Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:9262

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:9262, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/690259-17


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/690259-17Datum uitspraak: 28 november 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] . raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam.

ECLI:NL:RBROT:2019:9262:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/690259-17Datum uitspraak: 28 november 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] . raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 15 februari 2019 en 14 november 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 15 februari 2019 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde (met partiële vrijspraak voor het onder feit 2 ten laste gelegde bestanddeel ‘een beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt’, en voor de periode voor 15 januari 2017);

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering.

4

4.1.
Standpunt verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging vanwege onherstelbare vormfouten. Subsidiair is aangevoerd dat die vormfouten moeten leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat als gevolg van die fouten is verkregen. Daartoe is aangevoerd dat de vertaling van getapte gesprekken niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld moeten worden.
4.2.
Beoordeling

Het dossier bevat tapgesprekken in het Papiaments. De politie heeft deze laten vertalen. Met betrekking tot de ingezette tolken is door de verdediging het volgende aangevoerd:
Naar aanleiding van het gevoerde verweer heeft de rechtbank op 15 februari 2019 ambtshalve nader onderzoek gelast. Dat heeft geleid tot een aanvullend proces-verbaal. Daaruit blijkt het volgende:

Naar aanleiding van dit aanvullende proces-verbaal zijn door de verdediging nadere vragen gesteld. De (gedelegeerd) rechter-commissaris heeft bij beslissing van 18 juni 2019 besloten dat die vragen geen beantwoording behoeven. Kort gezegd komt die beslissing erop neer dat er enerzijds geen begin van aannemelijkheid was dat de door de politie verstrekte informatie onjuist was en anderzijds de verdediging niet concreet heeft aangegeven dat de vertalingen inhoudelijk niet juist waren.

Op de zitting van 14 november 2019 is het gevoerde verweer gehandhaafd.

Gelet op het voorgaande slaagt het verweer niet. Op basis van de uitkomsten van het nadere onderzoek kan vastgesteld worden dat de redenen van de inzet van tolk [nummer 4] oorspronkelijk ten onrechte niet geverbaliseerd waren, maar dit is inmiddels hersteld. De verdachte heeft hierdoor geen enkel nadeel ondervonden en er is dus geen reden om hier consequenties aan te verbinden voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie of voor het bewijs. Voor het overige is niet aannemelijk geworden dat er sprake is of is geweest van vormfouten ten aanzien van de ingezette tolken.

- Blijkens het dossier zijn tapgesprekken vertaald door de tolken [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] . Vier van deze tolken zijn volgens het RBTV-register geen tolk Papiaments, maar tolken Turks, Frans respectievelijk Spaans. Eén tolk komt in het register niet voor. Bij sommige tapgesprekken staat niet wie de vertaling heeft gedaan.- Het OM en de politie zijn krachtens artikel 28 lid 1 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wet) gehouden om gebruik te maken van beëdigde tolken/vertalers, behoudens in spoedsituaties. Uit het dossier blijkt niet van een spoedsituatie en er is geen proces-verbaal hierover opgemaakt.- Aanwijzing 2008A010 (hierna: de Aanwijzing) bepaalt (onder meer) dat in beginsel een beëdigde tolk uit het tolkenregister wordt ingezet. Als een tolk wordt ingezet die niet staat ingeschreven in het register, wordt dit met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd. - Nu niet aan de eisen van de Wet en de Aanwijzing is voldaan, is er sprake van een onherstelbare vormfout. De verdachten zijn tijdens hun verhoren geconfronteerd met vertalingen van tapgesprekken die niet conform de Wet en Aanwijzing tot stand zijn gekomen.
- De politie hanteert een interne database met beëdigde tolken en tolken van de uitwijklijst. De gebruikte tolkennummers komen uit die database.- De hiervoor genoemde tolken [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 5] en [nummer 1] zijn (ook) in het RBTV register ingeschreven. Dit zijn beëdigde tolken. Tolk [nummer 4] staat op de uitwijklijst. Alle tolken zijn van Antilliaanse afkomst, hebben de moedertaal Papiaments en worden ingezet als vertaler Papiaments.- Tolk [nummer 4] is ingezet omdat er een groot aantal gesprekken vertaald moest worden, er geen andere RBTV tolken beschikbaar waren en hierdoor een achterstand ontstond in een onderzoek naar vuurwapen gerelateerde feiten. Tolk [nummer 4] is sinds 1juni 1998 ingeschreven als tolk Papiaments, ze is op Curaçao geboren en de Nederlandse taal goed machtig.- Van een aantal tapgesprekken staat in het dossier niet wie de vertaling heeft gedaan. Dat betreft tolk [nummer 2] . Voor de term pipa wordt aangegeven dat dat geen vertaling betreft, maar straattaal.
4.3.
Conclusie

De officier van justitie is dus ontvankelijk en er is geen reden tot bewijsuitsluiting.
5

5.1.
Bewijswaardering

5.1.1.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van het ontbreken van het wettig en overtuigend bewijs. De verdachte had geen opzet op het invoeren van alarmpistolen. Ook niet in voorwaardelijke zin. Niet kan bewezen worden dat de verdachte wist wat hij met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] in België ging doen op 29 juni 2017.De in de schuur van de verdachte aangetroffen kartonnen plaat met het daarop gespoten silhouet is een verplaatsbaar object en er werd vaak (door anderen) geboord en geklust in de schuur van de verdachte zodat de verdachte niet had kunnen en moeten weten dat er in zijn schuur wapens werden omgebouwd. Er is onvoldoende bewijs dat verdachte daartoe nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander/anderen. Ten slotte is er onvoldoende bewijs dat de verdachte (omgebouwde)wapens voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen. De gesprekken in het dossier betreffen strafbare feiten die nog hadden moeten worden gepleegd en deze zijn onvoldoende concreet om tot een bewezenverklaring te komen. De verdachte heeft zelf nooit foto’s gemaakt van vuurwapens met zijn telefoon.
5.1.2.
Beoordeling

Op grond van de in bijlage II bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ) zich bezig hebben gehouden met de invoer van alarmpistolen uit België, met de ombouw daarvan en met de handel in vuurwapens. Ter toelichting daarop wordt het volgende overwogen.
De verdachte en [naam medeverdachte 1] zijn op 29 juni 2017 op heterdaad aangehouden toen zij met de auto uit België terugkwamen naar Nederland. In de auto bevonden zich onder andere tien alarmpistolen. Beide verdachten verklaren dat zij onbekend waren met de aanwezigheid van die wapens. Dat verweer slaagt niet. Op 28 juni 2017 had [naam medeverdachte 1] een telefonisch gesprek met het bedrijf [naam winkel] in België, een bedrijf dat onder meer alarmpistolen verkoopt. Hij vroeg toen naar [naam 1] of [naam 2] en vroeg of er nog Olympics en 315’s waren en toen het antwoord bevestigend luidde, zei hij dat hij die dag of de dag erna langs zou komen. Aansluitend daarop heeft [naam medeverdachte 1] de verdachte bericht dat hij net heeft gebeld ’ en ‘. Op 29 juni 2017, om omstreeks 13:40 uur wordt door het observatieteam waargenomen dat de verdachten aankomen bij het [naam winkel] . Voorts wordt waargenomen dat beide verdachten uit de winkel komen, waarbij [naam medeverdachte 1] iets in zijn handen heeft. De verdachten rijden voorts over de grens Nederland weer in, waarna ze in Rotterdam, in de omgeving van de woning van de verdachte worden aangehouden. In het voertuig worden onder andere tien Bruni 315 alarmpistolen aangetroffen. Deze alarmpistolen zijn wapens in de zin van artikel 2 lid 1, categorie III, onder 4 van de Wet Wapens en Munitie.Verder blijkt uit de verklaring van getuige [naam getuige], werkzaam bij het [naam winkel] , dat [naam medeverdachte 1] vaker bij deze winkel kwam voor de aanschaf van alarmpistolen. De verdachte zelf verklaart dat de verdachten samen een keer - ongeveer twee maanden eerder - in deze winkel waren geweest. Dit alles maakt het verweer dat de verdachte niet wist van de wapens in zijn auto (volstrekt) ongeloofwaardig.Feit 1 is daarmee bewezen.
Ten aanzien van feit 2 wordt het volgende overwogen.

Na de aanhouding zijn de woningen van de verdachten doorzocht. In de woning aan de [adres 1] , die werd gebruikt door [naam medeverdachte 1] , werden onder meer aangetroffen spuitbus verf, munitie, een ragger en een stuk karton waarop spuitresten van zwarte verf te zien zijn, alsmede de contouren van het gespoten voorwerp. De kelderbox bij de woning aan de [adres verdachte] te Rotterdam was in gebruik bij de verdachte. In de kelderberging werd een kolomboormachine en enkele boortjes aangetroffen. De goederen die bij de verdachten zijn aangetroffen, kunnen gebruikt worden voor het ombouwen van alarmpistolen. Ook is bij ieder van hen een stuk karton aangetroffen met daarop spuitverf-afdrukken in de vorm van cilinders van revolvers.
Deze gegevens moeten worden beoordeeld mede in het licht van de tapgegevens. [naam medeverdachte 1] verklaart dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] zijn nummer is. Daarnaast blijkt [naam medeverdachte 1] gebruik te maken van de volgende telefoonnummers: - [telefoonnummer 2] ; - [telefoonnummer 1] ; - [telefoonnummer 3] ; - [telefoonnummer 4] ;- [telefoonnummer 5] ; - [telefoonnummer 6] ; - [telefoonnummer 7] .De stem van [naam medeverdachte 1] is herkend op de tapgesprekken. De verdachte heeft verklaard dat hij gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 8] .In de periode van 31 maart 2017 tot en met 23 juni 2017 heeft er veelvuldig telefonisch en WhatsApp contact plaatsgevonden tussen de verdachte, [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en anderen. Blijkens tapgesprekken handelden de verdachten ook daadwerkelijk in vuurwapens. Er werden afspraken gemaakt voor verkoop en er blijkt ook van een klacht over een geleverd wapen. Dat er geen concrete transacties zijn waargenomen door de politie, doet hieraan niet af.
Over de tapgesprekken wordt nog het volgende overwogen. Het gaat in die gesprekken evident om vuurwapens en niet om wiet of scooteronderdelen, zoals door verdachten is gezegd. De rechtbank ligt dit met enkele voorbeelden toe en verwijst voor het overige naar bijlage II:

De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat met Jeep wiet of een scooteronderdeel bedoeld wordt en met trommels een onderdeel van een drumstel, zoals de verdachten verklaarden. Kennelijk wordt met banden of snoepjes voor jeeps kogels bedoeld en met Jeep dus een vuurwapen.

Samenvattend, nu (1) [naam medeverdachte 1] vaker alarmpistolen kocht in België, (2) de verdachten samen in ieder geval één keer alarmpistolen zijn gaan halen in België en ook de verdachte één keer eerder mee is geweest naar het [naam winkel] , (3) de verdachten beschikten over de middelen om die alarmpistolen om te bouwen en bij ieder van hen de hiervoor genoemde verf-afdrukken zijn gevonden en (4) zij wapens verkochten, moet geoordeeld worden dat zij alarmpistolen inderdaad ombouwden en verhandelden. Ook feit 2 wordt daarom bewezen geacht.

Voor de verdachte kan niet worden bewezen dat hij daar een beroep of een gewoonte van heeft gemaakt zodat daarvan partieel wordt vrijgesproken.

Medeplegen

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte voldoende is komen vast te staan ten aanzien van de invoer van de alarmpistolen. Gelet op het bovenstaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte samen met een ander tien alarmpistolen zonder consent Nederland heeft binnengebracht.
- Op 31 maart 2017 chatten de verdachte en [naam medeverdachte 1] , waarbij de verdachte schrijft ‘’. [naam medeverdachte 1] vraagt ‘ en de verdachte antwoordt met ja. De verdachte zegt dan, ‘’.- Medeverdachte [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ) sprak op 31 maart 2017 met [naam medeverdachte 1] . [naam medeverdachte 2] zegt iets groots nodig te hebben. [naam medeverdachte 1] zegt dat ze duur zijn. De prijs maakt niet uit volgens [naam medeverdachte 2] en hij zegt: " " Als [naam medeverdachte 2] vraagt hoe groot het is en of het een stok is, antwoordt [naam medeverdachte 1] : "". [naam medeverdachte 2] vraagt of het " " is, waarop [naam medeverdachte 1] antwoordt: " ". [naam medeverdachte 2] vraagt verderop in het gesprek of deze "” is waarop [naam medeverdachte 1] antwoordt: "". De prijs is volgens [naam medeverdachte 1] “”. [naam medeverdachte 2] vraagt dan of het vier vijf is, waarop [naam medeverdachte 1] antwoordt: "". [naam medeverdachte 2] vraagt dan nogmaals: "? " waarop [naam medeverdachte 1] antwoordt ja. Deze kost 2000. De officier van justitie wijst er terecht op dat met “woestijn” een verwijzing lijkt te worden gemaakt naar een Smith & Wesson Desert Eagle.- Op 18 april 2017 vraagt [naam medeverdachte 2] aan [naam medeverdachte 1] naar twee autobanden voor een jeep. [naam medeverdachte 1] zegt dan: ”.- In het chatgesprek 26 mei 2016 vraagt [naam medeverdachte 1] aan de verdachte wat hij morgen doet. Vervolgens spreekt [naam medeverdachte 1] over een “” en “”. - In de chatgesprekken van 5 tot en met 7 juni 2017 zegt de verdachte tegen [naam medeverdachte 1] dat hij een doos snoepjes voor jeep heeft. Ook vraagt de verdachte aan [naam medeverdachte 1] of die jeeps al klaar zijn, heeft die 2 nodig. Op 6 juni 2017 vraagt [naam medeverdachte 2] aan [naam medeverdachte 1] of deze de man heeft gebeld van de dos dos (2 2). [naam medeverdachte 1] zegt dat hij deze nog niet heeft gemaakt. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat 22 mm een gangbaar kaliber is voor vuurwapens en uit het dossier blijkt dat alarmpistolen vaak naar dit kaliber worden omgebouwd;- Op 29 april 2017 vindt er een telefonisch gesprek plaats tussen [naam medeverdachte 1] en [naam 3] . [naam 3] geeft aan dat hij naar een doos (hetgeen volgens de tolk kogels zijn) op zoek is. Vervolgens gaat het gesprek over een ding dat blijkbaar niet goed werkt. Iets zit helemaal naar achter en [naam 3] durft niet verder op dat ding te drukken omdat het dan 'klinkt/geluid geeft'. Verder zegt [naam 3] dat hij al een geluid heeft gemaakt en daarom een doos nodig heeft.- Op 13 mei 2017 wordt er een gesprek opgenomen tussen [naam medeverdachte 1] en een onbekend gebleven man, terwijl zij in een auto zitten. [naam medeverdachte 1] geeft aan dat hij er eentje heeft die klaar is. De ander moet hij nog klaarmaken en die is binnen een paar uurtjes klaar. [naam medeverdachte 1] zegt dan: ""- In het chatgespek van 14 juni 2017 stuurt [naam medeverdachte 1] een ingesproken bericht naar de verdachte: "." Waarop de verdachte antwoordt met een ingesproken bericht: "" De verdachte geeft vervolgens aan over 20 minuten thuis te zijn en dat . In de tijdspanne van dit gesprek voert [naam medeverdachte 1] drie telefoongesprekken. Daarin wordt [naam medeverdachte 1] gevraagd of hij een Jeep heeft, hetgeen [naam medeverdachte 1] bevestigt. Er wordt een afspraak in Beverwaard gemaakt. Vervolgens laat [naam medeverdachte 1] aan de verdachte weten dat ' en dat de verdachte ja of nee moet zeggen. De verdachte antwoordt dat 3 barkie voor 1 is en dat hij hem dan leeg krijgt.- De verdachte stuurt op 15 januari 2017 in een chatgesprek een foto van een vuurwapen naar ene Dust waarop deze Dust vraagt of hij schoon is. De verdachte antwoordt dan met: . Op 14 maart 2017 wordt tussen de verdachte en diezelfde Dust gesproken over de betaling van snoepjes.- [naam medeverdachte 1] heeft verder op 4 april 2017 telefonisch gesproken met [naam 4] , waarbij [naam 4] aan [naam medeverdachte 1] vraagt of hij aan een 9 kan komen en [naam medeverdachte 1] antwoordt aan een 38 te kunnen komen. Deze heeft alleen geen ding om erin te doen. [naam 4] begint dan over kogels. Volgens [naam medeverdachte 1] zijn de kosten 16-18.
5.1.3.
Conclusie

Bewezen is dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
5.2.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.

hij,op 29 juni 2017 te Hazeldonk, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander, zonder consent wapens van categorie III, te weten 10 alarmpistolen(BBM 315 auto, kaliber 8mm pak), heeft doen binnenkomen vanuit België;
2.hij,
in de periode van tot en met 29 juni 2017 in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander,

zonder erkenning

wapens van categorie II en/of categorie III, en/of munitie vancategorie II en/of categorie III
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6

Over de kwalificatie van feit 2 (zoals bewezen) wordt het volgende overwogen.

Bewezenverklaard is het zonder erkenning vervaardigen, transformeren en overdragen van categorie II en III wapens. De vraag is onder welk wetsartikel dit valt.

Artikel 9 lid 1 Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM) bepaalt voor zover hier van belang:

“Het is verboden zonder erkenning een wapen of munitie te vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een bedrijf (…) te verhandelen.”

Op grond van art. 9 WWM is het en van een wapen zonder erkenning dus niet toegestaan, ongeacht of er bedrijfsmatig wordt gehandeld. Feit 2 valt dus onder artikel 9 WWM voor zover het betreft het vervaardigen en transformeren van wapens.

Daarnaast is artikel 31 lid 1 WWM van belang. Dat artikellid bepaalt:

“Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III over te dragen”.

Feit 2 valt dus onder artikel 31 WWM voor zover het gaat om het van wapens van categorie II en III.

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 14, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd

2.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot wapens van categorie II en categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

8

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte is samen met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] ( hierna: [naam medeverdachte 1] ) naar België gereden om daar alarmpistolen te kopen. Deze alarmpistolen zijn omgebouwd tot echte vuurwapens en vervolgens verhandeld. Uit het dossier blijkt dat de rol van de verdachte kleiner is geweest dan die van [naam medeverdachte 1] , maar niettemin essentieel door onder meer zijn schuur aan het [adres 2] ter beschikking te stellen voor het ombouwen van de alarmpistolen. Daarnaast is gebleken dat de verdachte – zij het incidenteel- heeft bemiddeld bij de verkoop van wapens.

Het is duidelijk dat deze vuurwapens onaanvaardbare veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Dergelijke wapens worden meestal in het criminele circuit gebruikt om er ernstige strafbare feiten mee te plegen, waar regelmatig ook onschuldige omstanders het slachtoffer van worden. De verdachte heeft hieraan bijgedragen en de rechtbank rekent hem dit aan.Gelet op de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. In een-weliswaar gedateerd- rapport van de reclassering van 18-9-2017 wordt geadviseerd een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom- uitgezonderd eigen financieel gewin- de verdachte zich met bovengenoemde feiten heeft beziggehouden en acht een stok achter de deur- in de vorm van een voorwaardelijke straf- aangewezen om de verdachte in de toekomst er van te weerhouden zich wederom met dit soort zaken bezig te houden.

Alles afwegend acht de rechtbank- waarbij mede is gekeken naar straffen in soortgelijke zaken- een straf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk passend en geboden. Gelet op de omstandigheid dat deze procedure lang heeft geduurd wordt een korting van 1 maand aangewezen geacht.
9

De verdachte heeft in de onderhavige zaak in de periode van 29 juni 2017 tot en met 11 augustus 2017 (44 dagen) in voorlopige hechtenis gezeten.De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 11 augustus 2017 geschorst (onder voorwaarden, zoals gewijzigd op 5 januari 2018).
De officier van justitie heeft gevorderd dat het bevel tot voorlopige hechtenis bij de einduitspraak wordt gehandhaafd.

De verdediging heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak voort te laten duren.

De rechtbank zal – gelet op de duur van de aan de verdachte op te leggen straf – de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.

10

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 14, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

12

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft; stelt als algemene voorwaarde:de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.Dit vonnis is gewezen door:mr. N. Doorduijn, voorzitter,mr. A.A. Kalk en mr. A.M. van der Leeden, rechters,in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.hij,
op of omstreeks 29 juni 2017 te Hazeldonk, gemeente Breda, in elk geval inNederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
zonder consent een of meer wapens van categorie III, te weten 10 alarmpistolen(BBM 315 auto, kaliber 8mm pak), heeft doen binnenkomen vanuit België;
Artikel 14 lid 1 Wet wapens en munitie

2.hij,
in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 29 juni 2017 teRotterdam en/of (elders) in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een beroep en/of gewoonte heeft gemaakt van het zonder erkenningvervaardigen en/of transformeren en/of uitwisselen en/of ter beschikkingstellen en/of herstellen en/of beproeven en/of verhandelen
van een of meer wapens van categorie II en/of categorie III, en/of munitie vancategorie II en/of categorie III.
artikel 9 lid 1 Wet wapens en munitie artikel 31 lid 1 Wet wapens en munitie
_3a1803a9-4da6-40d2-aa58-db56130e17d9
1

Het verweer – zoals gevoerd door de verdediging in de zaak [naam medeverdachte 1] - dat een enkelvoudige fotoconfrontatie niet voor het bewijs gebruikt mag worden, slaagt niet. De getuige heeft gezegd [naam medeverdachte 1] vaak in zijn winkel gezien te hebben en dat maakt dat de rechtbank het overtuigend vindt dat de getuige met een enkele foto toch tot een betrouwbare herkenning kan komen. Daar komt bij dat Reenis heeft bevestigd dat [naam medeverdachte 1] en hij eerder naar het [naam winkel] zijn geweest, hetgeen de betrouwbaarheid van de herkenning ondersteunt.