naar algemene ervaringsregels niet aannemelijk. De verklaringen over het gebeurde lopen uiteen en onduidelijk is of de verdachte [naam medeverdachte] überhaupt heeft geraakt. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.Dat [naam medeverdachte] over zijn hele lichaam pijn had door de gebeurtenis wordt niet gestaafd met stukken in het dossier, zodat er onvoldoende bewijs voor het subsidiair ten laste gelegde is en daarvoor ook een vrijspraak dient te volgen.
4.1.2.
Beoordeling

De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.
Op maandag 14 augustus 2017 is een verkeersruzie ontstaan op de Bosboom Toussaintstraat te Dordrecht tussen de verdachte en [naam medeverdachte] . De verdachte reed in de auto van zijn vriendin (een lichtblauwe Citroën C3) en stond voorgesorteerd om linksaf te slaan. [naam medeverdachte] kwam de verdachte tegemoet fietsen en in de beleving van de verdachte reed [naam medeverdachte] daarbij door het rode verkeerslicht. Verdachte heeft verklaard dat hij hierdoor moest remmen om een aanrijding te voorkomen. De verdachte heeft hierop de auto tot stilstand gebracht en heeft de confrontatie met [naam medeverdachte] opgezocht. Hierbij ontstond ruzie tussen beiden, waarbij verdachte [naam medeverdachte] zou hebben beledigd en [naam medeverdachte] de verdachte een klap heeft gegeven. Daarbij liep de verdachte een verwonding aan zijn mond op.

Uit de beelden die van het incident zijn gemaakt - en welke ter zitting (zonder geluid) zijn bekeken - en de verklaring van de getuige [naam getuige] volgt dat de verdachte en [naam medeverdachte] vervolgens uit elkaar zijn gehaald door omstanders en dat [naam medeverdachte] lopend met zijn fiets in de richting van de Dr. Schaepmanstraat is vertrokken. De verdachte is dan weer achter het stuur van de Citroën C3 gaan zitten. Nadat [naam medeverdachte] met zijn fiets de hoek om is geslagen de Dr. Schaepmanstraat in, volgt de verdachte hem in de auto. Op de beelden is te zien hoe het voertuig even stil blijft staan in de Dr. Schaepmanstraat en vervolgens verder de straat inrijdt. Verdachte en [naam medeverdachte] verdwijnen dan uit beeld.

De getuige [naam getuige] heeft de ruzie tussen de verdachte en [naam medeverdachte] gezien, is tussenbeide gekomen, maar vertrouwde er niet op dat de ruzie gesust was. Hij is daarom achter de verdachte en [naam medeverdachte] aangefietst de Dr. Schaepmanstraat in. Nu deze onafhankelijke en objectieve getuige de situatie in zijn geheel en van dichtbij heeft meegemaakt en zijn verklaring steun vindt in andere objectieve bewijsmiddelen zoals bijvoorbeeld de camerabeelden (en het daarbij horende geluid zoals omschreven in een proces-verbaal van politie zoals dat zich in het dossier bevindt), andere getuigenverklaringen en het proces-verbaal over de aangetroffen remsporen, neemt de rechtbank deze verklaring als uitgangspunt bij de vaststelling van de verdere gebeurtenissen.

De getuige zag en hoorde dat de auto van de verdachte in de Dr. Schaepmanstraat zijn snelheid verhoogde en plotseling tussen twee geparkeerde personenauto's door, het trottoir op reed tegen [naam medeverdachte] aan. De getuige kon niet precies zien hoe [naam medeverdachte] werd geraakt, maar zag wel dat [naam medeverdachte] hierdoor omver viel en hij omschrijft het als een ‘whip-lash’- effect. De verklaring van de getuige [naam getuige] komt op dat punt overeen met de verklaring van [naam medeverdachte] . Andere getuigen verklaren meerdere malen over het geluid van een auto die toeren maakt en ter plaatse waar verdachte de stoep op reed zijn bandensporen aangetroffen.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte - nadat [naam medeverdachte] de plek waar de verdachte en [naam medeverdachte] ruzie hadden gemaakt had verlaten - [naam medeverdachte] heeft gevolgd met zijn auto en hem vervolgens op de stoep met enige vaart heeft klemgereden, waardoor [naam medeverdachte] ten val kwam. Op grond van de beelden en de getuigenverklaring van [naam getuige] stelt de rechtbank vast dat de verdachte met verhoogde snelheid de stoep op is gereden met de bedoeling om [naam medeverdachte] klem te rijden en [naam medeverdachte] daarbij ook daadwerkelijk heeft geraakt. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij vanuit stilstand rustig de stoep op is gereden, gelet op de overige bewijsmiddelen, dan ook ongeloofwaardig. Door op een dergelijke wijze met een auto op een kwetsbare verkeersdeelnemer, namelijk een fietser, in te rijden heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [naam medeverdachte] als gevolg van die aanrijding zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.De rechtbank acht het voorwaardelijk opzet op het gevolg bewezen.
4.1.3.
Conclusie

Bewezen is dat de verdachte gepoogd heeft [naam medeverdachte] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met de auto tegen [naam medeverdachte] en zijn fiets te rijden.
4.2.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
primairhij op 14 augustus 2017 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam medeverdachte] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door verdachte bestuurde auto tegen die [naam medeverdachte] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5

Het bewezen feit levert op:
poging tot zware mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
overwegingen

7

7.1.
Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd

Tussen de verdachte en [naam medeverdachte] heeft op de openbare weg een verkeersruzie plaatsgevonden. Volgens de verdachte was [naam medeverdachte] door rood gefietst, waarna de verdachte de confrontatie met [naam medeverdachte] opzocht. Hierbij heeft de verdachte woorden geuit die [naam medeverdachte] als beledigend heeft ervaren. Er ontstond daarop een ruzie en een handgemeen waarbij de verdachte uiteindelijk een klap op zijn mond heeft gekregen van [naam medeverdachte] . Nadat beide heren door omstanders uit elkaar waren gehaald, heeft de verdachte opnieuw de confrontatie opgezocht met [naam medeverdachte] door hem met zijn auto te achtervolgen en op de stoep klem te rijden. Hierbij heeft [naam medeverdachte] letsel opgelopen.
Hoewel uit het dossier volgt dat zowel de verdachte als [naam medeverdachte] een rol hebben gehad in deze hoog opgelopen verkeersruzie, is de rechtbank van oordeel dat op geen enkele wijze is te rechtvaardigen dat de verdachte met zijn auto op het slachtoffer is ingereden. De gevolgen van het met vaart met een auto op een kwetsbare verkeersdeelnemer als een fietser of voetganger - die op dat moment op de stoep loopt – inrijden, kunnen zeer ernstig zijn. Dat de gevolgen in dit geval niet nog erger zijn geweest, is dan ook niet aan het handelen van verdachte te danken. Ook bij getuigen van een dergelijk handelen, kan dit gevoelens van angst en onveiligheid teweeg brengen. Dit handelen rekent de rechtbank de verdachte dan ook zwaar aan.

7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.
Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 oktober 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder veelvuldig is veroordeeld voor strafbare feiten, maar dit – op een vermogensfeit na - met name om oudere veroordelingen gaat.
7.3.2.
Rapportages

Reclassering Nederland heeft op 14 juni 2019 een rapport over de verdachte opgemaakt. Samengevat constateert de reclassering dat er problemen zijn op de leefgebieden dagbesteding (het ontbreken hiervan), financiën (inmiddels stabiel middels beschermingsbewindvoering en schuldhulpverlening), het psychosociaal functioneren (verleden en heden) en de houding van verdachte. Aangezien het recidiverisico niet geheel kan worden ingeschat wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.
Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.De rechtbank neemt bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf allereerst de ernst van het feit mee, en verwijst daarvoor naar hetgeen daaromtrent hiervoor is overwogen. De rechtbank neemt in de afweging ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee, waarbij in het bijzonder gedacht kan worden aan de problematische financiële situatie van de verdachte (beschermingsbewind en schuldhulpverlening) en de fysieke beperkingen die maken dat de verdachte ongeschikt moet worden geacht om een taakstraf uit te voeren. Ook het lange tijdverloop tussen de verkeersruzie en de datum waarop uiteindelijk een uitspraak wordt gedaan is een factor die meespeelt in de beoordeling van de aan de verdachte op te leggen straf. Alles tegen elkaar afgewogen zal de rechtbank aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met een proeftijd van 2 jaar. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf – anders dan geadviseerd door de reclassering en gevorderd door de officier van justitie – geen bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank acht dat – mede gelet op het tijdverloop en de omstandigheid dat de verdachte in de tussenliggende tijd niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen – niet (meer) opportuun.
De rechtbank hecht eraan tot slot op te merken dat beide partijen zich in de ontstane verkeersruzie niet onbetuigd hebben gelaten en daarbij over en weer de strafrechtelijke grens hebben overschreden. Daarbij past dat – voor zover in onderhavige zaak relevant – de verdachte voor zijn eigen aandeel in het geheel verantwoording aflegt.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
9

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

10

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een ;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
Dit vonnis is gewezen door:mr. dr. M.M. Koevoets, voorzitter,mr. A.M. van der Leeden en mr. P.E. van Althuis, rechters,in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.primairhij op of omstreeks 14 augustus 2017 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam medeverdachte] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door verdachte bestuurde auto tegen die [naam medeverdachte] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 14 augustus 2017 te Dordrecht [naam medeverdachte] heeft mishandeld door met een door verdachte bestuurde auto tegen die [naam medeverdachte] te rijden.