Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:6448

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:6448, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/10/551768 / HA ZA 18-550


Bron: Rechtspraak

center
100
7c36aaaf-6dcd-4e40-86b8-c64ea3480227
2
13
image/png

center
100
cb688bac-4691-4fc1-b02a-bd7596ecfa41
2
523
image/png


RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en havenZittingsplaats Rotterdam
zaaknummer / rolnummer: C/10/551768 / HA ZA 18-550

Vonnis van 7 augustus 2019

in de zaak van

[naam eiser]

wonende te [woonplaats eiser] ,eiser in conventie,verweerder in reconventie,gedaagde in het voorwaardelijk incident ex art. 843a Rv,advocaat mr. U. Arslan te 's-Gravenhage,
tegen

naamloze vennootschap
ALLIANZ BENELUX N.V.

gevestigd te Rotterdam,gedaagde in conventie,eiseres in reconventie,eiseres in het voorwaardelijk incident ex art. 843a Rv,advocaat mr. P. van Huizen te Arnhem.
Partijen zullen hierna [naam eiser] en Allianz genoemd worden.

ECLI:NL:RBROT:2019:6448:DOC
nl

center
100
7c36aaaf-6dcd-4e40-86b8-c64ea3480227
2
13
image/png

center
100
cb688bac-4691-4fc1-b02a-bd7596ecfa41
2
523
image/png


RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en havenZittingsplaats Rotterdam
zaaknummer / rolnummer: C/10/551768 / HA ZA 18-550

Vonnis van 7 augustus 2019

in de zaak van

[naam eiser]

wonende te [woonplaats eiser] ,eiser in conventie,verweerder in reconventie,gedaagde in het voorwaardelijk incident ex art. 843a Rv,advocaat mr. U. Arslan te 's-Gravenhage,
tegen

naamloze vennootschap
ALLIANZ BENELUX N.V.

gevestigd te Rotterdam,gedaagde in conventie,eiseres in reconventie,eiseres in het voorwaardelijk incident ex art. 843a Rv,advocaat mr. P. van Huizen te Arnhem.
Partijen zullen hierna [naam eiser] en Allianz genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

de dagvaarding van 18 mei 2018, met producties;

de conclusie van antwoord tevens conclusie van (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties;

het tussenvonnis (de oproepingsbrief aan partijen) van de rechtbank van 14 november 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

de akte overlegging producties tevens voorwaardelijke (incidentele) vordering ex art. 843a Rv van Allianz, met producties;

het proces-verbaal van de comparitie van partijen.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2

2.1.
[naam eiser] , geboren op [geboortedatum eiser] , is op 5 oktober 2015 als bestuurder van een personenauto betrokken geraakt bij een aanrijding met een auto bestuurd door [naam 1] (hierna: [naam 1] ), wier werkgever de auto (op grond van de WAM) had verzekerd bij Allianz (hierna: de aanrijding).
2.2.
De aanrijding vond plaats op de rotonde Fruitweg-Viaductweg te Den Haag. [naam eiser] reed op de rotonde en is tegen de linker voorzijde van de van rechts vanaf de Viaductweg komende auto van [naam 1] aangereden.
2.3.
De door [naam 1] bestuurde auto bevond zich op het moment van botsing met de voorwielen en het linkerachterwiel voorbij de op het wegdek aangebrachte haaientanden en stond stil kort voordat [naam eiser] daartegen aanreed. De rotonde is gedeeltelijk voorzien van twee rijstroken, die van elkaar zijn gescheiden door een onderbroken streep. De auto van [naam eiser] bevond zich ten tijde van de botsing met het linkerachterwiel op de linkerrijstrook van de rotonde en voor het overige op de rechterrijstrook (met de rechtervoorzijde tegen de linkervoorzijde van de auto van [naam 1] ).
2.4.
Bij brief van 7 oktober 2015 heeft de advocaat van [naam eiser] Allianz aansprakelijk gesteld voor de (materiële en immateriële) schade die [naam eiser] als gevolg van de aanrijding heeft geleden.
2.5.
Per e-mail van 29 oktober 2015 heeft Allianz de advocaat van [naam eiser] om toezending van nadere informatie gevraagd. Onder andere heeft Allianz de vraag gesteld: “” Op de vragen van Allianz is van de zijde van [naam eiser] niet gereageerd.
2.6.
Per e-mail van 27 november 2015 heeft Allianz de advocaat van [naam eiser] geschreven, voor zover van belang: “”
2.7.
Bij brief van 4 februari 2016 heeft de advocaat van [naam eiser] Allianz het medische advies van zijn medisch adviseur toegestuurd en om uitbetaling van een voorschotbetaling van € 1.500,= verzocht.
2.8.
Per e-mail van 12 februari 2016 heeft Allianz de advocaat van [naam eiser] meegedeeld dat de gegevens die in de e-mail van 29 oktober 2015 waren opgevraagd (o.a. een ingevuld letselinformatieformulier) alsnog in haar bezit diende te worden gesteld en verzocht zij haar op de hoogte te houden van het verloop van het herstel. Allianz heeft daarnaast de uitbetaling van een voorschot van € 500,= toegezegd.
2.9.
Bij brief van 7 maart 2016 heeft de medisch adviseur van Allianz gerapporteerd aan Allianz. Onder het kopje “Beschouwing” schrijft deze, voor zover van belang:
“Betrokkene heeft zich op de afdeling Spoedeisende Hulp en later ook bij de huisarts met klachten van de nek en de neus. Betrokkene zou bij het ongeval de neus hebben gestoten aan het stuur. De impact was blijkbaar zo gering dat het niet eens leidde tot een zwelling, een bloeduitstorting of een bloedneus. Aan neus noch nek zijn afwijkingen vastgesteld en ik kan dan ook geen enkele medische verklaring geven voor de aanhoudende klachten van betrokkene. Psychische klachten zijn bij de huisarts niet gemeld. Hoe het dan mogelijk is dat betrokkene al op 13 oktober, dat wil zeggen acht dagen na het ongeval, onder behandeling kwam van een psycholoog is mij[n] volstrekt onduidelijk. Op grond van welke klachten en symptomen de psycholoog tot de vaststelling van een posttraumatische stressstoornis komt is mij evenmin [on]duidelijk. (…)Uit het voorgaande zal het u duidelijk zijn dat wat mij betreft in medische zin niets aan het ongeval te verbinden is, behoudens mogelijk enige spierpijn gedurende een aantal dagen, maar ik sluit niet uit dat het nog wel enige tijd zal duren voordat betrokken aangeeft hersteld te zijn van het ongeval.Betrokkene was voor het ongeval al bekend met neusklachten. Naar ik begrijp is hij enige tijd na het ongeval al opnieuw beoordeeld door een kno-arts en konden toen geen afwijkingen vastgesteld worden doch later is betroken nog een keer verwezen.Verder maakt de psycholoog melding van studieproblemen wat mogelijk zou kunnen in houden dat er al sprake was enige psychische klachten. Het duidt in ieder geval op de aanwezigheid van een spanningsbron.”
2.10.
Bij brief van 19 april 2016 heeft de advocaat van [naam eiser] een (voorlopige) schadestaat aan Allianz toegestuurd en om uitbetaling van een voorschot onder algemene titel van € 5.000,= verzocht. In de brief is onder andere geschreven:
-

-

-

- eerste 13 weken conform Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp,samenwonend, bijdrage voor ongeval 50%, matig beperkt, derhalve € 43,00 per week € 559,00- vanaf 4 januari t/m heden, 4 uur hulp per week á € 9,00 per uur, 15 weken € 540,00- nulurencontract via Randstad als productiemedewerker bij Post NL, gemiste uren overeenkomst beëindigd i.v.m. beperkingen (…) € 2.500,00- € 53,-- per les, 10 lessen € 530,00
Immateriële schade

- Smartengeld € 2.500,00
“(…) Ter toelichting op de schadestaat het volgende. De kosten van de fysiotherapeut zijn opgenomen voor een bedrag van € 850,00. (…) Na eind februari heeft cliënt nog 8 behandelingen fysiotherapie gehad, waarvoor hij nog geen rekening heeft ontvangen. Ik heb deze kosten alvast op de schadestaat opgenomen.(…) Ten aanzien van het verlies aan verdienvermogen nog het volgende. Cliënt heeft zijn nulurencontract via Randstad moeten beëindigen. Hij was werkzaam als productiemedewerker bij PolstNL, maar kon deze werkzaamheden niet continueren ten gevolge van de beperkingen na het ongeval. Ik heb in de schadestaat een lumpsum opgenomen van € 2.500,00.Cliënt ondervindt ten gevolge van het ongeval concentratieproblemen. Of die effect zal hebben op zijn studie zal moeten worden bezien. (…). Op de schadestaat zijn verder rijlessen opgenomen bij de ANWB. De psycholoog heeft aangegeven dat cliënt middels deze rijlessen zijn zelfvertrouwen terug zou kunnen winnen. Cliënt zal hier op korte termijn mee beginnen.In verband met de aanhoudende nekklachten is cliënt op verwijzing van de huisarts aar het ziekenhuis geweest om foto’s te laten maken van zijn nek. Van cliënt heb ik begrepen dat er door de arts geen afwijkingen zijn gevonden. Bezien zal moeten worden hoe deze klachten zich ve[r]der ontwikkelen. Ik zal de medische informatie nog opvragen.(…)”
In de bij de brief gevoegde “Voorlopige schadestaat (t/m 18 april 2016)” zijn de volgende schadeposten opgenomen:

Medische kosten

Reiskosten naar hulpverleners

Overige kosten

Huishoudelijke hulp

Verlies zelfwerkzaamheid

Verlies aan verdienvermogen

Studievertraging

Rijlessen ANWB

+ p.m.Totaal € 8.128,31”
2.11.
Allianz heeft een onderzoek ingesteld naar de toedracht van de aanrijding omdat zij vraagtekens plaatste bij het door [naam eiser] gestelde letsel en de toedracht. In het kader daarvan is op 2 augustus 2016 door de onderzoeker van Allianz [naam 1] en een collega van haar ondervraagd. Van [naam 1] is de volgende verklaring in het van het onderzoek opgemaakte rapport opgenomen:
“(…) Ik kwam van het werkadres en reed in de richting van de Fruitweg. Het weer was goed, het was droog. Het was omstreeks 15.30 uur. Ik reed met een snelheid van ongeveer 10 kilometer per uur in de richting van de rotonde omdat ik weet dat het verkeer op de rotonde voorrang heeft. Het was rustig op de weg en er reed maar 1 auto op de rotonde. Ik zag dat deze auto erg zacht reed. Ik kan de snelheid niet exact aangeven maar hij reed stapvoets. Ik zag geen richtingaanwijzer bij deze auto branden. Juist omdat de bestuurder zo zachtjes reed kon ik goed in de auto kijken. Ik zag at er een man achter het stuur zat. Omdat de man zo zachtjes reed dacht ik dat ik wel voor de man de rotonde op kon rijden. Op het moment dat ik echter de rotonde opreed zag ik dat de man stapvoets bleef doorrijden. Ik ben vervolgens gestopt maar de man bleef doorrijden en reed vervolgens heel zachtjes tegen mijn auto aan. Ik schat dat de afstand tussen beide voertuigen op het moment van stoppen van mijn kant en het doorrijden van de tegenpartij nog ongeveer 1 meter was.(...) De impact van de aanrijding kan ik omschrijven als zacht. Ik weet nog dat ik niet heen en weer schudde op mijn stoel. Zoals gezegd keek ik op het moment van de aanrijding recht in de ogen van de bestuurder. Ik zag dat hij op het moment van de aanrijding absoluut niet met zijn hoofd en lichaam naar voren boog. Hij bleef op een normale wijze in zijn stoel zitten. (…) Direct na de aanrijding (…) zag ik dat de man in één vloeiende beweging uitstapte. Ik zag dat hij niet zijn gordel afdeed, met andere woorden hij droeg geen gordel (…). Ik zag verder dat de man geen letsel had. Hij sprak hier zelf ook in het geheel niet over. (…)”
De collega van [naam 1] , [naam 2] een verklaring afgelegd die in het onderzoeksrapport is opgenomen en als volgt luidt, voor zover van belang:

“Nadat ik door mijn collega [naam 1] ben gebeld over de aanrijding ben ik snel naar die plaats toegereden. (…) Ik zag dat de tegenpartij geen kenmerken van lichamelijke klachten had. Hij was druk bezig met bellen en gegevens op te zoeken. (...)(…) Ik heb hierna voor de zekerheid nog wat extra foto’s gemaakt van de auto van de tegenpartij omdat ik sterk de indruk kreeg dat de tegenpartij als gevolg van de aanrijding in het geheel geen letsel heeft opgelopen en hij deze wel wilde claimen.”
2.12.
Op 23 augustus 2016 heeft de onderzoeker van Allianz een bezoek gebracht aan [naam eiser] op het woonadres van zijn ouders. De onderzoeker heeft geconstateerd dat [naam eiser] , uit de woning komend, naar een winkel op een afstand van ongeveer 100 meter is weggerend en korte tijd later kwam teruglopen met een boodschappentas, waarna hij de woning weer inging. De onderzoeker heeft vervolgens [naam eiser] , in het bijzijn van zijn advocaat, gehoord over de toedracht van de aanrijding en over zijn letsel. Over het eerste heeft [naam eiser] verklaard, voor zover van belang:
“Ik reed met een snelheid van ongeveer 20 tot 25 kilometer per uur richting de rotonde en wilde deze rotonde rechtdoor oversteken. Ik weet niet meer of het druk was met overige verkeer. Ik droeg mijn autogordel. Ik zag voor mij gezien van rechts een auto de rotonde naderen. Ik weet niet met welke snelheid deze auto reed. Wel kreeg ik het idee dat zij niet zou stoppen. Dit was vanwege haar snelheid. Kort voor de aanrijding, ik zag namelijk dat de auto de rotonde opreed, heb ik nog afgeremd, de tegenpartij ook. Ik schat dat de botssnelheid van mijn auto ongeveer 17 kilometer per uur was. Ik schat dit omdat ik nog geen 20 kilometer per uur reed. Hoe hard mijn tegenpartij reed op het moment van de botsing weet ik niet. Ik vond de klap van de aanrijding hard te noemen. (…)”

Over zijn letsel heeft [naam eiser] onder andere verklaard:

“Nadat het formulier was ingevuld ben ik met de auto naar het huis van mijn ouders gereden. Hierna ben ik direct naar de 1e hulp gegaan om te vertellen dat ik pijn in mijn neus had en nekklachten. Aan mij zijn toen pijnstillers voorgeschreven. Na het ongeval heb ik thans nog steeds last van nekklachten. De klachten aan mijn neus zijn over. Ik ondervind belemmeringen in onder andere fitnessen, mijn telefoon kijken in bepaalde houdingen, boeken lezen in bepaalde houdingen enz. enz. Ik moet voorzichtig bewegen.”

Over de waarnemingen van de onderzoeker voorafgaande aan het huisbezoek heeft [naam eiser] verklaard:

“U heeft mij zojuist verteld dat u mij ongeveer 20 minuten voor het gesprek hebt zien hardlopen naar de winkel, ongeveer 50 meter verderop. U heeft mij gevraagd hoe ik zo soepel heb kunnen hardlopen gezien mijn omschreven klachten. Ik wil hierop verklaren dat mijn huisarts en fysiotherapeut hebben geadviseerd hard te lopen.”

2.13.
Per e-mail van 5 oktober 2016 heeft Allianz aan de advocaat van [naam eiser] bericht dat in verband met een aantal naar voren gekomen onregelmatigheden tijdens de behandeling van de claim van [naam eiser] deze is overgedragen naar Team Speciale Zaken van Allianz. Na een samenvatting van de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek en van de rapportage van de medisch adviseur van Allianz, wordt in de e-mail geschreven:
“De lezing van onze verzekerde [d.i. [naam 1] , rechtbank] over de impact [de rechtbank begrijpt: van de aanrijding en] over het claimgedrag van uw cliënt word[t] bevestigd door de bevindingen van de onderzoeker die uw cliënt, per toeval, zag rennen en van de bevindingen van onze medisch adviseur (geen medische causaliteit).Los van het feit dat onze verzekerde voorrang had moeten verlenen had uw cliënt alle mogelijkheden om een aanrijding te voorkomen. Het vermoeden van een opzettelijk veroorzaakte aanrijding (zoals wij vaker zien in aanrijdingcircuits) aan de zijde van uw cliënt wordt hierdoor eveneens bevestigd.
Vervolg behandeling/minimale gevolgen

De hiervoor genoemde vaststellingen leiden er toe dat er aan onze kant geen vertrouwen is om in de toekomst een verzekeringsovereenkomst met de heer [naam eiser] (…) aan te gaan. Wij registreren zijn personalia binnen Allianz Benelux N.V. om te voorkomen dat er in de toekomst, ook per ongeluk, [.]een verzekeringsovereenkomst kan worden afgesloten. Nu het gaat om een interne registratie hoeft uw cliënt hiervan aan externe partijen geen melding te maken. (…) Op dit moment is met de afwikkeling van de claim (schade en kosten) € 1.979,32 gemoeid. (…) In het geval uw cliënt zijn verdere claims laat rusten zijn wij bereid om dit bedrag niet terug te vorderen en de maatregelen te beperken tot genoemde interne registratie. (…)”
2.14.
[naam eiser] heeft begin 2017 de bijstand ingeroepen van zijn huidige advocaat. Allianz heeft aan deze op 12 december 2017 het advies van 7 maart 2016 van haar medisch adviseur toegezonden en meegedeeld ervan uit te gaan dat hij voldoende stukken heeft om een dagvaarding op te baseren.
3

in conventie
3.1.
[naam eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: (i) voor recht zal verklaren dat Allianz volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het verkeersongeval en dat zij uit dien hoofde verplicht is de schade die [naam eiser] dientengevolge heeft geleden, volledig te vergoeden; (ii) Allianz zal veroordelen om binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis de registratie van de persoonsgegevens van [naam eiser] in haar incidentenregister(s) ongedaan te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat Allianz hiermee in gebreke blijft, en(iii) Allianz zal veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.
3.2.
Allianz voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [naam eiser] in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [naam eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie

3.4.
Allianz vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [naam verweerder] zal veroordelen om aan Allianz te betalen een bedrag van € 6.487,03, te vermeerderen met de proceskosten in reconventie, wettelijke rente en nakosten, althans, in voorwaardelijke reconventie, onder de voorwaarde dat de rechtbank oordeelt dat Allianz aansprakelijk is voor de gevolgen van de aanrijding op 5 oktober 2015, voor recht zal verklaren dat primair sprake is van 100% eigen schuld aan de zijde van [naam verweerder] en subsidiair dat de ongevalsgerelateerde schade van [naam verweerder] met de betaalde voorschotten is vergoed en dat Allianz tot niets meer is gehouden jegens Allianz in verband met de aanrijding op 5 oktober 2015.
3.5.
[naam verweerder] voert verweer en heeft (mondeling, ter comparitie van partijen) tot afwijzing van de vorderingen van Allianz in (voorwaardelijke) reconventie geconcludeerd.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in het incident

3.7.
Allianz heeft gevorderd dat de rechtbank [naam gedaagde] zal gelasten de onder 8 van haar akte overlegging producties tevens voorwaardelijke (incidentele) vordering ex art. 843a Rv genoemde stukken ofwel voorafgaande ofwel op een ander door de rechtbank te bepalen tijdstip in het geding te brengen, met veroordeling van [naam gedaagde] in de kosten van het incident.

3.8.
[naam gedaagde] heeft ter comparitie van partijen tot afwijzing van de incidentele vordering geconcludeerd.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
overwegingen

4

in conventie en in reconventie
4.1.
Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie zal de rechtbank deze hierna gezamenlijk bespreken.
4.2.
Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of [naam 1] aansprakelijk is voor de schade ontstaan door de aanrijding.

4.3.
[naam eiser] stelt zich op het standpunt dat [naam 1] hem bij de rotonde voorrang had moeten verlenen en dat zij door dat niet te doen een verkeersfout heeft gemaakt waardoor aansprakelijkheid vast staat. Daarnaast beroept [naam eiser] zich op de erkenning van aansprakelijkheid door Allianz in de e-mail van 27 november 2015. Allianz heeft aangevoerd dat eerst na het door haar uitgevoerde onderzoek in augustus 2016 haar is gebleken is dat [naam 1] al gestopt was om [naam eiser] voor te laten, maar dat [naam eiser] vervolgens opzettelijk tegen de auto van [naam 1] is aangereden. [naam eiser] had, aldus Allianz, gemakkelijk kunnen uitwijken of kunnen stoppen. De aanrijding is dus niet gebleken te zijn veroorzaakt door [naam 1] maar juist door een fout van [naam eiser] . Allianz stelt dat zij daarom ten onrechte aansprakelijkheid heeft erkend en dat zij van die erkenning terugkomt, hetgeen volgens haar mogelijk is met een beroep op dwaling en/of bedrog dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de onder 4.2 vermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. De verkeersfout die [naam 1] heeft gemaakt is dat zij de rotonde is opgereden terwijl [naam eiser] daarop reed en hij voorrang had. [naam 1] had moeten wachten totdat [naam eiser] was gepasseerd. Uit haar op 2 augustus 2016 tegenover de onderzoeker van Allianz afgelegde verklaring volgt dat [naam 1] [naam eiser] heeft gezien toen zij de rotonde op reed. Zij had haar auto niet voorbij de haaientanden op de rotonde mogen rijden, ondanks de volgens haar heel lage snelheid waarmee [naam eiser] reed. Uit het feit dat de auto’s op elkaar zijn gereden blijkt overigens reeds dat [naam eiser] niet zodanig langzaam reed, dat [naam 1] in staat was haar auto nog vóór de auto van [naam eiser] de rotonde op te rijden, zoals zij wel van plan was. Zij moet dan ook de snelheid waarmee [naam eiser] reed, verkeerd hebben ingeschat. Ter rechtvaardiging van de rijwijze van [naam 1] kan niet met succes worden aangevoerd dat de rotonde uit twee (door een onderbroken streep van elkaar gescheiden) rijstroken bestaat. In de eerste plaats geldt geheel in het algemeen dat degene die een rotonde oprijdt die uit twee zulke door een niet doorgetrokken streep gescheiden rijstroken bestaat, bedacht moet zijn op een zijdelingse manoeuvre van de autobestuurder die zich op het moment dat de rotonde wordt opgereden op de linkerrijstrook bevindt. Als het al zo is dat [naam eiser] op de linkerrijstrook van de rotonde reed, had [naam 1] er dus niet zonder meer van mogen uitgaan dat [naam eiser] op die rijstrook zou blijven rijden en linksaf zou slaan. In dit bijzondere geval is er een reden te meer dat [naam 1] daar niet van mocht uitgaan. De onderhavige rotonde bestaat namelijk slechts gedeeltelijk uit twee rijstroken, zoals op het overgelegde fotomateriaal is te zien: vanaf de Fruitweg bestaat de eerste helft van de rotonde uit nog maar één rijbaan en pas halverwege de rotonde splitst zich een rijstrook af naar links voor verkeer dat linksaf wil slaan. Het kan voor [naam 1] , toen zij de rotonde opreed, niet al volstrekt zeker zijn geweest dat [naam eiser] , die zich toen nog op de rotonde bevond voordat deze uitsplitste in twee rijstroken, zijn weg niet rechtdoor zou vervolgen. Dat [naam eiser] nog geen keuze voor een afslag linksaf had gemaakt en dus rechtdoor zou kunnen rijden, had [naam 1] ook kunnen afleiden uit het feit dat hij geen richtingaanwijzer (noch naar links noch naar rechts) had aangezet.
4.5.
De conclusie is dat Allianz terecht aansprakelijkheid heeft erkend en dat de vraag of zij daarvan op de gronden die zij daarvoor heeft aangevoerd kan terugkomen, in het midden kan blijven.
4.6.
De vastgestelde aansprakelijkheid van [naam 1] laat onverlet, dat ook [naam eiser] een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de aanrijding. In beginsel kan slechts onder bijzondere omstandigheden aan een bestuurder van de auto die voorrang had, zoals in dit geval [naam eiser] , een verwijt worden gemaakt dat hij zich bij zijn rijgedrag heeft laten leiden door het vertrouwen dat de andere weggebruiker, [naam 1] , zijn voorrang zou eerbiedigen. Zulke bijzondere omstandigheden zijn hier echter aanwezig. [naam eiser] heeft niet weersproken dat [naam 1] kort voor de botsing op de rotonde stilstond toen zij door [naam eiser] werd aangereden en dat hij een relatief lage snelheid had. Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond hiervan vast dat [naam eiser] de aanrijding zelf mede veroorzaakt doordat hij ofwel niet is gestopt op een moment dat dat nog kon, ofwel niet links om de auto van [naam 1] is heengereden toen hij zag dat [naam 1] zich op de rotonde bevond en niet zou doorrijden. Op grond van zijn volgens zijn eigen verklaring relatief geringe snelheid moet worden aangenomen dat hij zijn auto nog tijdig tot stilstand had kunnen brengen. Ook een manoeuvre om de auto van [naam 1] heen, had, gezien de ruimte die zich bevond tussen de auto van [naam eiser] en de rand in het centrum van de rotonde op het moment dat hij de auto van [naam 1] naderde, tot de mogelijkheden behoord, waardoor geen aanrijding zou hebben plaatsgevonden. Er is in zoverre dus sprake van eigen schuld aan het ongeval aan de zijde van [naam eiser] . Dat er andere gronden zijn om [naam eiser] eigen schuld te verwijten, is onvoldoende komen vast te staan. Allianz heeft in de tussen partijen gevoerde correspondentie nog aangevoerd dat [naam eiser] geen gordel zou hebben gedragen, maar zij heeft dit verweer in de procedure niet meer gevoerd.
4.7.
Allianz heeft in het kader van haar vordering in reconventie (het onvoorwaardelijke eerste gedeelte daarvan) de stelling ingenomen dat [naam eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door met opzet tegen het door [naam 1] bestuurde voertuig aan te rijden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Allianz hiervoor onvoldoende aangevoerd. De enkele omstandigheid dat [naam eiser] zijn auto niet heeft gestopt of om de auto van [naam 1] is heengereden, maar is doorgereden en tegen de auto van [naam 1] is aangereden, rechtvaardigt de door Allianz getrokken conclusie niet. Het feit dat [naam eiser] is blijven doorrijden laat zich evengoed verklaren door de mogelijkheid dat [naam eiser] gedurende korte tijd onoplettend is geweest en/of, om op zichzelf mogelijk niet gerechtvaardigde redenen, ervan is uitgegaan dat de auto van [naam 1] niet stilstond maar nog een zekere snelheid ontwikkelde of zou kunnen ontwikkelen zodat een aanrijding niet zou behoeven te volgen. Uit de door [naam eiser] ten overstaan van de onderzoeker van Allianz afgelegde verklaring volgt dat hij meent dat de aanrijding zo heeft kunnen plaatsvinden. Dat dit anders is, dient Allianz te bewijzen, nu [naam eiser] heeft weersproken dat hij de aanrijding bewust en/of met opzet heeft veroorzaakt. Allianz heeft echter slechts in algemene zin bewijs van haar stellingen aangeboden en niet van haar hiervoor weergegeven stelling. Daarom moet aan die stelling als onbewezen voorbij worden gegaan.
4.8.
Op grond van artikel 6:101 lid 1 BW dient de vergoedingsplicht die wegens de door [naam 1] gemaakte fout op Allianz rust, te worden verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat in dit geval een verdeling van 50%-50% op zijn plaats is. Nog daargelaten dat partijen daarop geen (expliciet) beroep hebben gedaan, is er geen grond om hier de billijkheidscorrectie van de slotpassage van artikel 6:101 lid 1 BW toe te passen.
4.9.
Het voorgaande brengt mee dat de vordering van [naam eiser] in conventie onder (i) niet toewijsbaar is. [naam eiser] vordert immers voor recht te verklaren dat Allianz volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van de aanrijding en dat Allianz uit dien hoofde verplicht is de schade die [naam eiser] dientengevolge heeft geleden te vergoeden.
4.10.
Uit het voorgaande vloeit eveneens voort dat de rechtbank ook zal afwijzen het onvoorwaardelijke eerste gedeelte van de vordering in reconventie van Allianz tot (terug)betaling van hetgeen zij aan [naam eiser] heeft uitgekeerd (€ 1.500,= aan voorschotten en € 450,= voor vergoeding van de schade aan de auto) en hetgeen zij heeft betaald onder de cascopolis van de door [naam 1] bestuurde auto (€ 4.537,03) en de primair voorwaardelijke vordering in reconventie om voor recht te verklaren dat sprake is van 100% eigen schuld aan de zijde van [naam eiser] .
4.11.
Allianz heeft subsidiair in voorwaardelijke reconventie gevorderd dat de ongevalsgerelateerde schade van [naam eiser] met de betaalde voorschotten is vergoed en dat Allianz tot niets meer is gehouden jegens [naam eiser] verband met de aanrijding.
4.12.
De rechtbank acht die vordering toewijsbaar. Het volgende wordt daartoe overwogen. [naam eiser] heeft als gevolgen van de aanrijding melding gemaakt van pijnklachten aan de neus, pijnklachten aan de nek en psychische klachten.
4.12.1.
Voor eerstgenoemde klachten heeft [naam eiser] zich aanvankelijk bij de Spoedeisende Hulp gemeld en later bij de huisarts, die hem daarvoor heeft doorverwezen naar de KNO-arts. Over de bevindingen van de KNO-arts van de bezoeken die [naam eiser] na de aanrijding aan deze arts heeft afgelegd - hij was reeds bij deze arts bekend vanwege een in juni 2015 uitgevoerde neuscorrectie - heeft [naam eiser] geen informatie verstrekt. Als er al van wordt uitgegaan dat de pijnklachten van [naam eiser] aan zijn neus een gevolg van het ongeval zijn, heeft hij ter zake geen andere kosten opgevoerd dan de eigen risicobedragen van de zorgverzekering van € 139,31 en € 385,=. De rechtbank wil er ook nog van uitgaan dat de op de door [naam eiser] ingediende schadestaat vermelde ‘reiskosten naar hulpverleners’ ten bedrage van € 100,= en ‘overige kosten (telefoon, porto e.d.)’ ten bedrage van € 25,= kosten zijn die te relateren zijn aan de klachten aan de neus. In totaal gaat het hier dan om € 649,31, die als schade ten gevolge van het ongeval zou kunnen worden aangemerkt.

4.12.2.
Voor de pijnklachten aan de nek heeft [naam eiser] zich gewend tot een fysiotherapeut. Deze heeft [naam eiser] sinds 28 oktober 2015 onder behandeling. De totale kosten van de bezoeken aan de fysiotherapeut zijn door [naam eiser] voor de periode tot en met april 2016 begroot op € 850,= voor 34 behandelingen. Van de zijde van [naam eiser] is ter comparitie verklaard dat de kosten van de fysiotherapie inmiddels veel hoger zijn geworden, maar hij heeft die kosten niet onderbouwd door middel van bijvoorbeeld het overleggen van nota’s. [naam eiser] heeft slechts twee nota’s van de fysiotherapeut in 2017 overgelegd ten bedrage van twee maal € 75,=, zodat de totale kostenpost voor de behandeling door de fysiotherapeut € 1.000,= bedraagt. De door [naam eiser] overgelegde verklaring van de fysiotherapeut bevat onvoldoende informatie om ervan te kunnen uitgaan dat vergoeding van een hoger bedrag gerechtvaardigd is omdat met name daaruit niet kan worden afgeleid dat (verdere) behandelingen van de fysiotherapeut (nog steeds) als een gevolg kunnen worden aangemerkt van de aanrijding. In de schadestaat heeft [naam eiser] nog een aantal andere schadeposten vermeld die met de door hem gestelde pijnklachten aan de nek in verband kunnen worden gebracht. In de eerste plaats is dat het bedrag voor huishoudelijke hulp van € 509,= en € 540,=, in totaal € 1.049,=. Allianz heeft onweersproken erop gewezen dat [naam eiser] ten tijde van het onderzoek bij zijn ouders woonde en dat het vragen om vergoeding voor huishoudelijke hulp dan in elk geval niet volledig zal kunnen worden gehonoreerd. Met de pijnklachten aan de nek kan voorts de post ‘verlies aan verdienvermogen’ op de schadestaat in verband worden gebracht. Daarvoor is daarop een ‘lumpsum’ (zie de brief van de advocaat van [naam eiser] van 19 april 2016) ten bedrage van € 2.500,= opgenomen. [naam eiser] heeft echter niet aangetoond dat feitelijk sprake is geweest van uitval van werk bij PostNL (via uitzendbureau Randstad), laat staan dat hij heeft aangetoond dat hij door de aanrijding minder is gaan werken op basis van het nul-urencontract dat hij had. Op vergoeding van deze post als schade kan [naam eiser] dan ook geen aanspraak maken.
4.12.3.
Ten slotte heeft [naam eiser] zich voor psychische klachten gewend tot de psycholoog bij wie hij al onder behandeling was vóór de aanrijding. Allianz heeft onder andere onder verwijzing naar het medisch advies van haar medisch adviseur betwijfeld of de bezoeken aan de psycholoog daarom als ongevalsgerelateerd kunnen worden aangemerkt. Met betrekking tot de diagnose PTSS die de psycholoog zou hebben gesteld, heeft Allianz zonder op dit punt door [naam eiser] te zijn weersproken opgemerkt dat een aanrijding met een lage snelheid zonder dreigende ernstige gevolgen niet bij een diagnose PTSS past. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in elk geval de door [naam eiser] opgevoerde kosten voor rijlessen bij de ANWB, zonder een deugdelijke onderbouwing, die [naam eiser] daarvoor niet gegeven heeft, voor tien lessen als schade op te voeren. Met betrekking tot de gestelde concentratieproblemen, waardoor de studie van [naam eiser] in het slop is geraakt, is door [naam eiser] niet onderbouwd dat deze problemen zijn te beschouwen als een gevolg van de aanrijding. Ten slotte heeft [naam eiser] aan smartengeld een bedrag van € 2.500,= opgenomen in de schadestaat. Dat [naam eiser] in aanmerking komt voor smartengeld is door hem echter niet aannemelijk gemaakt en de rechtbank zou dat op basis van de gegevens die thans voorhanden zijn, afwijzen.
4.12.4.
Resumerend is de rechtbank van oordeel dat [naam eiser] hooguit aanspraak kan maken op vergoeding van een klein deel van de door hem op de schadestaat opgenomen schadeposten. De bovengenoemde posten (€ 649,31 voor ziekenhuisbezoeken en aanverwante kosten, plus € 1000,= voor fysiotherapie, opgeteld bij € 1.049,= voor vergoeding huishoudelijke hulp en € 265,= voor 5 rijlessen), tellen op tot een bedrag van maximaal € 2.963,31. Daarvan dient 50% voor rekening van [naam eiser] te blijven omdat hij aan het ongeval eigen schuld heeft, zoals hiervoor is overwogen. Daarmee wordt de conclusie bereikt dat aan [naam eiser] niet meer dan het bedrag van € 1.500,= zou worden toegewezen, dat reeds door Allianz aan [naam eiser] ten titel van algemene verschotten is uitbetaald.
4.13.
Thans resteert een beoordeling van de vordering onder (ii) van [naam eiser] betreffende de registratie van zijn persoonsgegevens in de registers van Allianz. Deze vordering moet klaarblijkelijk aldus worden begrepen dat [naam eiser] ongedaanmaking vordert van de registratie van deze gegevens in het Intern Verwijzingsregister (IVR) van Allianz. Tussen partijen is niet in geschil dat van opname door Allianz van gegevens van [naam eiser] in haar incidentenregister geen sprake is. Allianz heeft te kennen gegeven de vordering in voormelde zin op te vatten.
4.14.
Allianz heeft aangevoerd dat voor registratie in haar interne register niet vereist is dat sprake is van een gerechtvaardigde overtuiging van fraude. Zij stelt dat ook als zij bijvoorbeeld (om welke reden dan ook) het vertrouwen verliest in een verzekeringnemer of verzekerde het Allianz vrijstaat de zeer summiere gegevens van de verzekeringnemer of verzekerde op te nemen in haar interne register om te voorkomen dat Allianz in de toekomst zaken doet met die personen. Daarbij stelt zij dat de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens niet van toepassing is op registraties in interne registers.

4.15.
Dit standpunt van Allianz moet op grond van de inwerkingtreding van de nieuwe Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (2018), die is ingevoerd met het oog op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die met ingang van 25 mei 2018 van toepassing is, als inmiddels achterhaald worden beschouwd. In artikel 4.5.3 van de huidige Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens wordt het IVR expliciet benoemd. Na de uiteenzetting dat verzekeraars een Gebeurtenissenadministratie bijhouden ter waarborging van de veiligheid en integriteit van de dienstverlening en de sector, is in dat artikel bepaald:“De afdeling Veiligheidszaken of een andere daartoe aangewezen afdeling bij een Verzekeraar kan besluiten de Persoonsgegevens uit de Gebeurtenissenadministratie op te nemen in een intern Verwijzingsregister (IVR). In het IVR nemen Verzekeraars uitsluitend Persoonsgegevens op van (rechts)personen die een risico vormen voor de veiligheid en/of integriteit van de Verzekeraar of de Groep waartoe de Verzekeraar behoort.”Het is dus niet juist, zoals Allianz stelt, dat de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens niet van toepassing is op de IVR en dat dat alleen voor de Gebeurtenissenadministratie geldt.
4.16.
Beoordeeld moet in deze zaak worden of de opname door Allianz van de persoonsgegevens van [naam eiser] in het IVR de hiervoor geciteerde toets van artikel 4.5.3 van de huidige Gedragscode kan doorstaan. Vormt [naam eiser] van Allianz of de groep waartoe Allianz behoort, zoals in de Gedragscode bedoeld? Blijkens de toelichting op de artikel 4.5.3 van de Gedragscode moet bij de opname van verwijzingsgegevens (naw-gegevens en geboortedatum) van een betrokkene in het IVR steeds een zorgvuldige afweging worden gemaakt voordat verwijzingsgegevens worden opgenomen. De toelichting vermeldt op de vermelde plaats:“De Verzekeraar maakt steeds een zorgvuldige afweging voordat verwijzingsgegevens worden opgenomen, waarbij het gewicht van de Gebeurtenis een belangrijke rol speelt (direct of voor de toekomst). Om een Gebeurtenis op deze wijze binnen maatschappij of Groep te delen, kan onder meer een rol spelen of een redelijk vermoeden bestaat van opzettelijke benadeling door de Betrokkene. Het kan bijvoorbeeld gaan om oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen van een Verzekeraar of pogingen daartoe. Denk ook aan het intern signaleren van een redelijke vermoeden van het plegen van strafbare of laakbare gedragingen of (een poging tot) overtredingen van (wettelijke) voorschriften gericht tegen de Verzekeraar, haar klanten of medewerkers.”Van belang is dus na te gaan of een redelijk vermoeden van opzettelijke benadeling of een poging daartoe bestaat en/of van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen van een verzekeraar of een poging daartoe.
4.17.
Uit de e-mail van Allianz van 5 oktober 2016 volgt dat zij twee redenen had om tot opname van de verwijzingsgegevens van [naam eiser] in het IVR over te gaan. In de eerste plaats had zij, kort gezegd, het vermoeden dat [naam eiser] letsel fingeerde. In de tweede plaats had zij het vermoeden dat [naam eiser] de aanrijding opzettelijk heeft veroorzaakt.
4.18.
Voor het eerste vermoeden verwijst Allianz in het e-mailbericht naar de verklaring van [naam 1] , die heeft gezegd niet te hebben gezien dat [naam eiser] bij de aanrijding naar voren bewoog en/of tegen het stuur zou zijn geklapt, wel te hebben gezien dat hij in een vloeiende beweging uit de auto is gestapt en niets te hebben gemerkt van letsel bij [naam eiser] . Ook de collega van [naam 1] heeft niets gemerkt van letsel bij [naam eiser] . Deze waarnemingen lijken te worden bevestigd door het feit dat op de SEH bij [naam eiser] geen letsel is waargenomen, maar alleen pijnklachten. Ook de medisch adviseur van Allianz heeft gewezen op de (blijkbaar) geringe impact van de aanrijding en dat in zijn ogen geen medische verklaring is te geven voor de aanhoudende klachten van [naam eiser] . De onderzoeker van Allianz heeft ten slotte [naam eiser] in augustus 2016 zien rennen. Anderzijds staat voor wat betreft de klachten van [naam eiser] aan de neus vast dat hij door zijn huisarts daarvoor is verwezen naar de KNO-arts. Met betrekking tot de waarnemingen van [naam 1] , haar collega en de onderzoeker moet worden opgemerkt dat zij geen medici zijn en dat letsel niet altijd even eenvoudig voor leken is vast te stellen. Vast staat voorts dat [naam eiser] met pijnklachten vanaf 28 oktober 2015 wordt behandeld door een fysiotherapeut, die deze klachten blijkens de door hem afgelegde verklaring serieus neemt. Met betrekking tot de medisch adviseur moet de kanttekening worden gemaakt dat deze [naam eiser] niet heeft onderzocht of gezien. Ook heeft [naam eiser] psychische klachten gemeld. Vast staat dat [naam eiser] zich hiervoor heeft laten behandelen door zijn psycholoog. Hoewel voor de medisch adviseur een aantal aspecten van die behandeling onduidelijk vindt, moet toch betekenis worden toegekend aan het feit dat een deskundige een diagnose heeft gesteld op grond waarvan voorshands mag worden aangenomen dat de klachten serieus zijn, tenzij het tegendeel daarvan wordt aangetoond.
4.19.
Met betrekking tot het tweede vermoeden, de opzettelijke veroorzaking van de aanrijding, overweegt de rechtbank dat daarvoor op de gronden die hiervoor onder 4.7 zijn uiteengezet, geen redelijke grond bestaat.
4.20.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank, alles afwegende, de door Allianz uitgesproken verdenkingen dat [naam eiser] heeft gepoogd haar als verzekeraar te benadelen of heeft gepoogd op oneigenlijke wijze gebruik te maken van haar producten/diensten/ voorzieningen, onvoldoende gesubstantieerd. Allianz mag de registratie van de persoonsgegevens van [naam eiser] in haar IVR niet handhaven. Hierbij heeft de rechtbank, in het kader van de uit te voeren proportionaliteitstoets, betrokken dat andere instellingen dan Allianz en de tot haar groep behorende ondernemingen, hetzij direct of indirect, geen toegang tot de gegevens van de geregistreerde betrokkene in het IVR van Allianz hebben en dat [naam eiser] bij het aangaan van verzekeringen van een andere aanbieder geen hinder ondervindt van die interne registratie. Op grond van de hiervoor weergegeven regelgeving en (artikel 6 onder f van) de AVG behoeft ook registratie van persoonsgegevens in interne systemen niet te worden geduld als daarvoor geen zwaarwegende grond, in dit geval verband houdend met de veiligheid en de integriteit van de verzekeraar, kan worden gegeven. De enkele omstandigheid dat Allianz geen vertrouwen meer heeft in [naam eiser] is onvoldoende om de registratie van de gegevens van [naam eiser] in het IVR te handhaven. De rechtbank komt tot de conclusie dat de vordering onder (ii) van [naam eiser] toewijsbaar is. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat Allianz heeft verklaard de beslissing van de rechtbank te zullen naleven en de rechtbank geen reden heeft daaraan te twijfelen.
Proceskosten

4.21.
Nu de vorderingen van [naam eiser] in conventie slechts gedeeltelijk wordt toegewezen, is er aanleiding de proceskosten in conventie tussen partijen aldus te compenseren dat ieder de eigen proceskosten zal dragen. In reconventie luidt de beslissing over de proceskosten dezelfde, omdat ook in reconventie slechts één van de vorderingen van Allianz is toegewezen.
in het incident

4.22.
[naam eiser] is op 28 april 2018 betrokken geraakt bij een tweede aanrijding. Daarbij is hij aangereden door een verzekerde van ASR. Allianz vordert op grond van artikel 843a Rv de afgifte door [naam eiser] van stukken die verband houden met deze tweede aanrijding, nu [naam eiser] deze niet vrijwillig wil verstrekken. Bij deze vordering stelt Allianz belang te hebben omdat de door haar opgevraagde bescheiden duidelijkheid kunnen geven over de vragen die in de onderhavige procedure tussen [naam eiser] en Allianz voorliggen, zoals de vraag naar causaal verband tussen aanrijding en de gestelde klachten, beperkingen en arbeidsongeschiktheid van [naam eiser] .
4.23.
Bij de vordering heeft Allianz onvoldoende belang, gezien de uitkomst van de hoofdzaak, waarbij de primaire vordering van [naam eiser] is afgewezen en de subsidiaire voorwaardelijke vordering in reconventie van Allianz is toegewezen. De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen. Een kostenveroordeling zal achterwege blijven nu [naam eiser] slechts summier en mondeling verweer heeft gevoerd en de kosten daarom op nihil worden begroot.
beslissing

5

De rechtbank
in het incident

5.1.
wijst de vordering af;
in conventie

5.2.
veroordeelt Allianz om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de registratie van de persoonsgegevens van [naam eiser] in haar Interne Verwijzingsregister ongedaan te maken,
5.3.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde,
5.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
in reconventie

5.6.
verklaart voor recht dat de ongevalsgerelateerde schade van [naam verweerder] met de betaalde voorschotten van € 1.500,= en daarnaast de vergoeding van de schade aan de door [naam verweerder] ten tijde van de aanrijding bestuurde auto volledig is vergoed en dat Allianz tot niets meer is gehouden jegens [naam verweerder] in verband met de aanrijding op 5 oktober 2015,
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde,
5.8.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2019.3152 /