Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:6471

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 09-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:6471, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/180108-19


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

POLITIERECHTER

Team straf

Parketnummer: 10/180108-19Datum uitspraak: 09 augustus 2019Tegenspraak
Vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, in de zaak tegen de verdachte :

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , raadsman mr. M.B. Visser, advocaat te Dordrecht.

ECLI:NL:RBROT:2019:6471:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

POLITIERECHTER

Team straf

Parketnummer: 10/180108-19Datum uitspraak: 09 augustus 2019Tegenspraak
Vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, in de zaak tegen de verdachte :

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , raadsman mr. M.B. Visser, advocaat te Dordrecht.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 09 augustus 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging luidt als volgt:
hij, op of omstreeks 25 juli 2019 te Rotterdam, een ambtenaar, te weten , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten als van politie Eenheid Rotterdam,heeft mishandeld door hem (met kracht en met geschoeide voet) te trappen in de buik en/of de onderrug althans op/tegen het lichaam terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gekneusde nier en/of een bloeduitstorting op de nier ten gevolge heeft gehad;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )
3

De officier van justitie mr. L.H.J. Verheijden heeft gevorderd:
-

vrijspraak van het als strafverzwarend gevolg ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel;

bewezenverklaring van de mishandeling van [naam aangever] ;

veroordeling van [naam verdachte] tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de dagen die [naam verdachte] in verzekering heeft doorgebracht.

4

De raadsman van [naam verdachte] , mr. Visser, heeft zich – samengevat en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat [naam aangever] niet handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zodat van mishandeling van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van die bediening geen sprake kan zijn. Voorts heeft de raadsman bepleit dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De raadsman heeft verzocht [naam verdachte] van deze twee strafverzwarende omstandigheden vrij te spreken.
De raadsman heeft voorts bepleit dat [naam verdachte] zou moeten worden ontslagen van rechtsvervolging nu het handelen van [naam verdachte] moet worden gezien als noodweer tegen het optreden door [naam aangever] . Indien dat niet wordt aangenomen door de politierechter, dan moet het handelen van [naam verdachte] worden beschouwd als noodweerexces. Het handelen van [naam verdachte] dat verder gaat dan voor zijn verdediging noodzakelijk was maar dat wordt veroorzaakt door de emotionele toestand waarin [naam verdachte] door de situatie verkeerde, maakt dat [naam verdachte] niet strafbaar is en daarom ook moet leiden tot ontslag van rechtsvervolging, aldus de raadsman.

5

5.1.
Inhoud dossier / camerabeelden

De raadsman van [naam verdachte] heeft verzocht beelden ter zitting te bekijken. De politierechter begrijpt dat dit zou dienen ter ondersteuning van de verweren van de raadsman. Ter zitting heeft de raadsman meegedeeld dat dit het verzoek van [naam verdachte] was en dat het niet meer per se nodig was. Gelet op de door de politierechter te nemen beslissing, is afgezien van het bekijken van de beelden.Aan het dossier was toegevoegd een vordering van de benadeelde partij waarmee [naam aangever] een schadevergoeding eiste van [naam verdachte] . Bij die vordering was een onderbouwing gevoegd waarin onder meer het letsel is toegelicht.
5.2.
Bewijswaardering ten aanzien van het letsel bij [naam aangever]

5.2.1.
Zwaar lichamelijk letsel

A. door [naam aangever] (nummer [nummer proces-verbaal 1] ), waarin de [naam aangever] onder meer heeft verklaard:
Brief d.d. 26 juli 2019 van de uroloog

Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben verzocht [naam verdachte] vrij te spreken van de strafverzwarende omstandigheid dat het feit zwaar lichamelijk letsel voor [naam aangever] tot gevolg heeft gehad. Om te beoordelen of dat zo is, heeft de politierechter de volgende stukken in zijn beoordeling betrokken:

Toen ik op vrijdag 26 juli 2019 omstreeks 02:00 uur naar de WC ging zag ik dat mijn urine donkerbruin was. Voor ik naar mijn bed ging besloot ik toch nog even te plassen om te controleren hoe de kleur van mijn urine was. Ik zag dat mijn urine helder rood van kleur was. Op vrijdag 26 juli 2019 werd in het ziekenhuis te Gouda vastgesteld dat er bloed in mijn urine zat. Tevens werd tijdens dit onderzoek vastgesteld dat mijn rechter nier gekneusd is en dat er een bloeduitstorting zichtbaar is op de onderzijde van mijn rechter nier.
Anamnese: Werkt bij de politie Rotterdam, gisteravond 22.00 bij aanhouding [naam verdachte] in de onderrug geschopt. Niet direct door gehad, later op de avond zeurderige pijn rechts en bloed in de urine opgemerkt. Via camerabeelden hebben collega's gezien dat pt in de rug werd geschopt door [naam medeverdachte] . Rond 2 uur 's nachts geplast, met wat donkere urine. Later thuis geplast en toen echt rode urine. Vanochtend rond half 9 was urine nog donker, maar lichter dan eerder. Verder geen pijn opgemerkt bij plassen.
[naam uroloog]

Tijdens trap wel beschermend vest. behoudens beurs gevoel GB. Urine helderder.Lichamelijk onderzoek: Nierloges GBAanvullend onderzoek: Echo voorlopig mondeling verslag radioloog: mogelijk haematoom onderpool, Urine a.o: macroscopisch vrijwel helder. Conclusie: Mogelijk dus haematoom R nier.
5.2.2.
Vastgesteld letsel of pijn

Proces-verbaal aangifte

Zelf heb ik niets gemerkt van de klappen en de trappen die [naam medeverdachte] op mijn rug uitvoerde. De reden dat ik niets van het uitgeoefende geweld van [naam medeverdachte] heb gemerkt wijd ik aan het feit dat ik tijdens de worsteling met [naam verdachte] bijzonder gefocust was op het onder controle krijgen van [naam verdachte] ik een bepaalde dosis stress ervoer en ik beïnvloed werd door adrenaline. Na de de-briefing begon ik met het opmaken van mijn proces verbaal van bevindingen. Ik ontwikkelde gaandeweg de daarop volgende uren een toename van pijn in mijn rug.
Een brief d.d. 01 augustus 2019 van de gemachtigde

Tijdens de debriefing aan het bureau werd hem verteld dat hij in zijn rug is getrapt. Op het moment zelf heeft hij daar niets van gemerkt. Later aan het bureau krijgt hij langzaam pijn in zijn rug met uitstraling naar de rechterzijde. Op advies van de arts draait benadeelde bureaudiensten.
5.2.3.
Tussenconclusie 1:

Op grond van deze informatie moet worden geconcludeerd dat er voldoende wettig bewijs is dat bij [naam aangever] pijn is ontstaan en dat er letsel is. Immers, indien bloed wordt geplast en na onderzoek door een deskundige wordt geconcludeerd dat er mogelijk sprake is van een haematoom (bloeduitstorting) aan de rechter nier, is aannemelijk dat er sprake is van letsel. Verder heeft [naam aangever] verklaard pijn in zijn rug te hebben ervaren, enige tijd na het incident met [naam verdachte] en [naam medeverdachte] .
Gelet echter op de conclusie van dat arts dat er geen bijzonderheden (GB) zijn vastgesteld aan de nierloges, dat volgens hem ook de radioloog heeft geconcludeerd dat er mogelijk een haematoom is en op de toelichting dat [naam aangever] bureaudiensten draait, maar niet blijkt dat sprake is van het niet kunnen uitoefenen van beroep gedurende geruime tijd, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor van zwaar lichamelijk letsel. Dat [naam aangever] heeft verklaard dat in het ziekenhuis is gezegd dat er sprake was van een gekneusde nier, weegt niet op tegen de conclusie van de arts.De eerste tussenconclusie is dan ook dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Wel is vast komen te staan dat [naam verdachte] pijn zijn rug heeft gehad en enig letsel heeft opgelopen aan zijn nier. Nu uit de aangifte niet anders blijkt en ook in het proces-verbaal van bevindingen niet anders is opgenomen, is niet aannemelijk dat er sprake is van ander letsel of andere pijn dan die in de rug.
5.3.
Bewijswaardering ten aanzien van het handelen van [naam verdachte]

5.3.1.
In het dossier is ten aanzien van het handelen van [naam verdachte] opgenomen:

A. door [naam aangever] (nummer [nummer proces-verbaal 1] ), waarin onder meer als verklaring van [naam aangever] is opgenomen:
Proces-verbaal bevindingen [naam aangever]

Achter het stuur zag ik een man zitten. De kennelijke bestuurder bleek later te zijn genaamd: [naam verdachte] . Ik duwde [naam verdachte] van mij weg om mij los te maken. [naam verdachte] bleef doorgaan met zijn dreigende houding waarbij hij wederom op mij instapte. Ik riep dat hij was aangehouden. Daarbij pakte ik [naam verdachte] vast om hem daadwerkelijk aan te houden. Hierop startte een heftige worsteling tussen mij en [naam verdachte] . Ik voelde op datzelfde moment dat een tweede man, gekleed in een wit t-shirt, die eerder als bijrijder in het voertuig zat mij bij mijn rechterarm greep. Ik voelde dat deze man, die later bleek te zijn genaamd [naam medeverdachte] , aan mij stond te rukken met het kennelijke doel [naam verdachte] te bevrijden uit onze worsteling en hem te onttrekken aan zijn aanhouding.
Proces-verbaal bevindingen camerabeelden

Proces-verbaal bevindingen camerabeelden

Proces-verbaal bevindingen ter plaatse

Proces-verbaal verklaring [naam verdachte] bij politie

Verklaring van [naam verdachte] ter terechtzitting

U vraagt mij of ik geschopt heb naar de politieman. Ja. Ik ben naar voren gestapt en heb hem een trap gegeven in zijn buik of zijn zij. Het was een halve trap. U vraagt mij wat ik daarmee bedoel. Ik noem het een halve trap, omdat het niet veel effect had.
Op donderdag 25 juli 2019 omstreeks 22:00 uur hield ik [naam verdachte] , aan ter zake het niet opvolgen van een vordering en ter zake belemmering. [naam verdachte] was gekleed in een grijs t-shirt. Ik stond met mijn linker lichaamszijde ter hoogte van het geopende portier. Ik keek in de richting va de achterzijde van het motorvoertuig. [naam verdachte] stond op dat moment dicht tegenover mij. [naam verdachte] stond met zijn rechterzijde ter hoogte van het geopende portier en keek in de richting van de voorzijde van het voertuig. Rechts achter mij stond de vriend van [naam verdachte] , [naam medeverdachte] . [naam medeverdachte] was gekleed in een wit t-shirt. Op het moment dat ik [naam verdachte] ging aanhouden stapte ik naar voren in de richting van [naam verdachte] . Op dat moment is de [naam medeverdachte] achter mij aangelopen tijdens de worsteling die ik met [naam verdachte] had en heeft hij mij meerdere klappen en trappen in mijn rug gegeven ten einde zijn vriend te onttrekken aan zijn aanhouding.Zelf heb ik niets gemerkt van de klappen en trappen die [naam medeverdachte] op mijn rug uitvoerde. De reden dat ik niets van het uitgeoefende geweld van [naam medeverdachte] heb gemerkt wijd ik aan het feit dat ik tijdens de worsteling met [naam verdachte] bijzonder gefocust was op het onder controle krijgen van [naam verdachte] , ik een bepaalde dosis stress ervoer en ik beïnvloed werd door de adrenaline.Op het bureau vertelden de collega’s [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] dat zij die avond de beelden van het incident hadden meegekeken. [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] spraken tegenover mij zeer gedetailleerd uit dat zij [naam verdachte] met het witte t-shirt, die later bleek te zijn genaamd [naam medeverdachte] , met meer dan geringe kracht meerdere trappen en klappen hadden zien uitdelen op mijn rug tijdens de worsteling die ik uitvoerde met [naam verdachte] , gekleed in het grijze t-shirt. [naam verbalisant 1] sprak daarbij zijn verbazing tegenover mij uit over het feit dat ik zichtbaar niet reageerde op deze geweldsuitbarsting door [naam medeverdachte] .
Op 25 juli 2019 waren wij, [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1] , dienstdoende als wachtcommandanten op het politiebureau. Op onze werkplek hebben wij meerdere beeldschermen die wij moeten uitkijken. Omstreeks 21.20 uur zag ik (opmerking politierechter: de verbalisant is hierbij niet aangeduid) dat er beelden werden doorgeschakeld van de locatie [plaats delict] te Rotterdam. Wij zagen dat vier personen in de nabijheid van een motorvoertuig stonden. Signalement man 1:-Grijs tshirt.Signalement man 2:Witte tshirt;Wij zagen dat man 1 meerdere malen met een ballon aan zijn mond stond. Wij zagen dat man 1 in het voertuig stapte en plaats nam achter het stuur. Wij zagen op de camerabeelden dat de collega’s [naam aangever] en [naam verbalisant 4] ter plaatse kwamen. Wij zagen dat man 1 naast het voertuig stond aan de bestuurderszijde ter hoogte van het achterportier. Wij zagen dat man 2 ter hoogte van de motorkap stond aan de bestuurderszijde. Wij zagen dat collega [naam aangever] in de opening van het bestuurdersportier ging staan.Wij zagen dat collega [naam aangever] man 1 tegen het voertuig drukte. Wij zagen dat man 1 zich verweerde en slaande bewegingen maakte in de richting van collega [naam aangever] . Wij zagen dat man 2 handelingen uitvoerde welke de werkzaamheden van collega [naam aangever] belemmerden. Ik, [naam verbalisant 1] , zag dat man 2 collega [naam aangever] van achteren aanviel en schopte en sloeg. Wij zagen dat man 1 wegliep in de richting van de Saftlevenstraat . Ik, [naam verbalisant 2] , hoorde van Team Technisch Toezicht dat man 2 daadwerkelijk geweld tegen de politie had gebruikt. Wij zagen dat man 2 zich nog op de plaats van het incident bevond. Wij zagen dat man 2 ook werd aangehouden.
Ik zag een man met een grijs t-shirt aan de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam Ik herkende de man alszijnde [naam verdachte] . Ik zag tegenover [naam verdachte] een man staan gekleed in een wit-shirt. Ik herkende de man alszijnde [naam medeverdachte] .Ik zag dat [naam medeverdachte] met zijn hand een duw gaf. Ik zag dat [naam medeverdachte] hierdoor een stap achterwaarts deed. Ik zag dat [naam medeverdachte] met beide handen de onderarm van de mannelijke collega vastpakte. Ik zag vervolgens dat [naam verdachte] op de mannelijke collega inliep en een trappende beweging met zijn linkerbeen maakte in de richting van de mannelijke collega. Ik zag dat de mannelijke collega ter hoogte van zijn buik werd geraakt. Ik zag hierop dat [naam verdachte] van de mannelijke collega wegliep. Ik zag dat ook [naam medeverdachte] van de mannelijke collega wegliep.
Ik zag dat de man aan de bestuurderskant een opgeblazen ballon in zijn hand hield. Ik zag dat hij deze ballon aan zijn mond deed en aan het inhaleren was. Ik zag dat verbalisant [naam aangever] de man aan bestuurderskant aansprak. Deze man bleek later te zijn genaamd: [naam verdachte] . Ik zag dat hij meerdere malen een ballon aan zijn mond deed en inhaleerde. [naam verdachte] bleef verbaal agressief naar verbalisant [naam aangever] . Ik zag dat de bijrijder ook uitgestapt was. De bijrijder bleek later te zijn genaamd: [naam medeverdachte] .Ik zag dat [naam verdachte] tegen verbalisant [naam aangever] aan ging staan. Ik zag dat [naam medeverdachte] aan de andere kant van verbalisant [naam aangever] ging staan. Ik zag dat verbalisant [naam aangever] [naam verdachte] een duw gaf om ruimte te creëren en tegen [naam verdachte] riep dat hij was aangehouden. Hierop ontstond een worsteling tussen [naam verdachte] en verbalisant [naam aangever] . Ik zag dat [naam medeverdachte] zich met de aanhouding wilde bemoeien. Ik heb [naam medeverdachte] meermalen gevorderd dat hij afstand moest houden. Dit deed hij niet. Hij bleef telkens weer terugkomen. Ik zag dat verbalisant [naam aangever] zijn wapenstok getrokken had en [naam verdachte] een aantal keer op zijn bovenarm sloeg. Het bleef een hectische situatie omdat [naam medeverdachte] zich ermee bleef bemoeien.
Ik nodigde een vriend, [naam medeverdachte] , uit in de auto. Ik zag dat twee politieagenten uitstapten. Het waren een man en een vrouw. De man kwam bij mij. Hij trok aan mijn handen en wilde mij neerhalen. Ik wilde mij lostrekken. Zijn collega bleef heel rustig. Hij pakte zijn stok en sloeg mij meerdere keren.Opmerking: verbalisanten laten [naam verdachte] een fragment zien van de camerabeelden.De vrouwelijke blijft rustig en de man draait door. Vraag: De mannelijke agent verklaarde ook dat hij getrapt is door jou, wat kan je daarover verklaren?We zijn het erover eens dat hij geschopt is. Dat is actie-reactie. Ik kreeg zulke harde klappen. Die trap is een reactie, daar dacht ik niet over na.
5.3.2.
Tussenconclusie 2

Uit de hiervoor onder A tot en met G aangehaalde verklaringen en bevindingen volgt dat [naam verdachte] ook wel man 1 wordt genoemd en dat hij gekleed was in een grijs t-shirt. Tevens volgt daaruit dat de [naam medeverdachte] als man 2 wordt aangeduid en dat hij gekleed was in een wit t-shirt. Tevens blijkt uit de diverse processen-verbaal van meerdere verbalisanten dat [naam verdachte] , man 1, op de bestuurdersplaats van de auto heeft gezeten en [naam medeverdachte] , man 2, op de bijrijdersplaats, alsmede dat [naam verdachte] een aantal ballonen aan zijn mond heeft gezet. Een verwisseling van personen is op grond van al deze bevindingen uitgesloten.

Uit de verklaring van [naam verdachte] bij de politie en ter zitting afgelegd, volgt dat [naam verdachte] een trap of schop heeft gegeven in de richting van [naam aangever] . [naam verdachte] bestrijdt dat niet. Over de plaats waar die trap [naam aangever] geraakt heeft schrijft [naam verbalisant 3] , die de camerabeelden heeft bekeken, dat [naam aangever] werd geraakt “ter hoogte van zijn buik”. [naam verdachte] heeft verklaard dat hij met een trap die niet effectief was, [naam aangever] heeft geraakt in zijn buik of in zijn zij.

[naam aangever] verklaart zowel in zijn aangifte (A) als in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (B) niets over waar een schop van [naam verdachte] hem zou hebben geraakt. Hij verklaart in zijn aangifte zeer stellig dat [naam medeverdachte] achter hem aan kwam en hem meerdere klappen en trappen op zijn rug heeft gegeven. Voorts verklaart hij dat het hij door [naam medeverdachte] uitgeoefende geweld niet heeft gemerkt. Verder merkt [naam aangever] op dat zijn collega’s die de camerabeelden hadden uitgekeken hem hebben verteld dat hij zichtbaar niet reageerde op de geweldsuitbarsting door [naam medeverdachte] . [naam aangever] verklaart niets over een trap of schop door [naam verdachte] .De lezing van [naam aangever] is ook beschreven door verbalisanten 1 en 2 in het door hen opgemaakte proces-verbaal waarin zij beschrijven wat zij zagen op de camerabeelden (C). In dat proces-verbaal is onder meer opgenomen: “Wij zagen dat man 2 handelingen uitvoerde welke de werkzaamheden van collega [naam aangever] belemmerden. Ik, [naam verbalisant 1] , zag dat man 2 collega [naam aangever] van achteren aanviel en schopte en sloeg.”
Deze waarneming past bij hetgeen [naam aangever] zelf heeft verklaard maar ook bij de waarnemingen van andere verbalisanten, [naam aangever] en [naam verdachte] . Het overgrote deel van de tijd lijken [naam verdachte] en [naam aangever] tegenover elkaar te hebben gestaan en met elkaar in gevecht te zijn geweest of te hebben geworsteld. Daarbij past de verklaring van [naam verdachte] dat hij [naam aangever] heeft geschopt en geraakt in zijn buik of zij, hetgeen ook bevestigd wordt door de bevindingen van [naam verbalisant 3] zoals beschreven in het door die verbalisant opgemaakt proces-verbaal (D).

Gelet op het voorgaande moet als meer dan waarschijnlijk worden aangenomen dat [naam medeverdachte] [naam aangever] in zijn rug heeft aangevallen en hem meerdere klappen en trappen heeft gegeven, waarbij hij dat deed “met meer dan geringe kracht”. Voorts moet als vaststaand worden aangenomen dat [naam verdachte] slaande bewegingen naar [naam aangever] heeft gemaakt en dat hij naar [naam aangever] heeft geschopt waarbij die schop [naam aangever] in de buik heeft geraakt dan wel in de zij. In elk geval blijkt niet dat [naam verdachte] [naam aangever] in zijn (onder)rug heeft geschopt.

De tweede tussenconclusie is dan ook dat niet kan worden vastgesteld dat [naam verdachte] geweld heeft gepleegd dat [naam aangever] op zijn rug heeft getroffen.

5.4.
Bewijswaardering ten aanzien van de tenlastegelegde mishandeling

5.4.1.
Bewezenverklaring van mishandeling

Aan [naam verdachte] is ten laste gelegd dat hij [naam aangever] heeft mishandeld. Aan hem is niet ten laste gelegd dat hij dat feit samen met [naam medeverdachte] heeft gepleegd of dat hij openlijk geweld tegen [naam aangever] heeft gepleegd. In die gevallen kan, tot op bepaalde hoogte, letsel of pijn waarvan vaststaat dat dit is veroorzaakt door het strafbare feit, aan beiden worden toegerekend. Nu de tenlastelegging ziet op mishandeling door [naam verdachte] alleen gepleegd, zal buiten redelijke twijfel moeten worden vastgesteld dat de door [naam verdachte] gepleegde geweldshandelingen hebben geleid tot het door de [naam aangever] beschreven letsel en pijn.
5.4.2.
Beoordeling

De vraag die beantwoord moet worden, is of het handelen van [naam verdachte] , dat op grond van het dossier vast is komen te staan, heeft geleid tot de door [naam aangever] genoemde gevolgen. Daarvoor is van belang hetgeen is geconcludeerd in de tweede tussenconclusie. Vast te stellen is dat [naam verdachte] [naam aangever] heeft geschopt maar dat die schop waarschijnlijk [naam aangever] buik heet geraakt. Indien er slechts die vaststelling was en de verklaring van [naam aangever] dat hij pijn en letsel heeft opgelopen, zou dat kunnen leiden tot de conclusie dat [naam verdachte] die pijn en dat letsel heeft veroorzaakt. Meer dan aannemelijk en zelfs meer dan waarschijnlijk op grond van het dossier is echter dat [naam medeverdachte] [naam aangever] in de rug heeft geschopt en geslagen. Daardoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het letsel en de pijn zijn veroorzaakt door het handelen van [naam verdachte] . Er blijft meer dan geringe twijfel gelet op de rol van [naam medeverdachte] .

Daarbij past de algemene ervaringsregel dat letsel aan een nier en pijn in de rug meer waarschijnlijk het gevolg zijn van klappen en trappen in de rug dan van een schop in de buik. Het laatste in niet onmogelijk maar in dit geval, gelet op de beschrijving van de camerabeelden en de omstandigheid dat [naam aangever] niets heeft verklaard over pijn in of letsel aan zijn buik, zeer onwaarschijnlijk.

5.5.
Conclusies van de politierechter

Gelet op hetgeen de politierechter hierboven heeft overwogen, komt hij tot de volgende conclusies.
Dat tegen [naam aangever] geweld is gebruikt bij zijn poging om [naam verdachte] aan te houden staat vast. Tevens staat vast dat [naam verdachte] daarin een aandeel heeft gehad door [naam aangever] een schop te geven. Er blijft echter grote twijfel of die schop van [naam verdachte] heeft geleid tot de voor [naam aangever] nare gevolgen, pijn in zijn rug en letsel aan een nier. Op grond van het dossier ligt veel meer voor de hand dat deze gevolgen zijn veroorzaakt door [naam medeverdachte] .

Omdat de wet vereist dat voor een veroordeling wettig en overtuigend het bewijs moet volgen uit de vastgestelde feiten en omstandigheden, waarbij in geval van mishandeling door één [naam verdachte] geen twijfel mag bestaan over het verband tussen oorzaak (het geweld) en gevolg (pijn en letsel), kan in dit geval geen veroordeling volgen. [naam verdachte] zal daarom moeten worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde mishandeling van [naam aangever] .

Gelet op deze conclusie kunnen de door de raadsman van [naam verdachte] gevoerde verweren niet leiden tot een andere beslissing. Deze verweren hoeven daarom niet verder te worden besproken.

6

[naam aangever] heeft zich als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd. Hij wenst een schadevergoeding van [naam verdachte] ter zake van de hem, aangever , door [naam verdachte] aangedane mishandeling. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 500,= aan immateriële schade.
6.1.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. De officier van justitie is van mening dat de vordering voldoende is onderbouwd. Zij is voorts van mening dat [naam verdachte] de wettelijke rente over het bedrag aan schadevergoeding dient te betalen en dat schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
6.2.
Standpunt verdediging

De raadsman van [naam verdachte] heeft namens de [naam verdachte] bepleit dat de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat [naam aangever] daadwerkelijk een gekneusde nier heeft opgelopen en dat ook moet worden bezien wat het aandeel van [naam aangever] in het geweld is geweest. Dat maakt dat de beoordeling van de vordering niet eenvoudig is en daarom niet zou moeten plaatsvinden binnen het kader van deze snelrechtzitting.

6.3.
Beoordeling

Nu zoals hiervoor is overwogen niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij door het handelen van [naam verdachte] letsel heeft opgelopen of daardoor pijn heeft ondervonden, kan de [naam verdachte] niet verantwoordelijk worden gehouden voor de door de [naam aangever] gestelde pijn en de mogelijke schade aan zijn nier. Daarom dient de vordering te worden afgewezen.

6.4.
Conclusie

De [naam verdachte] hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partij.

7

[naam verdachte] is op 25 juli 2019 aangehouden en op 26 juli 2019 in verzekering gesteld. Op 29 juli 2019 is [naam verdachte] door de rechter-commissaris in bewaring gesteld. Het bevel bewaring is op dezelfde datum geschorst en [naam verdachte] is op 29 juli 2019 onder voorwaarden in vrijheid gesteld.
Omdat [naam verdachte] wordt vrijgesproken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd, dient het bevel tot voorlopige hechtenis, dat al was geschorst, opgeheven te worden. De politierechter zal die opheffing dan ook bevelen.

8

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en artikel 72 van het Wetboek van Strafvordering.
beslissing

9

De politierechter:
verklaart niet bewezen, dat [naam verdachte] het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt [naam verdachte] daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van [naam verdachte] , dat bij eerdere beslissing is geschorst;

wijst af de vordering van de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door:mr. J.J.J. Schols, politierechter, in tegenwoordigheid van R.A. Bhaggoe, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de politierechter op 09 augustus 2019.