Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:6443

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:6443, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/810432-18


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/810432-18Datum uitspraak: 7 augustus 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie.
Raadsman mr. J.P. Vandervoodt, advocaat te Rotterdam.

ECLI:NL:RBROT:2019:6443:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/810432-18Datum uitspraak: 7 augustus 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie.
Raadsman mr. J.P. Vandervoodt, advocaat te Rotterdam.

1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie, mr. J.B. Wooldrik, heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek van voorarrest;

oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een contactverbod met de drie aangeefsters (met een bevel dadelijke uitvoerbaarheid) alsmede een locatieverbod ten aanzien van één van de aangeefsters.

4

4.1.
Inleiding

De onderhavige zaak betreft de verdenking van een zedenmisdrijf met minderjarigen; namelijk de twee nichtjes en de dochter van de verdachte toen zij tussen de 11 en 18 jaar waren. De vraag of is voldaan aan het bewijsminimumvoorschrift van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering doet zich in de rechtspraktijk niet zelden juist bij seksueel-misbruikzaken voor. Het gaat daarbij immers veelal om zaken waarin de feiten zich in het verborgene afspelen en waarbij het in de kern dus gaat om het woord van de aangever tegen dat van de verdachte. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat in dergelijke gevallen niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangeefster op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Er mag dan geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen het overige gebruikte bewijsmateriaal en de verklaring van de aangeefster.
Wat bij de hierna volgende bewijsbeoordeling verder voor ogen te houden is, is dat de zaak een redelijk zwart-wit karakter heeft. De aangeefsters zeggen, ieder voor zich, seksueel misbruikt te zijn door de verdachte. De verdachte ontkent iedere vorm van misbruik en zegt door zijn nichtjes en dochter valselijk beschuldigd te zijn uit wraak omdat hij in het verleden twee van hen heeft geslagen. Er is geen discussie over de vraag of de herinneringen van aangeefsters zijn vervormd of beïnvloed door tijdsverloop of door de toenmalige leeftijd van de aangeefsters.

4.2.
Bewijswaardering feiten 2 t/m 5

4.2.1.
Standpunt verdediging

De rechtbank begrijpt het pleidooi van de raadsman als volgt. De raadsman heeft vrijspraak bepleit, nu de verdachte stellig ontkent en er aan de verklaringen van de drie aangeefsters weinig waarde gehecht dient te worden. Hiertoe is aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters erg veel op elkaar lijken, wat past bij het scenario dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Hier komt bij dat de aangeefsters in de voorfase geen ernstige signalen hebben afgegeven. Bovendien bevat het dossier getuigenverklaringen waaruit blijkt dat de aangeefsters vaker in strijd met de waarheid verklaren. Voorts hebben geen van de aangeefsters ten tijde van en direct na het vermeende misbruik daar melding van gemaakt.De verdachte stelt dat de aangeefsters aangiften van seksueel misbruik hebben gedaan uit wraak voor de strenge opvoedingsmethode die hij hanteerde en omdat zij op geld uit zijn.
4.2.2.
Beoordeling

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefsters en steunbewijs

[naam aangeefster 1] heeft op 27 augustus 2018, na een informatief gesprek met zedenrechercheurs, aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door haar oom, de verdachte. Hierna is aangeefster in de studio gehoord door een gecertificeerd studioverhoorder. Zij heeft verklaard dat de verdachte gemeenschap met haar heeft gehad. De eerste keer was in Curaçao en de laatste keer was in Nederland. In totaal stelt zij tussen de 4 en 20 keer seksueel te zijn misbruikt door verdachte. De eerste keer vond plaats op een dag dat de verdachte voor de woning van haar oma aan het tatoeëren was. Nadat aangeefster naar binnen ging is de verdachte haar gevolgd en heeft gemeenschap met haar gehad. Hij heeft zijn tong en zijn penis in haar vagina gebracht en is klaargekomen.Aangeefster verklaart op 25 april 2018 naar Nederland te zijn gekomen. Hier heeft de verdachte wederom gemeenschap met haar gehad. De laatste keer was in juli 2018 en vond bij de verdachte thuis in de woonkamer plaats toen familieleden lagen te slapen.
Namens de zus van [naam aangeefster 1] , [naam aangeefster 2] is op 16 oktober 2018, na een informatief gesprek met zedenrechercheurs, aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door haar oom, de verdachte. Zij is op 30 augustus 2018 als getuige gehoord en heeft verklaard dat de verdachte 5 keer gemeenschap met haar heeft gehad in Curaçao. De tante van aangeefster, [naam] , is in 2016 overleden en de verdachte was ten tijde van de begrafenis in Curaçao. Toen aangeefster ging douchen, kwam de verdachte naar de badkamer en heeft aangeefster daar aangeraakt bij haar borsten, billen en vagina. De volgende dag heeft de verdachte gemeenschap met haar gehad in de woning van haar oma. Hij heeft haar overal aangeraakt en deed zijn penis in haar vagina. Een paar dagen na de begrafenis heeft de verdachte wederom gemeenschap gehad met aangeefster.

[naam aangeefster 3] heeft op 8 oktober 2018 aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door haar vader, de verdachte. Zij heeft verklaard dat het seksueel misbruik is begonnen rond 2007. Toen de verdachte in Rotterdam woonde, logeerde aangeefster bij hem in het weekend. Tijdens het douchen heeft de verdachte haar borsten en vagina betast. Hierna heeft de verdachte aangeefster op het bed seksueel misbruikt door met zijn neus tussen haar schaamlippen en met zijn penis in haar vagina te gaan. Het is tweemaal gebeurd dat de verdachte met zijn penis in haar vagina ging.

De rechtbank acht de verklaringen van aangeefsters betrouwbaar en zal deze aangiftes gebruiken voor het bewijs. Aangeefsters hebben steeds redelijk gedetailleerd en consistent verklaard over het seksueel misbruik. Zij hebben verteld wat er is gebeurd en ook aangegeven wanneer ze zich bepaalde dingen niet meer konden herinneren. De aangeefsters verklaren over details die zijn geverifieerd en blijken te kloppen. Zo verklaart [naam aangeefster 1] dat zij toen zij twaalf jaar was over het seksueel misbruik heeft gesproken met haar directrice van de [naam school] en dat deze directrice haar moeder en haar oma hierover heeft gebeld. De directrice, mevrouw [naam schooldirectrice] , bevestigt in 2019 dat aangeefster een aantal jaar geleden over het seksueel misbruik met haar oom uit Nederland heeft gesproken. Ook de oma van aangeefster, mevrouw [naam moeder verdachte] , tevens de moeder van de verdachte, bevestigt dat zij door de directrice is uitgenodigd op school om hierover te praten en zij bevestigt dat het daarbij ging om de verdachte. De aangifte van [naam aangeefster 1] vindt dan ook steun in deze bevestigingen. [naam aangeefster 2] verklaart over het overlijden van haar tante [naam] en dat op dat moment ook het kindje van [naam aangeefster 3] werd geboren. Verder verklaart zij dat de verdachte na de begrafenis van [naam] nog enige tijd op Curaçao was en dat de verdachte haar ook in die periode heeft misbruikt. Uit de stukken blijkt dat die tante op 1 september 2016 is overleden. Volgens de verdachte heeft de begrafenis enkele dagen daarna plaatsgevonden en is hij de dag van de begrafenis direct naar Nederland gevlogen. Echter, uit de gegevens van de politie in Curaçao en van de luchtvaartmaatschappij blijkt dat de verdachte pas op 18 september 2016 is teruggevlogen naar Nederland. Deze gegevens ondersteunen de aangifte van [naam aangeefster 2] in zoverre dat het bevestigt dat de verdachte inderdaad destijds op Curaçao was.Ook [naam aangeefster 3] heeft reeds in 2010 tegen haar moeder en tante verteld dat zij door haar vader is misbruikt hetgeen door hen beiden wordt bevestigd. De aangifte van [naam aangeefster 3] vindt op dat punt dan ook steun in de verklaringen van haar moeder en tante.
Anders dan de raadsman heeft bepleit komt de rechtbank niet tot het oordeel dat de aangeefsters hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. [naam aangeefster 1] en [naam aangeefster 3] hebben reeds jaren eerder onafhankelijk van elkaar melding gedaan van seksueel misbruik gepleegd door de verdachte. Zij hebben hier pas in 2018 met elkaar over gesproken en hebben daarna besloten dit nogmaals te melden en nu wel aangifte te doen.Het feit dat de aangeefsters het volgens de verdediging in het verleden niet nauw hebben genomen met het vertellen van de waarheid, doet volgens de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van hun aangiften in de onderhavige zaak doordat deze in onderdelen worden gesteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Daar komt bij dat een deel van de familieleden – onder wie de moeder van verdachte en zijn zus [naam zus verdachte] – die zegt dat aangeefsters niet te vertrouwen zijn, ook verklaart dat de verdachte geen eerdere justitiecontacten heeft gehad op het gebied van zedenzaken. Echter, de verdachte is eerder veroordeeld voor misbruik van een ander nichtje. De verdachte heeft op zitting bevestigd dat zijn moeder en zussen van deze veroordeling op de hoogte zijn. Dit maakt dat de rechtbank met name ten aanzien van de verklaring van de moeder van de verdachte en zijn zus [naam zus verdachte] over het ‘leugenachtige karakter’ van aangeefsters weinig waarde toekent.
Schakelbewijs

De verklaringen van [naam aangeefster 1] , [naam aangeefster 2] en [naam aangeefster 3] staan bovendien niet ieder op zich zelf. De verdachte wordt door hen alle drie beschuldigd van seksueel misbruik.
Volgens vaste jurisprudentie mogen verklaringen van andere aangeefsters in zedenzaken tegen dezelfde verdachte als schakelbewijs worden gebruikt. Daarvoor is wel vereist dat die verklaringen (en eventueel steunbewijs dat daarvoor is) op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertonen met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte. Dat geldt zelfs als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend bewezen zou kunnen worden (vgl. HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, NJ 2018/84 m.nt. Reijntjes, rov. 2.4.).

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een overeenkomende modus operandi. De verdachte is familie van de aangeefsters en het misbruik heeft bij elk van de aangeefsters plaatsgevonden rond het begin van hun tienerjaren. In een aantal gevallen is het begonnen in de badkamer waar de verdachte hen heeft betast. Hierna ging het seksueel misbruik over in geslachtsgemeenschap in de woon- of slaapkamer. De aangeefsters werden op de rand van het bed geplaatst, hij betastte hen met zijn vingers dan wel tong en bracht vervolgens zijn penis in hun vagina.

De aangiftes van [naam aangeefster 1] , [naam aangeefster 2] en [naam aangeefster 3] worden daarom over en weer als schakelbewijs gebruikt voor de feiten 2 tot en met 5.

Geen geloofwaardige verklaring van de verdachte waarom [naam aangeefster 1] , [naam aangeefster 2] en [naam aangeefster 3] onjuist zouden hebben verklaard

De rechtbank is van oordeel dat tegenover de aangiftes en de overige bewijsmiddelen uit het dossier, geen aannemelijke verklaring van de verdachte staat waarom alle aangeefsters over hem zouden liegen. De verdachte stelt dat de aangeefsters de beschuldigingen hebben verzonnen omdat zij boos op hem zijn vanwege het feit dat hij [naam aangeefster 2] en [naam aangeefster 3] in het verleden heeft geslagen. De rechtbank acht het onaannemelijk dat de drie aangeefsters jaren nadat de verdachte twee van hen zou hebben geslagen een valse aangifte zouden doen van seksueel misbruik van jaren geleden. Bovendien miskent de verklaring van de verdachte dat [naam aangeefster 1] en [naam aangeefster 3] in een verder verleden ook al hadden gemeld dat er sprake was van seksueel misbruik door de verdachte. Die eerdere meldingen lijken op geen enkele wijze te zijn ingegeven door overleg tussen [naam aangeefster 1] en [naam aangeefster 3] .
Slotsom

Uit de voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, en mede bij gebreke van een geloofwaardige uitleg van de verdachte, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte zich meerdere malen heeft schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van [naam aangeefster 1] , [naam aangeefster 2] en [naam aangeefster 3] . Dat zij destijds niet direct ‘van de daken geschreeuwd hebben dat zij misbruikt zijn’ en dat zijn dochter op enig moment na de geboorte van haar eerste kind weer contact met hem zocht, zoals de verdachte in zijn verweer aanvoert, weegt niet op tegen het voorgaande.
4.2.3.
Conclusie

Het onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Vrijspraak feit 1

4.3.1.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe is aangevoerd dat aangeefster [naam aangeefster 1] heeft verklaard dat zij is misbruikt door haar oom toen ze ongeveer 12 jaar was en haar verklaring dient als betrouwbaar te worden aangemerkt.
4.3.2.
Beoordeling en conclusie

[naam aangeefster 1] heeft in haar aangifte verklaard over het seksueel misbruik dat rond haar 12e heeft plaatsgevonden. Zij verklaart ook dat het seksueel misbruik eerder al had plaatsgevonden, maar dat dit de eerste keer was dat zij het zich kon herinneren.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het misbruik van [naam aangeefster 1] heeft plaatsgevonden toen zij jonger dan 12 jaar was.

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.4.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
2.

hij op meer tijdstippen in de periode van 20 augustus 2012 tot en met 19 augustus 2016 te Curaçao, met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2000), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende verdachte (telkens):
3.

hij op meer tijdstippen in de periode van 20 augustus 2016 tot en met 31 juli 2018 te Curaçao, en/of te Rotterdam, door een feitelijkheid iemand, te weten [naam slachtoffer 1] , een aan zijn, verdachtes, waakzaamheid en/of zorg toevertrouwde mindejarige, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende verdachte zijn penis en tong in haar vagina gebracht en bestaande eenfeitelijkheid hierin:
4.

hij op meer tijdstippen in de periode van te Curaçao met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 2002), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende verdachte (telkens):
5.

hij op meer tijdstippen in 01 januari 2007 tot en met 09 april 2009 te Rotterdam met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met zijn dochter genaamd [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 1993), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende verdachte (telkens):
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

- zijn tong in haar vagina gebracht en/of - zijn penis in haar vagina gebracht en/of - met zijn tong haar vagina aangeraakt ;
- dat verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke en emotionele en geestelijke overwicht en van de machtsverhouding, ontstaan door het seksueel misbruik in de jaren ervoor;
- haar borsten en billen betast en/of - zijn vingers in haar vagina gebracht en/of - zijn penis in haar vagina gebracht
- haar borsten en vagina betast en/of - zijn neus en/of zijn tong tussen haar schaamlippen gebracht en/of - zijn penis in haar vagina gebracht.
5

De bewezen feiten leveren op:
feit 2:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

feit 3:

verkrachting, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

feit 4:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

feit 5:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn twee nichtjes en zijn dochter, waaronder het seksueel binnendringen. De verdachte heeft in de periode van 20 augustus 2012 tot en met 31 juli 2018 zijn nichtje [naam aangeefster 1] 4 tot 20 maal seksueel misbruikt. Het seksueel misbruik begon toen zij 12 jaar was en ging door tot haar 17e. De verdachte heeft in de periode van 24 augustus 2016 tot en met 18 september 2016 zijn nichtje [naam aangeefster 2] 5 maal seksueel misbruikt. Het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden toen zij 13 jaar was. De verdachte heeft voorts in de periode van 1 januari 2007 tot en met 9 april 2009 zijn dochter 2 of 3 maal seksueel misbruikt. Zij was op dat moment 13 jaar en het eindigde op haar 15e.
De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van drie jonge meisjes. Hij heeft daarbij ernstig misbruik gemaakt van zijn, uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie waarin de slachtoffers zich bevonden. De verdachte heeft hiermee de lichamelijke integriteit van hen geschonden en heeft een normale en gezonde seksuele ontwikkeling van de kinderen, verstoord. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke handelingen schade kunnen toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. De verdachte is hier volledig aan voorbij gegaan en heeft zich kennelijk slechts laten leiden door de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Minderjaren zijn juist vanwege hun leeftijd niet altijd in staat de juistheid en de gevolgen van hun handelen te overzien, in het bijzonder bij gedragingen die niet bij hun leeftijd passen, zoals seksuele handelingen. Zij behoeven in dergelijke gevallen bescherming. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat deze minderjarige meisjes – jonge kinderen nog – in hem hadden. De verdachte is blijven volharden in zijn ontkennende houding. Hiermee heeft hij aan de aangeefsters de erkenning van het leed dat hen is toegebracht onthouden, terwijl, naar uit algemene ervaringsregels volgt, juist die erkenning van groot belang is voor de verwerking van dat leed.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.
Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op het Nederlandse uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 juli 2019, waaruit blijkt dat de verdachte langer dan vijf jaar geleden tweemaal eerder is veroordeeld voor een zedendelict.
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het Antilliaanse uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 april 2019, waaruit blijkt dat de verdachte op de Antillen niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.
Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 8 juli 2019. Dit rapport houdt onder andere het volgende in.
De verdachte schetst een positief beeld over zichzelf; hij heeft een langdurige partnerrelatie en hij heeft een zinvolle, structurele dagbesteding in de vorm van zijn motorclub. Ten aanzien van zijn familie beschrijft de verdachte dat hij diverse neven en nichten heeft opgevangen in Nederland, dat hij vriendschappelijke relaties onderhoudt met de moeders van zijn vijf kinderen en een goede band heeft met zijn kinderen.De verdachte heeft financiële problemen. Omdat hij arbeidsongeschikt is geworden na een motorongeval in 2008 ontvangt de verdachte een bijstandsuitkering. Deze uitkering is twee maanden voor zijn detentie stopgezet, omdat de dienst Werk en Inkomen van mening is dat de verdachte inkomsten heeft uit zijn motorclub. Zijn schulden bedragen inmiddels ongeveer 20.000 euro.Ten aanzien van zijn seksualiteitsbeleving rapporteert de verdachte geen bijzonderheden. Hij zou seksuele relaties hebben met volwassen vrouwen en heeft geen afwijkende fantasieën of verlangens. Er zijn aanwijzingen voor problemen met betrekking tot zijn persoonlijkheid.Met betrekking tot huisvesting en financiën geeft de verdachte aan dat hij zijn financiën met de casemanager van de DJI heeft geregeld en dat hij via via contact heeft met een instelling die na zijn detentie gaat zorgen voor huisvesting.De reclassering kan met de beschikbare informatie niet adviseren of interventies en/of toezicht nodig zijn.
7.4.
Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Daarbij past de kanttekening dat dit soort zaken zich moeilijk met elkaar laat vergelijken, gelet op de grote verscheidenheid aan variabelen zoals de aard van het misbruik, de duur van het misbruik, alsmede de verhoudingen tussen de verdachte en de slachtoffers.

In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte gedurende een lange periode drie jonge meisjes seksueel heeft misbruikt. Daarnaast zijn deze meisjes familie van hem. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder is veroordeeld voor zedenfeiten en dat hij geen openheid van zaken heeft willen geven.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de aard van het seksueel misbruik, waarbij het seksueel binnendringen als de meest vergaande schending van de lichamelijke integriteit wordt aangemerkt. Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur wordt daarvoor dan ook passend geacht. Daarbij betrekt de rechtbank als belangrijk doel van de straf dat het dient ter vergelding voor het aan de slachtoffers toegebracht groot leed en de beveiliging van de maatschappij tegen de verdachte.

Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank geen maatregel opleggen strekkende tot beperking van de vrijheid van de verdachte zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de hoogte van de hierna te noemen gevangenisstraf (zeven jaar) en de maximale duur van een dergelijke maatregel (vijf jaar), is de rechtbank de noodzaak hiertoe niet gebleken.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaringen, passend en geboden.

8

8.1.
Lijst van in beslag genomen goederen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de lijst van in beslag genomen goederen overgelegd. Hierop staan de volgende goederen vermeld:
arabic

personenauto [kentekennummer 1] , Toyota Yaris 2008, [beslagnummer 1] ;

motorfiets [kentekennummer 2] , Suzuki VS700, [beslagnummer 2] ;

motorfiets [kentekennummer 3] , Suzuki GSX-R1000, [beslagnummer 3] ;

kentekenbewijs [kentekennummer 4]

kentekenbewijs [kentekennummer 5]

kentekenbewijs [kentekennummer 6] ;

kentekenbewijs [kentekennummer 7] ;

kentekenbewijs [kentekennummer 8] .

8.2.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen kentekenbewijzen verbeurd te verklaren en de in beslag genomen motorfietsen te onttrekken aan het verkeer. Omdat op de personenauto conservatoir beslag rust, hoeft de rechtbank hier geen beslissing op te nemen.
8.3.
Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat goederen die afkomstig zijn van misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
8.4.
Beoordeling

Alle in beslag genomen goederen, zowel de kentekenbewijzen als de motorfietsen, met uitzondering van de personenauto, zullen worden onttrokken aan het verkeer.
Ten aanzien van de in beslag genomen personenauto zal de rechtbank geen beslissing nemen, gelet op het conservatoire beslag dat hier op rust.

9

9.1.
Benadeelde partijen

[naam benadeelde 1]

heeft zich ter zake van de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
[naam benadeelde 2]

heeft zich ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
[naam benadeelde 3]

heeft zich ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
9.2.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.3.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat - in geval van een veroordeling - de hoogte van de toe te wijzen vorderingen moeilijk zijn in te schatten. De raadsman verzoekt de rechtbank wel te kijken naar de mogelijkheid om de gevorderde bedragen in geval van toewijzing te matigen, gelet op het feit dat de verdachte geen verhaal biedt gezien zijn huidige financiële situatie.
9.4.
Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partijen door de bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Dit volgt uit de aard van het soort delict en de verklaringen van de aangeefsters.Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden en gelet op de bedragen die worden toegewezen in vergelijkbare zaken naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 10.000,-. Daarbij is in aanmerking genomen dat de geleden immateriële schade slechts ten dele is onderbouwd. De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
De benadeelde partij [naam benadeelde 1] heeft gevorderd de te vergoeden bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 31 juli 2018.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] heeft gevorderd de te vergoeden bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 september 2016.

De benadeelde partij [naam benadeelde 3] heeft gevorderd de te vergoeden bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 9 april 2009.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen in overwegende mate zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

9.5.
Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 3] een ieder een schadevergoeding betalen van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de verdachte in slechte financiële omstandigheden verkeert, geen aanleiding om de te betalen schadevergoeding te matigen.
10

Gelet is op de artikelen 36b, 36d, 36f, 57, 60a, 242 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

11

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

12

De rechtbank:
- verklaart onttrokken aan het verkeer: de vijf kentekenbewijzen en twee motorfietsen met goedcodes G5443357 en G3859818;

- zijn vinger(s) en/of tong in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen geduwd/gebracht en/of - zijn penis in haar vagina geduwd/gebracht/gehouden en/of - met zijn hand(en) en/of vinger(s) en of tong haar vagina aangeraakt en/of over heen gewreven en/of aan gelikt;
- zijn vinger(s) en/of tong in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen geduwd/gebracht en/of - zijn penis in haar vagina geduwd/gebracht/gehouden en/of - met zijn hand(en) en/of vinger(s) en of tong haar vagina aangeraakt en/of over heen gewreven en/of aan gelikt;
- dat verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke en/of emotionele en/of geestelijke overwicht en/of van de machtsverhouding, ontstaan door het seksueel misbruik in de jaren ervoor;
- haar borsten en billen betast en/of - zijn vinger(s) in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen geduwd/gebracht en/of - zijn penis in haar vagina geduwd/gebracht/gehouden en/of - met zijn vinger(s) over haar vagina gewreven;
- haar borsten en/of billen en/of vagina betast en/of - zijn neus en/of zijn tong en/of zijn vinger(s) in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen geduwd/gebracht en/of - zijn penis in haar vagina geduwd/gebracht/gehouden;
Beslissingen aangaande het bewijs en de strafbaarheid van de feiten en de verdachteverklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Op te leggen straf

veroordeelt de verdachte tot een beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Beslissingen aangaande het beslag beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

Benadeelde partij [naam benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij , te betalen een bedrag van bestaande uit € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen hoofdsomtienduizend euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 10.000,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van ; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
Benadeelde partij [naam benadeelde 2]

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij , te betalen een bedrag bestaande uit € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen hoofdsomtienduizend euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 september 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 10.000,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van ; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
Benadeelde partij [naam benadeelde 3]

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij , te betalen een bedrag van , bestaande uit € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 april 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen ,- (hoofdsom, : tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 10.000,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van ; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:mr. N. Doorduijn, voorzitter,en mrs. C. Vogtschmidt en S.N. Abdoelkadir, rechters,in tegenwoordigheid van mrs. L. Lobs-Tanzarella en I.A.C. van Mulbregt, griffiers,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter en de griffier Van Mulbregt zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 19 augustus 2012 te Curaçao, met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2000), handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende verdachte (telkens):
2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 augustus 2012 tot en met 19 augustus 2016 te Curaçao, met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2000), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende verdachte (telkens):
3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 augustus 2016 tot en met 31 juli 2018 te Curaçao, en of te Rotterdam, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [naam slachtoffer 1] , een aan zijn, verdachte's, waakzaamheid en/of zorg toevertrouwde mindejarige, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende verdachte zijn penis en/of vinger(s) en/of tong in haar vagina gebracht/geduwd en bestaande het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) hierin:
4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2016 tot en met 27 november 2016 te Curaçao met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 2002), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende verdachte (telkens):
5.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks 01 januari 2007 tot en met 09 april 2009 te Vlaardingen en/of te Rotterdam met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met zijn dochter genaamd [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 1993), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende verdachte (telkens):