Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:6486

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Ondernemingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 14-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:6486, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/10/557948 / HA ZA 18-844


Bron: Rechtspraak

center
100
f0cba51d-6c78-47e9-8643-1ca195b81c05
2
13
image/png

center
100
4eca99d2-1fcd-4dff-91b8-0134320667cf
2
523
image/png

RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/557948 / HA ZA 18-844

Vonnis van 14 augustus 2019

in de zaak van

[eiser]

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SPLIT SOLUTIONS B.V.,kantoorhoudende te Rotterdam,eiser in de hoofdzaak,verweerder in het incident,advocaat mr. O. Heuverling te Naaldwijk,
tegen

ECLI:NL:RBROT:2019:6486:DOC
nl

center
100
f0cba51d-6c78-47e9-8643-1ca195b81c05
2
13
image/png

center
100
4eca99d2-1fcd-4dff-91b8-0134320667cf
2
523
image/png

RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/557948 / HA ZA 18-844

Vonnis van 14 augustus 2019

in de zaak van

[eiser]

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SPLIT SOLUTIONS B.V.,kantoorhoudende te Rotterdam,eiser in de hoofdzaak,verweerder in het incident,advocaat mr. O. Heuverling te Naaldwijk,
tegen

1

wonende te [woonplaats gedaagde] ,2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INVENTERRA HOLDING B.V.

gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,
[naam bedrijf gedaagde]

gevestigd te Delft,gedaagden in de hoofdzaak,eiseressen in het incident,advocaat mr. M.A.J. Kemps te Eindhoven.
Partijen zullen hierna de curator, [gedaagde] , Inventerra en [naam bedrijf gedaagde] worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk als [gedaagde] c.s. worden aangeduid.

De failliete vennootschap zal hierna Split worden genoemd.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

de dagvaarding van 17 augustus 2018, met producties 1 t/m 17 en de beslagstukken,

de provisionele vordering in incident tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak, met producties 1 t/m 12,

de conclusie van antwoord in incident, met producties 18 t/m 25,

het vonnis in incident van 23 januari 2019,

de brief van de rechtbank van 20 februari 2019, waarin een comparitie is bepaald, en

het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 13 mei 2019, met aangehechte spreekaantekeningen van de curator.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2

2.1.
Op 26 augustus 2005 is Split opgericht met het doel om machines voor de behandeling en afwerking van vloeistoffen en oliën te gaan verkopen, verhuren en in lease te geven alsook bedrijven te gaan adviseren over de reiniging en behandeling of afvoer van rest(vloei)stoffen. Ten behoeve van haar bedrijfsvoering heeft Split nadien een grote centrifuge en dertig kleine(re) centrifuges (hierna ook: de centrifuges) gekocht.
2.2.
Inventerra is van 1 januari 2010 tot 1 juni 2016 enig bestuurder geweest van Split. [gedaagde] is via zijn holding [naam bedrijf gedaagde] enig bestuurder van Inventerra.
2.3.
Inventerra, Gales Beheer B.V. (hierna: Gales) en Fargate B.V. (hierna: Fargate) houden ieder een derde van de aandelen in het kapitaal van Split.
2.4.
Over de jaren 2010 tot en met 2014 heeft Inventerra de jaarrekeningen van Split openbaar gemaakt. Daaruit volgt dat Split vanaf het jaar 2010 niet of nauwelijks activiteiten (meer) heeft ontplooid en omzet heeft gegenereerd. De centrifuges zijn in de betreffende jaarrekeningen voor een bedrag van € 498.978,00 op de balans opgenomen.
2.5.
Tussen Split en ING Bank N.V. (hierna: ING) bestond een kredietovereenkomst. Bij brief van 15 juli 2011 heeft ING aan Split medegedeeld:“[…] Thans bedraagt het huidige saldo € 305.126,12 debet bij een contractuele kredietlimiet van € 150.000,-. Voorts hebben wij geconstateerd dat er geen of nauwelijks omzet over de Zakelijke rekening 67 03 70 037 bij ING plaatsvindt, c.q. niet meer wordt voldaan aan de verplichtingen uit hoofde van rente, kosten en provisies.
Mede doch niet uitsluitend op basis van bovenstaande constateringen zijn wij dan ook genoodzaakt de aan de vennootschap verstrekte kredietfaciliteit bij dezen en met onmiddellijke ingang op te zeggen en per 16 september 2011 op te eisen. […]”

2.6.
Eind 2011 heeft Split een schikking getroffen met Cincq Solutions B.V. (hierna: Cincq). In verband daarmee heeft Cincq nadien een bedrag van € 89.082,00 (hierna ook: het schikkingsbedrag) overgemaakt op de derdengeldenrekening van de advocaat van Split.
2.7.
Bij e-mail van 21 juni 2012 heeft [gedaagde] aan de advocaat van Split bericht:“Hierbij het verzoek om het geld van de derdenrekening over te maken naar:ABN Amro: [rekeningnummer] ten name van [naam bedrijf gedaagde] , [adres] , [vestigingsplaats]
Wat mij betreft zonder verdere vermelding. Ik ben bereikbaar voor vragen.”

2.8.
De advocaat van Split heeft het schikkingsbedrag op dezelfde dag overgemaakt naar de rekening van [naam bedrijf gedaagde] .
2.9.
Bij e-mail van 8 januari 2016 heeft de bestuurder van Fargate, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), aan Inventerra bericht:“Hierbij verzoek ik u, namens Gales BV en Fargate BV, een rechtsgeldige AvA uit te schrijven conform de statuten van Split Solutions BV binnen vier weken na heden. Wij verzoeken u enkele beschikbare data op te geven.
Graag zouden wij de volgende agenda punten behandeld zien:[…]
Wij verzoeken u om de onderliggende stukken, de schikking met CINC en de jaarcijfers 2013 en 2014 (eventueel in concept) behorende bij deze agenda punten graag binnen twee weken na heden aan ons te overleggen zodat wij ons kunnen voorbereiden.[…]”
-

Afhandeling zaak met CINC.

Gebruik materiaal / eigendommen van Split Solutions BV (centrifuges) door derden en de bijbehorende financiële afwerking hiervan,

Ontslag huidig bestuurder, benoeming Gales B.V. en Fargate B.V. als bestuurder. […]

2.10.
Per 1 juni 2016 heeft Inventerra zich in het handelsregister laten uitschrijven als (enig) bestuurder van Split.
2.11.
Bij e-mail van 14 juni 2016 heeft de adviseur van Inventerra, de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ), aan Gales en Fargate medegedeeld:“[…]Nu naar ik heb begrepen alle activa afgeboekt zijn is het tijd om deze vennootschap te gaan ontbinden. Mijn verzoek aan de huidige directeur is om er voor te zorgen dat de cijfers (in concept) over 2015 bij de KvK voor 25 juni a.s. gedeponeerd kunnen worden dan zou op 26 juni een BAVA gehouden kunnen worden waarin de aandeelhouders besluiten tot ontbinding en opheffing van deze BV waardoor deze en uitgeschreven wordt bij de KvK en een ieder zijn deelnemingswaarde als opgeofferd belang fiscaal kan afboeken.[…]”
2.12.
Op of omstreeks 14 juni 2016 heeft Split de grote centrifuge en een kleine centrifuge verkocht aan [naam bedrijf gedaagde] voor een bedrag van € 1.210,00 (incl. btw).
2.13.
Op 28 juni 2016 heeft Split de balans over het jaar 2015 gedeponeerd. De centrifuges zijn daarin afgewaardeerd naar een bedrag van € 1.000,00.
2.14.
Bij e-mail van 4 juli 2016 (13:38 uur) heeft [naam 1] aan [naam 2] bericht:“Dank voor uw berichten, maar wij willen graag de concept-jaarstukken ontvangen. Wij kunnen niet accoord gaan met een belastingaangifte of KvK-opgave als we niet eerst de concept jaarstukken hebben ontvangen en goed gekeurd. Graag zien we die tegemoet, dan kan het wellicht wat vlotter.”
2.15.
Bij e-mail van 4 juli 2016 (16:33 uur) heeft [naam 2] daarop geantwoord:“Meer is er niet.
Dan houdt het op.

Mijn cliënt heeft zich uitgeschreven en is geen directeur meer.[…]”
2.16.
Bij e-mail van 13 februari 2017 heeft de advocaat van Gales en Fargate aan [naam 2] medegedeeld:“[…]Cliënten-aandeelhouders willen nu ook de BV beëindigen. Ik roep uw cliënte als aandeelhouder van Split Solutions B.V. op om nu de dezerzijds bepaalde AVA op 1 maart 2017 om 13:00 uur te verschijnen ter plaatse van […]
Enig agenda punt zal zijn benoeming van de heer [naam 1] tot tijdelijk bestuurder met de enige en uitsluitende taak om het faillissement namens de B.V. aan te vragen.[…]”
2.17.
Bij e-mail van 15 februari 2017 heeft [naam 2] aan de advocaat van Gales en Fargate bericht:“Inmiddels heb ik overleg gehad met mijn cliënte.
Deze geeft de voorkeur aan een (onderhandse) “turbo” ontbinding hetwelk nu er geen activa zijn mogelijk is.[…]”
2.18.
Bij e-mail van 20 februari 2017 (10:17 uur) heeft de advocaat van Gales en Fargate aan [naam 2] medegedeeld:“Een turbo-ontbinding is voor alle betrokkenen risicovoller, cliënten geven de voorkeur aan faillissement.[…]”
2.19.
Bij e-mail van 20 februari 2017 (10:18 uur) heeft [naam 2] daarop geantwoord:“Mijn cliënte deelt uw mening niet en persisteert in een turbo liquidatie.”
2.20.
Bij e-mail van 27 februari 2017 heeft de advocaat van Gales en Fargate aan [naam 2] laten weten:“De AVA zal dan door moeten gaan. Cliënten hebben twee derde van de stemmen en zullen voor het besluit stemmen om [naam 1] aan te stellen tot bestuurder met als enige taak het aanvragen van het faillissement.[…]”
2.21.
Bij vonnis van 15 augustus 2017 is Split in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator als zodanig.
2.22.
Op 19 juli en 3 augustus 2018 heeft de curator ten laste van Inventerra, [naam bedrijf gedaagde] en [gedaagde] conservatoir beslag laten leggen.
2.23.
De Belastingdienst, ING en Fargate hebben hun vorderingen op Split van respectievelijk € 572,00, € 421.718,46 en € 61.750,00 ter verificatie ingediend bij de curator. De schuldenlast bedraagt daarmee in totaal € 484.040,46.
3

3.1.
De curator vordert, na vermindering van eis, om [gedaagde] c.s. bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis hoofdelijk te veroordelen:- tot betaling van een bedrag van € 484.040,46, vermeerderd met de faillissementskosten,- tot vergoeding van de schade van Split en de boedel ten bedrage van € 718.060,00 (zijnde € 89.082,00, € 498.978,00 en € 130.000,00), te vermeerderen met de wettelijke rente (voor wat betreft het bedrag van € 89.082,00 te berekenen vanaf 7 maart 2012 tot aan de dag van betaling en voor wat betreft de bedragen van € 498.978,00 en € 130.000,00, te berekenen vanaf een in goede justitie te bepalen moment tot aan de dag van betaling), althans een door de rechtbank vast te stellen schadevergoeding aan de boedel te betalen,- in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,00 zonder betekening dan wel € 199,00 in geval van betekening, te vergoeden aan de boedel, een en ander binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.2.
Het verweer van [gedaagde] c.s. strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de curator bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de kosten van de procedure, met bepaling dat de curator de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is indien deze niet binnen acht dagen na het te wijzen vonnis zijn voldaan.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, nader ingegaan.
overwegingen

4

4.1.
De curator grondt zijn primaire vordering op artikel 2:248 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zijn subsidiaire vordering grondt hij primair op artikel 2:9 BW en subsidiair op artikel 6:162 BW. De curator legt aan beide vorderingen ten grondslag dat Inventerra haar taak als bestuurder van Split onbehoorlijk heeft vervuld. Hij stelt daartoe dat Inventerra reeds in 2012 had moeten overgaan tot liquidatie en vereffening van het vermogen van Split dan wel had moeten aansturen op een faillissement. Ondanks de kritieke financiële situatie heeft zij de vennootschap laten voortbestaan, de schulden- en rentelasten laten oplopen en de laatste bekende activa aan het vermogen van Split onttrokken: de centrifuges zijn verdwenen en het schikkingsbedrag is ten goede gekomen aan [naam bedrijf gedaagde] . Omdat de plotselinge afwaardering van de centrifuges op de balans niet in de administratie van Split is verantwoord en het schikkingsbedrag geheel buiten de boeken is gebleven, heeft Inventerra niet aan haar boekhoudplicht voldaan. Per 1 juni 2016 heeft Inventerra zich in het handelsregister laten uitschrijven als bestuurder van Split en de vennootschap daarmee stuurloos aan haar lot overgelaten. Nadien heeft zij zich verzet tegen de pogingen van de andere aandeelhouders om het faillissement van Split te bewerkstelligen. Aan informatieverzoeken van de andere aandeelhouders heeft Inventerra evenmin voldaan. Volgens de curator rust de aansprakelijkheid van Inventerra tevens hoofdelijk op haar (indirect) bestuurders, [naam bedrijf gedaagde] en [gedaagde] .
4.2.
[gedaagde] c.s. voert aan dat de activiteiten van Split altijd een hoog experimenteel karakter hebben gehad en nimmer van de grond zijn gekomen. De vennootschap leed reeds sinds lange tijd een slapend bestaan, zodat de wijze waarop Inventerra haar taak heeft vervuld niet kan hebben geleid tot het faillissement van Split. Indien het faillissement van Split in 2012 op verzoek van Inventerra was uitgesproken, waren de rentelasten blijven doorlopen. [gedaagde] c.s. betwist dat Inventerra de centrifuges aan het vermogen van Split heeft onttrokken. [naam bedrijf gedaagde] heeft de enige resterende centrifuges in 2016 voor een reële prijs van Split gekocht. De afwaardering van de centrifuges op de balans is dus volstrekt legitiem geweest. De administratie van Inventerra voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het ten aanzien van het schikkingsbedrag door de curator gestelde kan niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde] c.s. leiden, omdat dit te lang geleden is. Ook het handelen na 1 juni 2016 heeft het faillissement van Split niet veroorzaakt.
4.3.
Artikel 2:248 lid 1 BW bepaalt dat in geval van faillissement van de vennootschap iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Er is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. Indien het bestuur niet aan de boekhoudplicht van artikel 2:10 BW heeft voldaan, heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (lid 2). De vordering kan slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement (lid 6).
4.4.
De curator stelt dat Inventerra niet aan haar boekhoudplicht heeft voldaan, zodat vaststaat dat Inventerra haar taak onbehoorlijk heeft vervuld en vermoed wordt dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Hij betoogt dat voor de gang van zaken rondom het schikkingsbedrag en de centrifuges maar ook overigens geldt dat Inventerra de administratie van Split niet op zodanige wijze heeft gevoerd dat te allen tijde haar rechten en verplichtingen konden worden gekend. Met [gedaagde] c.s. is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van de curator de conclusie dat Inventerra in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement niet aan de boekhoudplicht van artikel 2:10 BW heeft voldaan niet kunnen rechtvaardigen. Alhoewel Inventerra niet heeft weersproken dat het schikkingsbedrag buiten de boeken van Split is gebleven, valt dit nalaten buiten de betreffende driejaarstermijn. De afwaardering van de centrifuges op de balans leidt evenmin tot een schending van de boekhoudplicht. Zoals hierna in 4.8 zal worden overwogen, is aannemelijk dat de centrifuges op dat moment geen reële waarde meer hadden, zodat de afwaardering legitiem was. Voor zover de curator heeft gesteld dat ook overigens niet aan de boekhoudplicht is voldaan, is deze stelling onvoldoende gemotiveerd. Gelet op het vorenstaande wordt aan de wettelijke vermoedens van artikel 2:248 lid 2 BW niet toegekomen, zodat beoordeeld dient te worden of Inventerra op grond van artikel 2:248 lid 1 BW aansprakelijk is voor het boedeldeficit.
4.5.
De curator betoogt dat Inventerra op grond van artikel 2:248 lid 1 BW aansprakelijk is, omdat zij de onderneming vanaf 2012 heeft laten voortbestaan. Dit verwijt kan niet tot de conclusie leiden dat Inventerra haar bestuurstaak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Niet weersproken is dat de activiteiten van Split nimmer van de grond zijn gekomen en vanaf het begin een experimenteel karakter hebben gehad. Er is veel geld geïnvesteerd in de centrifuges, maar het is niet gelukt om deze technisch en commercieel exploitabel te maken. De onderneming van Split is er daardoor niet in geslaagd om met de bedrijfsmiddelen voldoende inkomsten te verwerven. De kosten overstegen steeds de baten en ook voor de toekomst viel niet te verwachten dat alsnog substantiële baten zouden worden verworven.
4.6.
De curator heeft in dit verband nog aangevoerd dat indien Inventerra het faillissement van Split in 2012 had aangevraagd daarmee een bedrag van € 130.000,00 aan schulden- en rentelasten bespaard was gebleven. De rechtbank begrijpt dat de curator daarmee doelt op de rente die thans door Split verschuldigd is over de schuld aan ING. De stelling van de curator rechtvaardigt evenmin de conclusie dat Inventerra haar taak onbehoorlijk heeft vervuld. Ook in het geval van een faillissement blijven rentelasten doorlopen, zodat Inventerra dit met een faillissementsaanvraag niet had kunnen voorkomen. Voor zover de curator heeft willen betogen dat de schulden met een faillissement van Split in 2012 volledig hadden kunnen worden voldaan uit de opbrengst van de centrifuges en het schikkingsbedrag, is niet aannemelijk dat de centrifuges in 2012 nog enige waarde vertegenwoordigden (zie 4.8 hierna). Enkel het schikkingsbedrag was ontoereikend om een faillissement te kunnen voorkomen. Het vorenstaande leidt derhalve evenmin tot aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 lid 1 BW. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] c.s. heeft de curator voorts onvoldoende gesteld om toewijzing van het subsidiair gevorderde bedrag van € 130.000,00 op grond van artikel 2:9 BW of artikel 6:162 BW te kunnen rechtvaardigen.
4.7.
De curator stelt voorts dat Inventerra haar taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, omdat zij zich per 1 juni 2016 als bestuurder van Split heeft laten uitschrijven, zich nadien heeft verzet tegen de pogingen van de andere aandeelhouders om het faillissement van Split aan te vragen en niet heeft voldaan aan informatieverzoeken van die aandeelhouders. Deze stellingen, en in het bijzonder het verwijt dat [gedaagde] c.s. heeft getracht het faillissement van Split tegen te houden, kunnen niet leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 lid 1 BW. Alhoewel dit handelen betrekking heeft op de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement, is niet aannemelijk dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.
4.8.
De centrifuges hebben onder verantwoordelijkheid van Inventerra heel lang voor de (volledige) aanschafwaarde op de balans van Split gestaan. Uiteindelijk heeft Inventerra ervoor gekozen om de centrifuges, althans hetgeen daarvan resteerde, op de balans af te waarderen tot een restwaarde van (vrijwel) nihil. De rechtbank acht het echter evident dat de centrifuges reeds vele jaren, waarschijnlijk al vanaf de aanvang, niet de waarde vertegenwoordigden waarvoor zij nog op de balans van de vennootschap stonden. In de praktijk was inmiddels gebleken dat alle pogingen om de machines technisch en commercieel succesvol in te zetten relatief weinig hadden opgeleverd en uiteindelijk niets meer opleverden. Bovendien is niet in geschil dat de centrifuges in het verleden in opdracht van Split zijn vervaardigd door een onderneming die inmiddels, na een faillissement, niet meer bestaat. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de centrifuges op het moment van afwaarderen nog enige waarde vertegenwoordigden. De curator heeft weliswaar enkele stellingen geponeerd over de (rest)waarde van de centrifuges, maar die zijn door [gedaagde] c.s. gemotiveerd betwist. In het kader daarvan heeft de curator zijn stellingen omtrent de (rest)waarde van de centrifuges onvoldoende gemotiveerd. Het vorenstaande leidt niet tot aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 lid 1 BW. De curator heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] c.s. ook onvoldoende gesteld om toewijzing van het subsidiair gevorderde bedrag van € 498.978,00 op grond van artikel 2:9 BW of artikel 6:162 BW te kunnen rechtvaardigen.
4.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] het aan Split toebehorende schikkingsbedrag op 21 juni 2012 heeft laten overboeken naar [naam bedrijf gedaagde] . Daarmee is het schikkingsbedrag aan het vermogen van Split onttrokken, terwijl op dat moment reeds duidelijk was dat haar crediteuren niet (volledig) zouden kunnen worden voldaan. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [gedaagde] er weliswaar op gewezen dat hij het ook mogelijk heeft gemaakt om de vordering van Split op Cincq te incasseren door daartoe de noodzakelijke middelen ter beschikking te stellen, maar in de gegeven omstandigheden rechtvaardigt dat niet de wijze waarop hij dit actief volledig ten gunste van zichzelf heeft laten komen. Daarbij komt dat het schikkingsbedrag in eerste instantie is overgemaakt naar een zakelijke relatie van [gedaagde] , Melkveebedrijf Kelstein vof, en vervolgens, nadat deze het bedrag had teruggestort naar de advocaat van Split, is overgeboekt naar [naam bedrijf gedaagde] . Bovendien heeft [gedaagde] betoogd dat de vordering van Split was verpand aan ING, zodat het ook al om die reden voor hem duidelijk diende te zijn dat het hem niet vrijstond om het geïncasseerde bedrag volledig aan zichzelf te laten uitbetalen. Het schikkingsbedrag was dan immers bestemd voor de aflossing van (een gedeelte van) de schuld aan ING.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank was het handelen van [gedaagde] c.s. met betrekking tot het schikkingsbedrag niet zuiver. Dit rechtvaardigt echter niet de conclusie dat Inventerra op grond van artikel 2:248 lid 1 BW wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling jegens de boedel aansprakelijk is voor het tekort. Het betreffende handelen heeft immers niet plaatsgevonden in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement, maar ruim daarvoor.
4.11.
Voor artikel 2:9 BW geldt niet de driejaarstermijn van artikel 2:248 lid 6 BW. Ten aanzien van het schikkingsbedrag is de rechtbank van oordeel dat Inventerra als bestuurder van Split een ernstig verwijt treft. Met het onttrekken van het schikkingsbedrag aan het vermogen van Split is immers sprake van een onmiskenbare, duidelijke tekortkoming, die leidt tot aansprakelijkheid van Inventerra als bedoeld in artikel 2:9 BW. De aansprakelijkheid van Inventerra als bestuurder van Split rust op grond van artikel 2:11 BW tevens hoofdelijk op [naam bedrijf gedaagde] en [gedaagde] , nu zij ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid (indirect) bestuurder waren van Inventerra.
4.12.
De rechtbank verwerpt het door [gedaagde] c.s. gedane beroep op verjaring. [gedaagde] c.s. heeft aangevoerd dat op 21 juni 2012 een verjaringstermijn van vijf jaren is gaan lopen, zodat de vordering reeds zou zijn verjaard voor het faillissement van Split op 15 augustus 2017. Tussen rechtspersonen en haar bestuurders bestaat echter een grond voor verlenging van de verjaring (artikel 3:321 lid 1 aanhef en onder d BW). [gedaagde] c.s. heeft zich erop beroepen dat deze verlengingsgrond niet van toepassing is, omdat Inventerra zich per 1 juni 2016 als bestuurder van Split heeft teruggetrokken. Het gevolg daarvan was echter dat de vennootschap zonder bestuurder achterbleef. Vanaf dat moment heeft Inventerra vanuit haar hoedanigheid als aandeelhouder trachten te voorkomen dat Split in staat van faillissement zou worden verklaard. Vanuit diezelfde hoedanigheid heeft Inventerra het ertoe trachten te leiden dat door de andere aandeelhouders zou worden geopteerd voor een zogenoemde turbo-liquidatie. Voor zover in een dergelijk geval door tijdsverloop een beroep zou kunnen worden gedaan op verjaring, dient een dergelijk beroep te worden verworpen, nu dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
4.13.
Gelet op het vorenstaande zal de subsidiair gevorderde schadevergoeding tot een bedrag van € 89.082,00 worden toegewezen. Voor zover [gedaagde] c.s. heeft willen aanvoeren dat het in aanmerking te nemen schadebedrag lager is dan het schikkingsbedrag, heeft hij zijn betwisting van de omvang van de schade onvoldoende gemotiveerd.
4.14.
De curator heeft over het toe te wijzen bedrag van € 89.082,00 de wettelijke rente gevorderd met ingang van 7 maart 2012. De rechtbank begrijpt dat de curator ten aanzien van de ingangsdatum aansluiting heeft gezocht bij het moment waarop [gedaagde] de advocaat van Split per e-mail zou hebben verzocht om het schikkingsbedrag over te boeken naar Melkveebedrijf Kelstein vof. Aangezien [gedaagde] heeft weersproken dat hij een dergelijk verzoek aan de advocaat zou hebben gericht en de curator de door hem genoemde e-mail van 7 maart 2012 niet in het geding heeft gebracht, ziet de rechtbank aanleiding om uit te gaan van het moment waarop het schikkingsbedrag aan [naam bedrijf gedaagde] is overgemaakt en dus opeisbaar was. De gevorderde wettelijke rente zal als onweersproken worden toegewezen met ingang van 21 juni 2012 tot de dag van volledige betaling.
4.15.
De rechtbank begrijpt dat de curator de beslagkosten van [gedaagde] c.s. wil terugvorderen. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 3.028,50 voor verschotten en € 1.074,00 voor salaris advocaat (1 punt × tarief iv van € 1.074,00).
4.16.
[gedaagde] c.s. zal als de grotendeels in de hoofdzaak en in het incident in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag in de hoofdzaak wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van de curator op basis van het toegewezen bedrag op: - dagvaarding: € 92,15- griffierecht: € 1.565,00- salaris advocaat incident € 543,00 (1 punt × tarief ii van € 543,00)- salaris advocaat hoofdzaak: € (2 punten × tarief iv van € 1.074,00) totaal € 4.348,15
De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten zullen worden toegewezen als na te melden.

4.17.
[gedaagde] c.s. zal hoofdelijk in de hoofd- en nevenvorderingen worden veroordeeld, nu dit niet in strijd is met de wet en niet door [gedaagde] c.s. is weersproken.
4.18.
[gedaagde] c.s. voert verweer tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dat brengt met zich dat de belangen van partijen dienen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staan op zichzelf niet in de weg aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar moeten (slechts) worden meegewogen.
4.19.
[gedaagde] c.s. heeft betoogd dat de tenuitvoerlegging van het vonnis onomkeerbare gevolgen zal hebben, nu er is sprake van een negatieve boedel. Dat belang weegt in dit geval zwaarder dan het belang van de curator bij de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zodat het verweer van [gedaagde] c.s. ten aanzien van de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad slaagt.
beslissing

5

De rechtbank
in de hoofdzaak

5.1.
veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de curator ten behoeve van de boedel van een schadevergoeding van € 89.082,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 21 juni 2012 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 4.102,50,
in de hoofdzaak en in het incident

5.3.
veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 4.348,15, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2019.[2971/1729]