Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:8756

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 07-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:8756, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/100064-19


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/100064-19 Datum uitspraak: 7 november 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Marokko) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Schiedam.

ECLI:NL:RBROT:2019:8756:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/100064-19 Datum uitspraak: 7 november 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Marokko) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Schiedam.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 augustus 2019 en 24 oktober 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie mr. J. Castelein heeft gevorderd:
-

partiële vrijspraak ten aanzien van het medeplegen van het onder 2 tenlastegelegde;

bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

4

4.1.
Bewijswaardering

4.1.1.
Standpunt verdediging

De verdachte heeft bekend dat hij heeft gehandeld in cocaïne tot aan het moment dat hij werd opgepakt. De verdachte heeft echter ontkend dat hij dit de gehele onder 1 tenlastegelegde periode heeft gedaan. De verdachte voert aan hier pas medio 2018 mee begonnen te zijn.
4.1.2.
Beoordeling

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij pas vanaf medio 2018 heeft gehandeld in cocaïne niet geloofwaardig, nu meerdere gebruikers hebben verklaard ook al in het voorjaar van 2018 cocaïne van de verdachte te hebben gekocht. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode in cocaïne heeft gehandeld, zulks in nauwe en bewuste samenwerking met een ander.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank ook het onder 2 tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft verklaard dat hij telkens een voorraad cocaïne ter beschikking gesteld kreeg van een ander. Dit gold ook voor de cocaïne die bij hem is aangetroffen op 24 april 2019. Hij verkocht uit de hem verstrekte voorraad cocaïne aan klanten, die belden op de telefoon die hij van diezelfde andere persoon verstrekt had gekregen. Van de opbrengst mocht hij een deel houden en het overige deel droeg hij af aan de hiervoor bedoelde andere persoon. Uit telefoontaps is voorts gebleken dat de verdachte frequent overleg had met een ander over wat er verkocht werd aan wie. Die ander gaf de verdachte op 18 april 2019 ook instructies over het verstrekken van “oranje” of “zwarte”. Op de 64 ponypacks die op 24 april 2019 zijn aangetroffen bij de verdachte zaten oranje en zwarte stickers.

Uit het voorgaande blijkt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een andere persoon ten aanzien van het aanwezig hebben en verhandelen van de in de tenlastelegging bedoelde (hoeveelheden) cocaïne.

4.2.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten op die wijze begaan dat:

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

1.hij in de periode van 1 mei 2018 tot en met 24 april 2019 te Sliedrecht en tePoortugaal en elders in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt envervoerd,hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, ;
,

5

De bewezen feiten leveren op:
1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna 12 maanden schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne. Daarnaast is in een woning waar de verdachte regelmatig verbleef 44,3 gram cocaïne aangetroffen, verpakt in voor de handel bestemde ponypacks. De verdachte werkte hierbij samen met ander. Hij is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die schadelijk is voor de gezondheid en sterk verslavend is. Daarnaast vormt de handel in cocaïne een bedreiging voor de volksgezondheid en gaat gepaard met zware criminaliteit in zowel binnen- als buitenland, nog los van de misdrijven die gebruikers plegen om te kunnen voorzien in hun verslaving. Tegen feiten als het onderhavige dient derhalve krachtig te worden opgetreden. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft slechts gehandeld uit winstbejag.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.
Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 juni 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 april 2019. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
7.4.
Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om ten gunste van de verdachte af te wijken van de in de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straffen bij drugshandel. In dit verband wordt overwogen dat het in dit geval gaat om een lange periode waarin er in harddrugs gehandeld is. Dat de verdachte binnen die periode mogelijk handelde met intervallen - dus niet onafgebroken - doet daaraan niet af. Uit het dossier is bovendien gebleken dat de dagen waarop de verdachte wel handelde dit op vrij aanzienlijke schaal gebeurde. Voorts wegen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet dermate zwaar dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf daarom niet aan de orde zou zijn.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, tezamen met de hierna te bespreken verbeurdverklaringen, passend en geboden. Het voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

8

8.1.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het geldbedrag van € 3.620,00 dat is aangetroffen in de handtas van een familielid van de verdachte, terug te geven aan de verdachte. Verder heeft de officier van justitie verbeurdverklaring gevorderd van de in beslag genomen geldbedragen van € 940,00 en € 104,05, de in beslag genomen auto’s van de merken Renault (getaxeerd op € 1.200,00) en Opel (getaxeerd op € 750,00) en de inbeslaggenomen mobiele telefoon van het merk Nokia. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd de in beslag genomen mobiele telefoon van het merk BQ Aquarius te onttrekken aan het verkeer. De BQ Aquarius is een PGP-toestel. Dit type telefoon wordt veel gebruikt in het criminele circuit, omdat het niet goed door de politie te onderzoeken is. Als deze telefoon wordt teruggeven, is er een grote kans dat hij (opnieuw) voor criminele doeleinden wordt gebruikt.
8.2.
Standpunt verdediging

De verdediging verzoekt om teruggave van de Opel. De verdachte had deze auto pas daags voor zijn aanhouding aangeschaft. De auto is slechts minimaal betrokken bij het tenlastegelegde feit. Ten aanzien van de overige voorwerpen refereert de verdediging zich aan het standpunt van de rechtbank.
8.3.
Beoordeling

De in beslag genomen geldbedragen ter hoogte van € 940,00 en € 104,05, de Renault en de Opel, alsmede de Nokia-telefoon en de BQ Aquarius-telefoon zullen verbeurd worden verklaard. Gebleken is dat deze bij de verdachte aangetroffen voorwerpen toebehoren aan de verdachte. De verdachte kan deze voorwerpen geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Gebleken is dat de geldbedagen door middel van de bewezenverklaarde feiten verkregen zijn. Van de Nokia-telefoon en de beide auto’s is komen vast te staan dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan. Bovendien is het aannemelijk dat de verdachte de aanschaf van de Opel nu juist kon veroorloven doordat hij (tevens) inkomsten had uit de drugshandel en dat deze (direct of indirect) ook geheel of grotendeels is verkregen door middel van baten uit het strafbare feit. Ook de BQ Aquarius-telefoon zal worden verbeurd verklaard. Deze telefoon kon niet worden onderzocht, maar gezien de omstandigheden waaronder hij is aangetroffen kan het niet anders zijn dan dat ook deze telefoon door de verdachte en/of diens mededader gebruikt is bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten. Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 3.620,00 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.
9

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

10

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

11

De rechtbank:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
- gelast de teruggave aan de rechthebbende van een geldbedrag van € 3.620,00;
1.hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2018 tot en met 24 april 2019 te Sliedrecht en/of tePoortugaal en/of (elders) in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,meermalen, althans eenmaal,(telkens)opzettelijkheeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/ofvervoerd,een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtenshet vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op of omstreeks 24 april 2019 te Rotterdamtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkaanwezig heeft gehad(in een woning gelegen aan de [adres delict] te Rotterdam)(totaal) ongeveer 44,3 gram, in elk geval een of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) (ongeveer 64ponypacks) van een materiaal bevattende cocaïne,zijnde cocaïneeen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtenshet vijfde lid van artikel 3a van die wet.
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een ; bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op ;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:- verklaart verbeurd het geldbedrag van € 940,00, het geldbedrag van € 104,05, de auto’s van de merken Renault en Opel, de mobiele telefoon van het merk Nokia en de mobiele telefoon van het merk BQ Aquarius;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:mr. J.J. van den Berg, voorzitter,en mrs. L. Daum en G. Smid, rechters,in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Kokken, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 november 2019.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat