Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:6546

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:6546, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/750256-17


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/750256-17Datum uitspraak: 7 augustus 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Afghanistan) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht.

ECLI:NL:RBROT:2019:6546:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/750256-17Datum uitspraak: 7 augustus 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Afghanistan) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie mr. P.A. Willemse heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van voorarrest.

4

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft samen met anderen 2525 kilo hasj in een container met houtskool via de Rotterdamse haven Nederland ingevoerd, door tegen (verwachte) betaling zijn persoonsgegevens voor dit transport ter beschikking te stellen. Uit verschillende feiten en omstandigheden rondom het transport is niet aannemelijk geworden dat de verdachte geenwetenschap had van de verdovende middelen in de container. Hieruit volgt dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat via containers verdovende middelen hetland in gesmokkeld zouden worden.
Beoordeling

Voor [naam bedrijf 1] heeft de firma [naam bedrijf 2] een container houtskool vervoerd naar de haven van Rotterdam. In deze container is 2525 kg hasj aangetroffen. De communicatie met [naam bedrijf 2] over de container vond plaats via het emailadres [emailadres] . De kosten die gemoeid waren met de opslag van de container zijn via de bankrekening van [naam bedrijf 3] betaald.
De verdachte heeft verklaard dat hij bepaalde persoons- en bedrijfsgegevens ter beschikking heeft gesteld aan zijn medeverdachte omdat zij zakenpartners waren, maar dat hij van de invoer van hasj niets wist. Uit het dossier blijkt niet dat deze verklaring onjuist is.De verdachte heeft daarnaast op verzoek van anderen handelingen verricht met betrekking tot een bankrekening op naam van zijn onderneming [naam bedrijf 3] , te weten één contante storting en het wijzigen van het telefoonnummer voor het ontvangen van TAN-codes. Uit de communicatie met anderen hierover valt niet af te leiden dat hij zich er daarbij van bewust was dat er andere zaken dan houtskool werden geïmporteerd.
Het dossier bevat noch voldoende bewijs om te kunnen concluderen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat zich tussen de lading houtskool in de container hasj bevond, noch dat zijn bijdrage aan het transport van zodanig gewicht is geweest dat hij als medepleger van de invoer van die hasj kan worden aangemerkt. De door de officier van justitie genoemde feiten en omstandigheden zijn hiervoor ontoereikend.

Conclusie

Het ten laste gelegde is daarom niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

beslissing

6

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,en mrs. T.M. Riemens en F. van Buchem, rechters,in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 augustus 2019.
De voorzitter is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen. Bijlage
Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij,in of omstreeks de periode van 15 juni 2017 tot en met 15 augustus 2017 teRotterdam en/of Utrecht, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,(in de uitoefening van een beroep of bedrijf),opzettelijkeen (grote) hoeveelheid hennep en/of hasjiesj (circa 2500 kilogram), in elkgeval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj(zijnde hennep en/of hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel3a van die wet), in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst II,binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1lid 4 van de Opiumwet) en/of heeft vervoerd en/of afgeleverd.