Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:897

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-02-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 06-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:897, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/10/556908 / HA ZA 18-789


Bron: Rechtspraak

center
100
db7c88f2-0b87-4140-998a-667a2893b821
2
13
image/png

center
100
f0c03615-2b02-4441-bf56-f8a511d2b2c2
2
523
image/png


RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/556908 / HA ZA 18-789

Vonnis in incident van 6 februari 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EASY CONTAINER SERVICE B.V.

gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel (gemeente Zuidplas),eiseres in de hoofdzaak,verweerster in het incident,advocaat mr. L.T. van der Sluis te Rotterdam,
tegen

de vennootschap naar buitenlands recht
LUTZ IMPORT & EXPORT GMBH

gevestigd te Offenburg, Duitsland,gedaagde in de hoofdzaak,eiseres in het incident,advocaat mr. M.H.E. Brands te Maastricht-Airport.
Partijen zullen hierna ECS en Lutz genoemd worden.

ECLI:NL:RBROT:2019:897:DOC
nl

center
100
db7c88f2-0b87-4140-998a-667a2893b821
2
13
image/png

center
100
f0c03615-2b02-4441-bf56-f8a511d2b2c2
2
523
image/png


RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/556908 / HA ZA 18-789

Vonnis in incident van 6 februari 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EASY CONTAINER SERVICE B.V.

gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel (gemeente Zuidplas),eiseres in de hoofdzaak,verweerster in het incident,advocaat mr. L.T. van der Sluis te Rotterdam,
tegen

de vennootschap naar buitenlands recht
LUTZ IMPORT & EXPORT GMBH

gevestigd te Offenburg, Duitsland,gedaagde in de hoofdzaak,eiseres in het incident,advocaat mr. M.H.E. Brands te Maastricht-Airport.
Partijen zullen hierna ECS en Lutz genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

de dagvaarding van 13 juli 2018, met producties;

de conclusie van antwoord tevens houdende de incident van onbevoegdheid, met één productie;

de conclusie van antwoord in het incident, met producties.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2

2.1.
ECS vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:I. Lutz veroordeelt tot teruggave van al het gehuurde aan ECS binnen een termijn van veertien dagen, althans binnen een door de rechtbank nader te bepalen termijn;II. Voor het geval Lutz al het gehuurde niet binnen deze termijn heeft teruggegeven, Lutz veroordeelt tot betaling van de vast te stellen totale vergoedingswaarde van die zaken die zij niet terug kan geven;III. Lutz veroordeelt tot betaling aan ECS van het tot op heden te ontvangen bedrag van € 48.194,22, te vermeerderen met € 84,45 per dag vanaf 20 juni 2018 tot het moment waarop teruggave geheel is gerealiseerd, hetzij de gehele vervangingswaarde daarvan is betaald, hetzij de verplichtingen jegens ECS door een combinatie daarvan zullen worden nagekomen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit (samengestelde) bedrag vanaf 1 januari 2018, althans de datum van de dagvaarding, tot de dag van de volledige betaling;IV. Lutz in de proceskosten veroordeelt, inclusief alle nakosten zoals deze zijn aangegeven in de dagvaarding.2.2. Op de stellingen van ECS zal hierna bij de beoordeling, voor zover zij daarvoor relevant zijn, nader worden ingegaan.
3

3.1.
Lutz vordert dat de rechtbank
primair

zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van het onderhavige geschil, met veroordeling van ECS tot betaling van de proceskosten binnen veertien dagen na het vonnis,
subsidiair

de zaak verwijst naar de sector kanton van deze rechtbank in de stand waarin deze zich bevindt, met veroordeling van ECS tot betaling van de proceskosten binnen veertien dagen na het vonnis.
3.2.
ECS voert verweer en concludeert – samengevat – wat betreft het primair gevorderde tot afwijzing en wat betreft het subsidiair gevorderde tot toewijzing.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover zij daarvoor relevant zijn, nader ingegaan.
overwegingen

4

4.1.
Hier is sprake van een internationale zaak, omdat Lutz buiten Nederland haar woonplaats heeft. De rechtbank is derhalve ambtshalve gehouden te onderzoeken of zij internationaal bevoegd is.
4.2.
Omdat sprake is van een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel Ibis-Vo), ECS haar vorderingen heeft ingesteld na 10 januari 2015 zoals vereist in artikel 66 Brussel Ibis-Vo en Lutz woonplaats heeft in Duitsland, een lidstaat in de zin van Brussel Ibis-Vo, kan de internationale bevoegdheid van deze rechtbank uitsluitend volgen uit de bevoegdheidsregels van Brussel Ibis-Vo. Zie artikel 5 lid 1 Brussel Ibis-Vo. Voor zover in de onderhavige zaak de vraag speelt of deze rechtbank bevoegd is op grond van een forumkeuze moet deze vraag dan ook, anders dan partijen lijken te menen, beantwoord worden aan de hand van Brussel Ibis-Vo.
4.3.
Aangezien Lutz, de gedaagde, geen woonplaats heeft in Nederland, mist de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van de in artikel 4 lid 1 neergelegde hoofdbevoegdheidsregel van Brussel Ibis-Vo. De internationale rechtbank van deze rechtbank moet derhalve volgen uit andere bevoegdheidsregels van Brussel Ibis-Vo dan artikel 4 lid 1.
4.4.
ECS baseert de internationale bevoegdheid van deze rechtbank op een forumkeuze voor deze rechtbank in haar algemene voorwaarden (prod. 4 van ECS), die volgens haar van toepassing zijn, wat Lutz betwist. Omdat volgens Lutz deze forumkeuze toepassing zou missen, dient deze rechtbank zich volgens haar onbevoegd te verklaren.
4.5.
ECS heeft aan haar vorderingen in de hoofdzaak tot teruggave en betaling een contractuele rechtsverhouding met Lutz ten grondslag gelegd inzake de verhuur door haar van containers en andere (daarmee verband houdende) roerende zaken. Op deze contractuele rechtsverhouding is (een gedeelte van) de in artikel 7, aanhef en sub 1, Brussel Ibis-Vo neergelegde bevoegdheidsregeling van toepassing, die als volgt luidt:
1.
Artikel 7 Brussel Ibis-Vo

Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

b) voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenissen die aan de eis ten grondslag ligt:

- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

- voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is.

Aangezien vorenbedoelde rechtsverhouding tussen ECS en Lutz niet valt te kwalificeren als een koopovereenkomst van roerende lichamelijke zaken als vermeld achter het eerste gedachtestreepje onder b) en evenmin als een overeenkomst voor de verstrekking van diensten als vermeld achter het tweede gedachtestreepje onder b), kan de internationale bevoegdheid van deze rechtbank uitsluitend volgen uit de onder a) vermelde bevoegdheidsregel. Zie sub c). De vraag of deze rechtbank op grond van de onder a) vermelde bevoegdheidsregel internationaal bevoegd is, beantwoordt de rechtbank als volgt.

4.6.
De op artikel 7 sub 1a) Brussel Ibis-Vo gebaseerde bevoegdheid hangt af van de plaats waar de verbintenissen van Lutz tot respectievelijk teruggave van de gehuurde roerende zaken en betaling van de huursommen moeten worden uitgevoerd. Gesteld noch gebleken is dat partijen afspraken hebben gemaakt over de plaats van teruggave van deze gehuurde zaken en over de plaats van betaling van de huursommen. Het bepaalde in artikel 7 sub 1a) Brussel Ibis-Vo kwam al voor in het EEX-Verdrag, in artikel 5 sub 1 van dit verdrag, om precies te zijn. In zijn arrest van 6 oktober 1976, C-12/76, 1977, 169 () heeft het Hof van Justitie uitgemaakt dat het recht dat toepasselijk is op de overeenkomst waaruit deze verbintenis voortvloeit die aan de eis ten grondslag ligt – in het onderhavige geval derhalve genoemde verbintenissen tot teruggave van de gehuurde zaken en tot betaling van de huursommen – beslissend is voor de plaats waar deze verbintenis moet worden uitgevoerd, indien, zoals in de onderhavige zaak, partijen deze plaats niet zelf hebben geregeld. Dit HvJ EG-arrest is blijven gelden na de inwerkingtreding van Brussel Ibis-Vo. Het toepasselijk recht op de overeenkomst die partijen zouden hebben gesloten volgt uit de zgn. Rome I-Verordening (Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst) (hierna: Rome I-Vo). Bij gebreke van een rechtskeuze in het geval van de niet-toepasselijkheid van de in de algemene voorwaarden van ECS neergelegde rechtskeuze voor Nederlands recht is ingevolge artikel 4 lid 2 Rome I-Vo van toepassing het recht waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft. Als verhuurder van roerende zaken als de onderhavige heeft ECS te gelden als de kenmerkende prestant in de zin van deze bepaling.De gewone verblijfplaats van ECS bevindt zich in Nederland. De stellingen van partijen leveren geen grond op voor toepassing van de in artikel 4 lid 3 Rome I-Vo vervatte uitzondering dat een ander recht van toepassing is indien de overeenkomst gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval nauwer is verbonden met een ander land dan het land van de gewone verblijfplaats van de kenmerkende prestant. Voor zover de onderhavige overeenkomst niet reeds op grond van de in de algemene voorwaarden van ECS vervatte rechtskeuze voor Nederlands recht beheerst wordt door Nederlands recht, volgt toepasselijkheid van Nederlands recht op deze overeenkomst dus ten minste uit de op deze overeenkomst toepasselijke conflictregels van artikel 4 Rome I-Vo.
4.7.
Naar Nederlands recht, dat wil zeggen: op grond van artikel 6:115 juncto artikel 6:116 lid 1 BW, moet de betaling van een geldsom, waaronder een huursom, worden gedaan aan de woonplaats van de crediteur. Nu ECS woonplaats houdt binnen het rechtsgebied van deze rechtbank, is deze rechtbank op grond van artikel 7 sub 1 Brussel Ibis-Vo dan ook bevoegd kennis te nemen van de huursombetalingsvordering(en) van ECS. Ook de verbintenis van de huurder van een roerende zaak tot teruggave van deze zaak na het aflopen van de huurtermijn dient uitgevoerd te worden in de woonplaats van de verhuurder, de crediteur van deze vordering. Vergelijk artikel 7:224 lid 1 BW:
4.8.
Aangezien deze rechtbank dus internationaal bevoegd is op grond van de in artikel 7 sub 1 van Brussel Ibis-Vo neergelegde bevoegdheidsregeling, kan in het midden blijven of deze bevoegdheid niet ook reeds volgt uit het bepaalde in artikel 25 Brussel Ibis-Vo inzake de uit een exclusieve forumkeuze volgende bevoegdheid, zoals ECS geacht moet worden te bepleiten en Lutz geacht moet worden te betwisten.
4.9.
De primaire incidentele vordering zal derhalve worden afgewezen.
4.10.
Met partijen is de rechtbank van oordeel dat deze huurzaak overeenkomstig de subsidiaire incidentele vordering van Lutz moet worden verwezen naar de sector kanton van deze rechtbank.
4.11.
De subsidiaire incidentele vordering zal derhalve worden toegewezen.
4.12.
Als de in dit incident grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Lutz in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van ECS worden tot aan deze uitspraak begroot op € 543,00 aan salaris advocaat (1 punt in liquidatietarief II).
beslissing

5

De rechtbank
in het incident

wijst de primaire incidentele vordering van Lutz af;

verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van ECS;

wijst de subsidiaire vordering van Lutz toe;

veroordeelt Lutz in de proceskosten van dit incident, die tot aan deze uitspraak begroot zijn op € 543,00;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de van de sector kanton van deze rechtbank van om uur.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2019.901/1729