Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:9250

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 29-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:9250, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is ROT 19/382


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ROTTERDAMuitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2019 in de zaak tussende directeur gemeentebelastingen Rotterdam, verweerder,
Bestuursrecht
gemachtigde: mr. R. Mahbobe.

zaaknummer: ROT 19/382

[eiser]

gemachtigde: F.R. Eggink ,
en

ECLI:NL:RBROT:2019:9250:DOC
nl

RECHTBANK ROTTERDAMuitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2019 in de zaak tussende directeur gemeentebelastingen Rotterdam, verweerder,
Bestuursrecht
gemachtigde: mr. R. Mahbobe.
zaaknummer: ROT 19/382

[eiser]

gemachtigde: F.R. Eggink ,
en

procesverloop

Procesverloop

Verweerder heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting met dagtekening 6 juni 2018 aan eiser opgelegd van € 63,67.

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 4 februari 2019 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2019. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Op 28 mei 2018 om 17:43 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto met kenteken [kentekennummer] , merk Volkswagen (de auto), geparkeerd stond op Tandwielstraat te Rotterdam zonder dat er (voldoende) parkeerbelasting was betaald. Naar aanleiding van deze constatering is eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 63,67 (€ 1,67 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 62,- aan kosten naheffing) opgelegd.
2. In geschil is of er sprake is van een schending van de hoorplicht. Daarnaast is in geschil of de naheffingsaanslag op de juiste wijze kenbaar is gemaakt. Tot slot is de naheffingsaanslag in geschil.
3. De gemachtigde van eiser heeft verzocht te worden gehoord. Hij is bij brief van
Inleiding

Geschilpunten

Horen

17 december 2018 uitgenodigd voor een hoorzitting op 24 december 2018 om 14:00 uur in Rotterdam. Bij brief van 21 december 2018 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij niet op de hoorzitting kan verschijnen omdat hij op diezelfde dag diverse rechtszaken en klantenbezoeken heeft. Verder verzoekt hij om op een andere datum telefonisch te worden gehoord. Vervolgens is de gemachtigde van eiser bij brief van 27 december 2018 uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting op 7 januari 2019 om 15:00 uur. Bij mail van 4 januari 2019 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij op 7 januari 2019 om 15:00 uur niet gehoord kan worden omdat hij op diezelfde dag drie rechtszaken en een aantal klantbezoeken heeft. Hij verzoekt om een andere datum en geeft aan dat hij vanaf 30 januari 2019 tot en met 2 maart 2019 verhinderd is. Op 7 januari 2019 heeft verweerder vijf keer telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van eiser, zonder hem te kunnen bereiken. Bij brief van 19 januari 2019 heeft de gemachtigde van eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft daarop op 4 februari 2019 uitspraak op bezwaar gedaan, zonder de gemachtigde van eiser te horen.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat (de gemachtigde van) eiser ondanks zijn verzoek daartoe niet is gehoord. De vraag is of hiermee de hoorplicht is geschonden.
3.2.
Van verweerder mag een inspanning worden gevergd om (de gemachtigde van) eiser in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Aan de andere kant mag van een professioneel gemachtigde worden verlangd dat hij zich voldoende beschikbaar houdt voor een hoorzitting en dat hij, indien hij op de door verweerder voorgestelde datum verhinderd is, in samenspraak met verweerder naar een redelijke oplossing zoekt.
3.3.
Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat verweerder de gemachtigde van eiser voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder de gemachtigde van eiser twee maal in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Weliswaar heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat hij op de door verweerder voorgestelde data niet gehoord kon worden, maar hij heeft dit niet (met stukken) onderbouwd. Verder blijkt niet dat hij zelf enig initiatief heeft getoond voor het maken van een nieuwe afspraak voor een hoorgesprek. Hij heeft enkel aangegeven dat hij vanaf 30 januari 2019 tot en met 2 maart 2019 verhinderd is. Verder heeft de gemachtigde verweerder niet terug gebeld terwijl hij - zo blijkt uit het beroepschrift - wist dat verweerder op 7 januari 2019 vijf pogingen heeft ondernomen hem telefonisch te bereiken. Al zou gemachtigde die dag niet (goed) bereikbaar zijn geweest, van hem had verwacht mogen worden dat hij verweerder - al dan niet op een later moment - had teruggebeld voor het maken van een nieuwe afspraak voor een hoorgesprek. In plaats daarvan heeft de gemachtigde op 19 januari 2019 een ingebrekestelling naar verweerder verzonden. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat de gemachtigde van eiser in samenspraak met verweerder naar een redelijke oplossing heeft gezocht. Dat de hoorzittingen zijn gepland binnen tien dagen na ontvangst van de uitnodiging(en), maakt het voorgaande niet anders. Van de gemachtigde van eiser, die werkzaam is voor een professioneel juridisch adviesbureaumag verwacht worden dat hij zich binnen die termijn kan voorbereiden op een (telefonische) hoorzitting.
3.4.
Nu de gemachtigde van eiser door de ingebrekestelling van 19 januari 2019 verweerder heeft aangemaand binnen twee weken uitspraak op bezwaar te doen, mocht verweerder er verder van uitgaan dat hij geen behoefte meer had aan een hoorzitting (zie de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 19 december 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4016). Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gemachtigde van eiser in de ingebrekestelling niet meer heeft aangegeven dat hij (ondanks de ingebrekestelling) gehoord wilde worden.
3.5.
Met de zinsnede in het bestreden besluit dat de gemachtigde van eiser twee maal is uitgenodigd voor een (telefonische) hoorzitting en dat hij bij beide aangeboden gelegenheden was verhinderd acht de rechtbank het bestreden besluit voorts voldoende gemotiveerd.
Bekendmaking naheffingsaanslag

4. Eiser voert aan dat er ten onrechte geen naheffingsaanslag is achtergelaten op de auto.
4.1.
Op grond van artikel 234, zevende lid van de Gemeentewet wordt het aanslagbiljet overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet bekend gemaakt door toezending of uitreiking. Ook op grond van vaste jurisprudentie kan het aanbrengen van de naheffingsaanslag achter de ruitenwisser achterwege blijven (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2005, nr. 39.529, LJN AU 6887). De (duplicaat) naheffingsaanslag is met dagtekening 6 juni 2018 aan eiser verzonden en is dus op de juiste wijze bekend gemaakt.
Naheffingsaanslag

5Eiser voert aan dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, omdat hij wel parkeerbelasting heeft voldaan. Daartoe stelt eiser eerst dat het parkeerkaartje van het dashboard is gevallen, later stelt eiser dat hij niet het juiste kenteken heeft ingevoerd. Omdat iemand heeft betaald waar eiser nu geen contact meer heeft, kan hij geen betaalbewijs meer overleggen, aldus eiser.
5.1.
Omdat Rotterdam sinds 2014 het kentekenparkeren heeft ingevoerd en het plaatsen van een parkeerkaartje achter de voorruit van een auto niet meer nodig is, kan eiser in zijn eerste stelling, dat het parkeerkaartje van het dashboard is gevallen, niet worden gevolgd. Eisers tweede stelling, dat hij niet het juiste kenteken heeft ingevoerd, is verder op geen enkele wijze onderbouwd. Eiser heeft ook niet op een andere wijze onderbouwd dat er wel parkeerbelasting is voldaan. Dat iemand zou hebben betaald waar eiser nu geen contact meer mee heeft, komt voor zijn rekening en risico. Voor zover eiser stelt dat zijn auto geparkeerd stond met de rechtervoorwiel op de stoep zodat sprake is van een ‘Mulder’-feit, volgt de rechtbank hem niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem ter zitting gegeven toelichting en de overgelegde foto’s aannemelijk gemaakt dat eiser geparkeerd stond op een fiscale parkeerplaats. Dit betekent dat parkeerbelasting moest worden betaald. Nu dat niet is gedaan, heeft verweerder de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.F. van Deyzen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 29 november 2019.
griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).