Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:8751

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 04-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:8751, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/750474-18 ontneming


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBROT:2019:8751:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/750474-18Datum uitspraak: 4 november 2019Tegenspraak
VONNIS (ontneming) (mk)

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] ,raadsvrouw mr. M.F.A. van Pelt, advocaat te Rotterdam.
ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 23, 24 en 30 september 2019 en 4 november 2019.

VOORAFGAANDE VEROORDELING

Bij vonnis van deze rechtbank van 4 november 2019 is de veroordeelde wegens na te noemen strafbare feiten veroordeeld. Een kopie van dat vonnis is als bijlage aan dit ontnemingsvonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

VORDERING

De vordering van de officieren van justitie, mr. dr. J. Bonnes en mr. E.M. Harbers (hierna: de officier van justitie) – zoals deze na wijziging ter terechtzitting is komen te luiden - strekt tot:

De vordering van de officier van justitie is uitsluitend gebaseerd op artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.

STANDPUNT VERDEDIGING

De verdediging heeft zich – in aanvulling van de standpunten die reeds in het vonnis in de hoofdzaak zijn besproken – op het standpunt gesteld dat niet is komen vast te staan dat de opbrengsten ten goede van de veroordeelde zijn gekomen, wat gevolgen zou moeten hebben voor de berekening van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD

Blijkens het vonnis van 4 november 2019 is de veroordeelde – voor zover hier relevant - veroordeeld ter zake van:

- het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat op € 3.470,02; - tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot eenzelfde bedrag.
3. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
7

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

- [naam slachtoffer 1] ( [zaaknaam 1] ) € 130,00- [naam slachtoffer 2] ( [zaaknaam 2] ) € 90,00- [naam slachtoffer 3] ( [zaaknaam 3] ) € 250,00- [naam slachtoffer 4] ( [zaaknaam 4] ) € 160,00- [naam slachtoffer 5] ( [zaaknaam 4] ) € 1.838,39- [naam slachtoffer 6] ( [zaaknaam 5] ) € 140,00- [naam slachtoffer 7] ( [zaaknaam 5] ) € 100,00- [naam slachtoffer 8] ( [zaaknaam 6] ) € 450,00- [naam slachtoffer 9] ( [zaaknaam 7] ) € 500,00- [naam slachtoffer 10] ( [zaaknaam 8] ) € 180,00- [naam slachtoffer 11] ( [zaaknaam 8] ) € 180,00- [naam slachtoffer 12] ( [zaaknaam 8] ) € 270,00- [naam slachtoffer 13] ( [zaaknaam 8] ) € 180,00- [naam slachtoffer 14] ( [zaaknaam 8] ) € 270,00- [naam slachtoffer 15] ( [zaaknaam 8] ) € 180,00- [naam slachtoffer 16] ( [zaaknaam 8] ) € 180,00- [naam slachtoffer 17] ( [zaaknaam 9] ) € 5.398,39
- [naam slachtoffer 18] ( [zaaknaam 10] ) € 75,00- [naam slachtoffer 19] ( [zaaknaam 10] ) € 500,00- [naam slachtoffer 20] ( [zaaknaam 10] ) € 815,00.
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 6.213,39 (zegge: zesduizendtweehonderddertien euro en negenendertig cent);
- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van met dien verstande dat indien en voor zover een medeveroordeelde betaalt, de veroordeelde in zoverre van deze betalingsverplichting zal zijn bevrijd.
In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan.

VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van de hiervoor vermelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.

Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen wordt geschat op € 6.213,39.

Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt nader het volgende overwogen.

De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde het hierna te noemen voordeel heeft genoten, gespecificeerd vanuit de hierna genoemde slachtoffers van de door de veroordeelde gepleegde feiten:

Feit 3

Feit 7

De veroordeelde heeft zich tijdens het proces in de onderliggende strafzaak telkens op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft op geen enkele wijze inzicht gegeven in een mogelijke verdeling van de opbrengst tussen hem en zijn mededaders. Nu er evenmin in het dossier concrete aanknopingspunten voorhanden zijn waaruit enige vorm van verdeling zou kunnen blijken, houdt de rechtbank het er voor dat er sprake is van een gemeenschappelijk voordeel en dat de veroordeelde en zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting.

Er zijn geen kosten in mindering te brengen.

Ingevolge artikel 36e, negende lid, Sr dienen bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat de aan benadeelde partijen in rechte toegekende vorderingen in mindering te worden gebracht. Dit brengt mee dat bij de toepassing daarvan slechts in aanmerking komen de in rechte onherroepelijk toegekende vorderingen van benadeelde partijen, alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f Sr voor zover die zijn voldaan. Die situatie doet zich hier niet voor.

VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken.

Bepaald zal worden dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald.

Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

Het te betalen bedrag is hoger dan is gevorderd omdat de officier van justitie met betrekking tot de feiten 3 en 7 van een andere verdeling uitgaat en voorts de aan de benadeelde partijen terug te betalen bedragen wel heeft verrekend. Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat daarvoor geen plaats is zolang de vorderingen in rechte niet onherroepelijk zijn toegewezen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Dit vonnis is gewezen door:mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,en mrs. I.W.M. Laurijssens en M.P. van der Stroom, rechters,in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 november 2019.