Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:6323

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:6323, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/750068-17


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/750068-17Datum uitspraak: 7 augustus 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1974, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , raadsvrouw mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam.

ECLI:NL:RBROT:2019:6323:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/750068-17Datum uitspraak: 7 augustus 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1974, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , raadsvrouw mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De tenlastelegging houdt kort gezegd in dat de verdachte:

-

in september 2017 via de Rotterdamse haven 364 kilo cocaïne heeft ingevoerd en daartoe voorbereidingshandelingen heeft verricht (feiten 1 en 2);

in juli 2017 via de Rotterdamse haven 97 kilo cocaïne heeft ingevoerd en daartoe voorbereidingshandelingen heeft verricht (feiten 3 en 4);

in augustus 2017 via de Rotterdamse haven 700 kilo cocaïne heeft ingevoerd en daartoe voorbereidingshandelingen heeft verricht (feiten 5 en 6)

zich in zijn functie als medewerker bij Europe Container Terminals (hierna: ECT) heeft laten omkopen om bovengenoemde feiten te plegen (feit 7).

3

De officier van justitie mr. P.A. Willemse heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek van voorarrest.

4

4.1
Rechtmatigheid van de start van het onderzoek

Standpunt verdediging

Het onderzoek dat in deze zaak naar de verdachte is ingesteld, genaamd Neptunus, is onrechtmatig geweest omdat er bij de start daarvan geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Dit is een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dat gelet op de ernst van de schending en het nadeel ervan voor de verdachte moet leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat door middel van het onderzoek is verkregen.
Subsidiair heeft de verdediging verzocht de tactisch teamleider van het onderzoek Neptunus als getuige te horen, om aan de hand van zijn verklaring vast te kunnen stellen hoe de verdenking richting de verdachte tot stand is gekomen.

Beoordeling

Uit het dossier blijkt dat zich in september en oktober 2016 enkele incidenten hebben voorgedaan met betrekking tot de vermoedelijke invoer van verdovende middelen in containers op de ECT-terminal, waarbij vanuit de computersystemen van ECT met betrekking tot die containers opvallende handelingen zijn verricht. Uit daarnaar ingesteld onderzoek bleek onder meer dat voor één van die containers diverse zoekopdrachten zijn verricht en opdrachten tot verplaatsing waren gegeven vanaf het persoonlijke account dat in gebruik was bij de verdachte. Deze omstandigheden acht de rechtbank van voldoende gewicht voor een gerechtvaardigde verdenking jegens de verdachte.
Omdat op basis van het huidige dossier de totstandkoming van de verdenking richting de verdachte dus in voldoende mate kan worden vastgesteld, vindt de rechtbank het niet noodzakelijk om de door de verdediging verzochte getuige daarover te horen. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.

Conclusie

Het onderzoek dat in deze zaak naar de verdachte is ingesteld, is rechtmatig geweest. De resultaten van het onderzoek kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
4.2
Bewijswaardering

Feit 1 en 2 (zaak Lichter)

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen hierna onder 4.3 zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
De bewezenverklaring houdt – kort gezegd – in dat de verdachte in de periode van 30 augustus 2017 tot en met 13 september 2017 als medewerker van ECT betrokken is geweest bij de invoer van 364 kilo cocaïne. Hij heeft in dat verband containers bevraagd in de systemen van ECT en heeft in de systemen van ECT opdrachten gegeven om bepaalde containers te verplaatsen. Hij deed dit zodat het voor anderen mogelijk werd de 364 kilo cocaïne uit één van die containers ongezien het terrein van ECT af te krijgen en verder het land in te vervoeren.

Feit 3 en 4 (zaak Erfenis)

Standpunt verdediging

Primair moet de verdachte worden vrijgesproken vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is – kort samengevat – het volgende aangevoerd:
Subsidiair verzoekt de verdediging om het horen van drie bij het onderzoek betrokken politieagenten als getuigen.
Beoordeling

De verdachte is werkzaam geweest als medewerker planning en aansturing bij ECT. In het onderzoek naar de loggegevens van de handelingen die op 4 en 5 juli 2017 via het persoonlijke account van de verdachte bij ECT zijn verricht, vallen de politie twee containers op: die met nummer YMMU6081476 en die met nummer XINU1492689. Op 4 juli 2017 is tweemaal kort achter elkaar handmatig opdracht gegeven tot het verplaatsen van de (reeds door de Douane vrijgegeven) container met nummer YMMU6081476. Op 5 juli 2017 is kort achter elkaar viermaal handmatig opdracht gegeven tot het verplaatsen van de (nog niet vrijgegeven) container met nummer XINU1492689. Na de verplaatsingen stonden beide containers dicht bij elkaar in de buurt. Ter plaatse wordt nader onderzoek ingesteld naar de container met nummer XINU1492689. Verbalisanten constateren dat het zegel van deze container is doorgeknipt. Vervolgens stuiten zij in de buurt van de container op drie sporttassen waarin, naar later blijkt, 97 kilo cocaïne zit. Kort daarna zien zij drie onbekende mannen wegrennen. Op grond van de ter plaatse aangetroffen sporen wordt geconcludeerd dat de sporttassen met cocaïne afkomstig zijn geweest uit de container met nummer XINU1492689.
De rechtbank constateert op basis van het voorgaande dat er vanaf het persoonlijke account van de verdachte opdrachten zijn gegeven tot verplaatsing van twee containers, waardoor deze dicht bij elkaar zijn komen te staan. In container XINU1492689 bevond zich cocaïne. Het verplaatsen van beide containers is kennelijk gedaan met het doel om het voor anderen mogelijk te maken handelingen te verrichten die erop gericht zijn de cocaïne (verder) Nederland in te voeren, ook wel omschreven als: de ‘switch methode’ (nader uitgelegd in bewijsmiddel nummer 8).

De vraag die dan nog voorligt, is of het de verdachte is geweest die de betreffende handelingen via zijn persoonlijke account heeft verricht. In dit kader overweegt de rechtbank het volgende.

In gebouw 21 – de vaste werkplek van de verdachte – worden de verschillende werkzaamheden verricht vanaf vaste werkplekken. Aan deze werkplekken zijn generieke accounts gekoppeld: DT_OPS. Vanaf een vaste werkplek kunnen alleen handelingen worden verricht met betrekking tot de taak die aan de betreffende werkplek verbonden is. In de op de werkplek draaiende programma’s moet wel worden ingelogd met een persoonlijk account. Het is ook mogelijk om met een persoonlijk account in te loggen op een andere werkplek dan de vaste werkplek in gebouw 21. Opdrachten die gegeven worden vanuit een persoonlijk account zijn herkenbaar aan de persoonlijke account naam. Ook de verdachte had een dergelijk account, DT\\engelw.De verdachte was telkens aanwezig bij ECT op de momenten waarop eerder genoemde handelingen (containerverplaatsingen) zijn verricht vanuit zijn persoonlijk account. Dat men op de afdeling waar de verdachte werkzaam was in het algemeen niet op elkaars persoonlijke account werkzaamheden verricht, blijkt uit de verklaringen van de verschillende collega’s van de verdachte. Dat een andere medewerker op het persoonlijke account van de verdachte heeft gewerkt en vervolgens de bewuste handelingen heeft verricht, is daarom niet aannemelijk. Verdachtes stelling dat hij op 4 juli 2017 niet kon inloggen op zijn persoonlijke account in gebouw 5 is niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is aannemelijk dat een collega op 4 juli op een werkplek van de verdachte in gebouw 21 heeft verder gewerkt. Uit verklaringen van collega’s blijkt dat het ongebruikelijk was om verder te werken op de werkplek van een collega. Er werd altijd opnieuw ingelogd.
De handelingen die in dit geval vanaf het persoonlijke account van de verdachte zijn verricht komen bovendien in vergaande mate overeen met de handelingen zoals die onder feit 1 en 2 aan de verdachte ten laste zijn gelegd, en die de verdachte heeft bekend. De dermate grote gelijkenissen tussen deze feiten acht de rechtbank mede redengevend voor het bewijs van betrokkenheid van de verdachte in dit specifieke geval.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de verdachte op 4 juli 2017 niet buiten het dienstrooster om heeft gewerkt. De verdachte is, gelet op de tijden waarop hij met zijn pas is aangemeld bij de ingaande en uitgaande poort (plus de tijd dat hij in gebouw 5 is geweest) nog geen twee uur aanwezig geweest bij ECT. Bij de politie verklaart de verdachte nog dat hij naar zijn werk was gekomen voor een gesprek met een persoon van HRM, dat hij daarna naar gebouw 21 is geweest om te praten met collega’s en dat hij vervolgens naar gebouw 5 is gegaan. Bovendien, als hij op zijn verzoek alsnog op het dienstrooster zou zijn geplaatst, zou hij niet zomaar na anderhalf uur van zijn werkplek hebben kunnen vertrekken. Iedereen op de afdeling waar verdachte werkte was immers gedurende zijn dienst op een vaste werkplek ingeroosterd. De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte – die ook overigens niet is onderbouwd – dan ook niet aannemelijk.

Getuigenverzoek

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht om 97 kilo cocaïne Nederland in te voeren. Op grond van zijn gedragingen kan de verdachte bovendien als medepleger van de invoer van die cocaïne worden aangemerkt.
Feit 5 en 6 (zaak Quase)

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdachte heeft ontkend dat hij de container met nummer TCLU8001568 heeft losgekoppeld van het controlelabel LSIS. Hij werd die dag om 15:00 uur afgelost door een collega. Hij liet na een wisseling van de dienst altijd zijn account open staan. Een andere medewerker moet daarom de betreffende handeling op zijn persoonlijke account hebben verricht. Bovendien heeft het ontkoppelen van het LSIS-label geen zin, omdat de containers bij een rip-off-controle hoe dan ook direct naar de inspectiebuffer gaan.
Beoordeling

Op 17 augustus 2017 is in de container met nummer TCLU8001568 ongeveer 700 kilo cocaïne aangetroffen. Deze container was op 16 augustus 2017 in de Rotterdamse haven aangekomen met het schip [schip 1] , afkomstig uit Santos, Brazilië. De Douane had op 15 augustus 2017 om 14:10 uur aan ECT aangekondigd dat zij een zogenaamde ‘rip-off-controle’ wilde gaan uitvoeren op containers van de [schip 1] . Een rip-off-controle houdt in dat de Douane een aantal van tevoren geselecteerde containers direct na lossing van het schip controleert op de aanwezigheid van contrabande. Ook de container TCLU8001568, waarin later de cocaïne is aangetroffen, stond op de door de Douane aan ECT verzonden lijst van te controleren containers. Om de rip-off-controle efficiënt te laten verlopen, maakte ECT gebruik van de virtuele lichter LSIS. De te controleren containers worden in de computersystemen van ECT gekoppeld aan deze virtuele lichter, wat tot gevolg heeft dat deze containers bij elkaar worden geplaatst. Op 15 augustus 2017 is, conform genoemd werkproces, ook de container met nummer TCLU8001568 gekoppeld aan de virtuele lichter LSIS. Op 16 augustus 2017 om 15:00 uur is deze container vanaf het persoonlijke account van de verdachte weer losgekoppeld.
Samengevat staat het volgende vast:

Ook in dit geval heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat iemand anders de betreffende handelingen op het persoonlijke account van de verdachte moet hebben verricht.Uit gegevens van de pas, in gebruik bij de verdachte, blijkt dat hij op 16 augustus 2017 om 10:02 uur incheckte bij de ECT en om 15:26 uur weer uitcheckte. Op het moment dat de container werd losgekoppeld vanaf zijn werkaccount was de verdachte dus zelf aan het werk. Uit verklaringen van ECT-medewerkers volgt dat de periode van 15.00 uur tot 15.30 uur gebruikt wordt voor de overdracht aan de volgende ploeg. Directe collega [betrokkene] heeft bovendien verklaard dat het niet gebruikelijk was om verder te werken op het account van een collega van wie de dienst is geëindigd. Dat in dit concrete geval een andere medewerker op het account van de verdachte heeft verder gewerkt en vervolgens de bewuste handeling heeft verricht, is niet aannemelijk geworden. Vooral niet omdat de handeling aan het begin van de overdracht is geweest en de verdachte dus nog de dienst had op die werkplek.
Daarnaast is het volgende van belang. Op 15 augustus 2017 om 14:10 heeft de Douane de aankondiging aan ECT van de betreffende rip-off controle gedaan en de lijst met de te controleren containers verstuurd. De verdachte heeft verklaard dat hij vanuit ECT betrokken is geweest bij de rip-off-controle. Kort na de aankondiging, om 15:28 uur, voert de verdachte een gesprek met een onbekend gebleven man, tegen wie hij zegt: ‘Heleboel stress, stress, stress (…) stress heb ik net gekregen (…) Ik heb net, net, net gekregen, die stress.’ De rechtbank ziet een relatie tussen de inhoud van dit gesprek en de kort daarvoor aangekondigde controle van de container met cocaïne. De verklaring die de verdachte heeft gegeven voor de inhoud van dit gesprek, vindt de rechtbank niet aannemelijk, omdat het in dat geval vreemd is dat de reden van de stress niet zou zijn genoemd. Bovendien heeft de verdachte niet aangetoond dat hij kort daarvoor door zijn (inmiddels) ex-partner zou zijn gebeld dan wel berichtjes van haar heeft gehad met stress-veroorzakende inhoud.

De verdediging heeft aangevoerd dat het ontkoppelen van het LSIS-label geen zin heeft, omdat de containers bij een rip-off-controle direct naar de inspectiebuffer gaan. In het pleidooi heeft de verdediging zelfs aangevoerd dat LSIS geen enkele rol speelt bij rip-offs. De verdachte heeft in zijn schriftelijke verklaring van 23 juli 2019 echter gesteld dat wel degelijk gebruik wordt gemaakt van LSIS bij een rip-off-controle. Dat andere ECT-medewerkers daar niet mee bekend zijn, is niet zo vreemd in het licht van de verklaring van de verdachte dat een medewerker van de afdeling Databeheer (in een ander gebouw) de koppeling met LSIS uitvoert. De verdachte en zijn directe collega’s hoefden met betrekking tot de LSIS-koppeling dan ook geen handelingen te verrichten. Het is dus des te opvallender dat de verdachte vanaf zijn persoonlijke account de LSIS-koppeling ongedaan heeft gemaakt.

Ook het verweer dat ontkoppelen geen zin had, wordt onder meer weersproken door de verdachte zelf. Hij verklaart namelijk dat de meeste containers weliswaar rechtstreeks naar de inspectiebuffer gaan, maar dat de LSIS-lichter een soort back-up is, om zeker te weten dat een container een niet te lange route zal afleggen naar die inspectiebuffer. Het ontkoppelen van de container met cocaïne had dus tot gevolg dat die back-up ongedaan werd gemaakt. Dit was alles wat de verdachte nog kon doen om te proberen om de container nog enige tijd uit de rip-off-controle te houden en zijn medeverdachten de gelegenheid te bieden alsnog de cocaïne uit de container te halen of eventueel te verplaatsen naar een ‘veilige’ container.

Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de verdachte samen met anderen opzettelijk de container met nummer TCLU8001568 – waarvan hij wist dat die cocaïne bevatte – heeft losgekoppeld van de virtuele lichter LSIS, met als doel die container (in elk geval tijdelijk) trachten te onttrekken aan de rip-off-controle.

Conclusie

De verdachte heeft op voornoemde wijze geprobeerd anderen de gelegenheid te verschaffen om 700 kilo cocaïne Nederland in te voeren. Op grond van zijn gedragingen kan de verdachte als medepleger van de invoer van die cocaïne worden aangemerkt.
Van de overige ten laste gelegde voorbereidingshandelingen wordt de verdachte vrijgesproken omdat niet is komen vast te staan dat die handelingen – voor zover hij die al heeft verricht – in verband hebben gestaan met de invoer van de cocaïne.

Feit 7

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft nooit grote geldbedragen ontvangen en daar is ook geen bewijs voor. De goede financiële positie die de verdachte had is volledig terug te voeren op legale inkomsten. De door hem bekende feiten 1 en 2 heeft hij gepleegd omdat hij bedreigd werd, niet omdat hij daarvoor geld zou ontvangen.
Beoordeling

Zoals hiervoor uiteengezet is de verdachte in de periode van juni tot en met september 2017 in zijn functie als medewerker bij ECT driemaal betrokken geweest bij de invoer van cocaïne in containers via de terminal van ECT. De verdachte heeft deze betrokkenheid, en dus ook eventuele giften die hij hiervoor ontving (waarover hierna), altijd verzwegen tegenover zijn werkgever.
De ervaring leert dat in de Rotterdamse haven werkzame personen die behulpzaam zijn bij de invoer van cocaïne via die haven daar in de regel grote contante geldbedragen voor krijgen. De rechtbank ziet voldoende bewijs in het dossier dat dit in het geval van de verdachte ook aan de orde is geweest.

Het onderzoek heeft geen direct bewijs opgeleverd voor giften die de verdachte in ruil voor specifieke door hem verrichte handelingen zou hebben ontvangen. Uit onderzoek naar de inkomsten en uitgaven van de verdachte in de periode van 1 januari 2016 tot en met 13 september 2017 volgt echter dat de verdachte in die periode aanzienlijk meer contante uitgaven heeft gedaan dan hij – op papier – heeft ontvangen of van zijn bankrekeningen heeft opgenomen. Dit, in beginsel onverklaarbare, verschil bedraagt in totaal bijna € 95.000.

Door en namens de verdachte zijn verschillende verklaringen gegeven voor de herkomst van deze contante bedragen. Gesteld is onder meer dat een substantieel gedeelte afkomstig is van optredens die de verdachte als zanger heeft gegeven, tot wel 150 optredens per jaar. De verdachte heeft deze stelling echter niet onderbouwd, niet met verklaring van opdrachtgevers noch van aanwezigen bij zijn optredens. Dat een substantieel gedeelte van de contante gelden inkomsten uit zijn optredens betreft, is daarom niet aannemelijk geworden. Ook voor andere aangevoerde verklaringen – onder meer ter betwisting van de contante uitgaven – geldt dat deze niet dan wel onvoldoende zijn onderbouwd. Bovendien geldt dat zelfs als deze verweren aannemelijk zouden worden geacht, zij niet het totale bedrag aan contante uitgaven verklaren.

Conclusie

Op grond van het voorgaande is bewezen dat de verdachte in zijn functie als medewerker bij ECT giften heeft aangenomen voor het verrichten van de onder feit 1 tot en met 6 vermelde handelingen en het aannemen van die giften heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.


-

De verdachte heeft de ten laste gelegde containerverplaatsingen niet verricht. Vanaf de werkplek waar de verdachte zich bevond ten tijde van de containerverplaatsingen op 4 juli 2017 (gebouw 5, net buiten de toegangspoort van ECT) kon hij niet inloggen op zijn eigen account. Het kan niet anders dan dat collega’s hebben verder gewerkt op een werkplek van de verdachte in gebouw 21. Ook mogelijk is dat iemand anders op zijn persoonlijke account heeft gewerkt en vervolgens de containers heeft verplaatst. Collega’s kenden onderling elkaars wachtwoorden, zodat het mogelijk is dat een collega zijn persoonlijke account gebruikte. Voor zover hij de desbetreffende containers wel heeft verplaatst, behoorde dat tot zijn normale werkzaamheden op de desbetreffende momenten;

Dat de aangetroffen sporttassen met daarin de cocaïne uit een van de desbetreffende verplaatste containers kwamen is onvoldoende vastgesteld;

De verdachte is op 4 juli 2017 niet buiten het dienstrooster om, maar in overleg met een leidinggevende, op het werk verschenen.

-

Door de douane zijn 67 containers van het schip [schip 1] geselecteerd voor een rip-off-controle;

Op 15 augustus 2017 zijn 66 van deze 67 containers gekoppeld aan de virtuele lichter LSIS. Voor één van de 67 containers is kennelijk nooit een koppeling gemaakt, maar van enige relevantie daarvan in deze zaak is niet gebleken;

Van deze 66 containers is vanuit de account van de verdachte op 16 augustus 2017 container TCLU8001568 losgekoppeld van genoemde virtuele lichter;

Noch uit het dossier, noch uit de verklaring van de verdachte blijkt dat er een werkgerelateerde aanleiding of noodzaak was voor het loskoppelen van de container;

Op 17 augustus 2017 wordt in deze container 700 kilo cocaïne aangetroffen.

4.3
Bewezenverklaring

in afwijking van de gebruikelijke werkwijze en middels het geautomatiseerde systeem van de Europe Container Terminals (ECT)
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid tot het plegen van datfeit heeft getracht te verschaffen , immers heeft verdachte :- de container met nummer TCLU8001568 (met daarin 700 kilo cocaïne) ontkoppeld van het controlelabel "LSIS" met als doel die container te onttrekken aan een Ripp-Off-controle, en- de container met de nummer TCLU8001568 (met de cocaïne) en decontainer met nummer TCLU8274074 (telkens) in het geautomatiseerde systeem van de ECT (meermalen) bevraagd, en/ofdecontainer met nummer TCLU8274074 naar een andere stack verplaatst,7.
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, met daarin voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden voor de feiten 1 en 2. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, met daarin voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.hij in de periode van 10 september 2017 tot en met 13 september 2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 364 kilo cocaïne, zijnde cocaïneeen middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;
2.hij in de periode van 30 augustus 2017 tot en met 13 september 2017 te Rozenburg en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 364 kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,
3.hij in de periode van 5 juli 2017 tot en met 6 juli 2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 97 kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;
4.hij in de periode van 22 juni 2017 tot en met 6 juli 2017 te Rozenburg en/of Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 97 kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en te bevorderen,
5.hij in de periode van 16 augustus 2017 tot en met 17 augustus 2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 700 kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;
6.hij in de periode van 01 augustus 2017 tot en met 17 augustus 2017 te Rozenburg en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijkafleveren, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 700 kilo cocaïne, , zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,
- in afwijking van de gebruikelijke werkwijze middels het geautomatiseerde systeem van de ECT
hij op in de periode van 1 januari 2017 tot en met 13 september 2017 te Rozenburg en/of Rotterdam, meermalen, anders dan als ambtenaar, namelijk als medewerker werkzaam in dienstbetrekking bij Europe Container Terminals(ECT) naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn dienstbetrekking heeft gedaan een of meer gifte(n) , namelijk, één of meerdere contante geldbedragen heeft aangenomen, en dit aannemen in strijd met zijn plicht heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

-

zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen , immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):

contacten onderhouden en informatie uitgewisseld en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren van die cocaïne, en

de route en/of de aankomsttijd van containerschip [schip 2] gevolgd via de website www.marinetraffic.com, en

-

meermalen de nog niet door de douane vrijgegeven container met nummer HASU4786023 (met daarin de cocaïne) bevraagd, en

meermalen de container met nummer HASU4786023 (met daarin de cocaïne) (handmatig) verplaatst en/of (aldus) in de nabijheid van de door de douane vrijgegeven containers met nummers WFHU9017066 en ECMU812329 geplaatst;

-

zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):contacten onderhouden en informatie uitgewisseld met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren van die cocaïne, en

buiten zijn dienstrooster om op een werkplek op de Europe Container Terminals (ECT) heeft ingelogd en/of (vervolgens) in afwijking van de gebruikelijke werkwijze en/of middels het geautomatiseerde systeem van de ECT

de container met nummer YMMU6081476 (meermalen) bevraagd, en/of

(vervolgens) meermalen (handmatig) de nog niet door de douane vrijgegeven container met nummer XINU1492689 (met daarin de 97 kilo cocaïne) en de reeds door de douane vrijgegeven container met nummer YMMU6081476 (telkens) naar een andere stack verplaatst en/of (aldus) de voornoemde containers in elkaars nabijheid geplaatst, en

het zegel van de container XINU 1492689 doorgeknipt, en

drie sporttassen met daarin die 97 kilo cocaïne uit de container met nummer XINU 1492689 gehaald en/of (vervolgens) buiten die container gesleept en/of elders op het terrein van de ECT neergezet;

5

De bewezen feiten leveren op:
Feit 1, 3, 5 (telkens)

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

Feit 2, 4, 6 (telkens)

medeplegen van het, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

Feit 7

het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan, aannemen van een gift, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met anderen in een periode van enkele maanden driemaal een grote hoeveelheid cocaïne ingevoerd en daarop gerichte voorbereidingshandelingen gepleegd. Het gaat om 364 kilo, 97 kilo en 700 kilo. Daarbij heeft hij zich laten omkopen.
7.2.
Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 9 jaar geëist. Deze eis is deels gebaseerd op de nieuwe OM-richtlijnen voor de invoer van grote hoeveelheden cocaïne. De verdachte moet daarbij gezien worden als ‘logistiek persoon/contactpersoon/belangrijke uitvoerder’, waarbij strafverzwarend is dat hij zijn werk heeft misbruikt om de invoer mogelijk te maken. Ook heeft hij meerdere keren geïmporteerd, zodat hij meerdere keren een besluit heeft genomen. Daar komt dan nog de corruptie bij. Gelet op de – overigens casuïstische – jurisprudentie is een straf van 9 jaar passend.
7.3.
Standpunt verdediging

Volgens de verdediging moet er rekening mee gehouden dat de verdachte de feiten 1 en 2 onder ernstige bedreiging heeft gepleegd en dat hij geen financieel motief had. Ook moet er rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De gevolgen van de strafzaak zijn voor hem groot. Hij kan geen werk vinden, hij is gescheiden en er zijn zorgen om de kinderen van de verdachte. Daarnaast is er veel negatieve media-aandacht geweest rond de aanhouding van de verdachte, waarbij de strafzaak is gekoppeld aan zijn bestaan als artiest en hij zeer herkenbaar in beeld is gebracht. Hij loopt daardoor ook zakelijke opdrachten als artiest mis.
7.4.
Beoordeling

Voor het importeren van de grote hoeveelheden cocaïne was de rol van de verdachte als havenmedewerker essentieel. Hij werkte specifiek op de afdeling waarin hij containers kon verplaatsen en waarin hij containers in de systemen kon volgen. Door zijn handelen werden de containers op een handige plek geplaatst voor de ‘uithalers’, aan controle door de Douane onttrokken of op een geschikte plek voor de ‘switchmethode’. Bij deze methode wordt een container uit een ‘veilig land’, die dus weinig kans loopt gecontroleerd te worden en die al is vrijgegeven, dichtbij een container met verdovende middelen geplaatst en wordt de cocaïne uit de ene container gehaald en in de reeds vrijgegeven container geplaatst. Om deze smokkelmethode te kunnen toepassen is het van belang dat een havenmedewerker die daartoe bevoegd is, de containers verplaatst voordat de container met verdovende middelen wordt gecontroleerd door de douane. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij van zijn functie met een vertrouwenspositie – waarin hij niet voor niets goed wordt betaald om corruptie te voorkomen – misbruik heeft gemaakt.
Door zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel. Cocaïne is een voor de gezondheid zeer schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheden waren zeer groot, zodat deze bestemd moeten zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het is algemeen bekend dat de handel in cocaïne uitermate winstgevend is. Hierdoor wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat dit in het bijzonder bij grensoverschrijdende handel in de invoer- en uitvoerlanden vaak gepaard gaat met vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was uitsluitend uit op eigen financieel gewin. Hoewel de rechtbank niet precies heeft kunnen vaststellen hoeveel de verdachte voor zijn werkzaamheden heeft ontvangen, zal het om grote bedragen zijn gegaan, gelet op de contante uitgaven ter grootte van een dubbel jaarsalaris. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij is bedreigd niet aannemelijk omdat hij deze bedreiging op geen enkele manier heeft kunnen objectiveren.

In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij bij drie verschillende transporten betrokken is geweest en dus steeds opnieuw de beslissing heeft genomen om hieraan mee te werken. Aan zijn strafbaar handelen is door ingrijpen van de politie een einde gekomen en niet doordat de verdachte zelf tot bezinning is gekomen.

Bij het bepalen van de hoogte van straf heeft de rechtbank verder gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van 15 mei 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Opvallend is dat de verdachte slechts de feiten 1 en 2 heeft bekend. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit is ingegeven door het feit dat hij achter zijn computer op zijn werkplek werd aangehouden.

De rechtbank begrijpt dat de verdachte geen gemakkelijke tijd achter de rug heeft, met name vanwege de problemen in zijn gezin. Deze problemen zijn deels het gevolg van de problemen die verdachte zelf heeft veroorzaakt, waardoor hij niet alleen zichzelf in de nesten heeft gewerkt, maar daar ook zijn gezin bij heeft betrokken. Dat geldt ook voor de media-aandacht die zijn aanhouding getrokken heeft. De verdachte had kunnen weten dat het schokkend en dus nieuwswaardig is als iemand op een vertrouwenspositie in de haven corrupt lijkt te zijn en heeft meegewerkt aan de invoer van meer dan 1.000 kilo cocaïne. Dat de verdachte daardoor zakelijke zangopdrachten heeft misgelopen, heeft hij dan ook aan zichzelf te danken. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarmee in het voordeel van de verdachte rekening te houden.

7.5.
Conclusie van de rechtbank

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van de rechtspraak bieden voor het bepalen van de hoogte van de straf weinig houvast; de invoer van dit soort grote hoeveelheden cocaïne komt daar niet in voor en bovendien komt daar de corruptie nog bij. De rechtbank heeft dan ook vooral gelet op uitspraken in soortgelijke zaken. Daarbij valt op dat de jurisprudentie die door de officier van justitie is aangehaald, veelal de organisatoren van internationale drugstransporten betreft dan wel belangrijke betrokkenen bij het verdere binnenlandse transport van de drugs. In die gevallen worden inderdaad over het algemeen voor dit soort hoeveelheden gevangenisstraffen van zeven tot tien jaar opgelegd, waarbij vaak ook nog sprake is van witwassen, vuurwapenbezit en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank neemt in de strafmaat mee dat de verdachte weliswaar een belangrijke rol speelde in de cocaïnetransporten door de containers op de juiste plekken te zetten, maar dat hij een kleine schakel in een groter geheel is geweest. Uit het dossier blijkt niet dat hij de organisator van de transporten was. Het lijkt erop dat hij instructies ontving om welke containers het ging. Mogelijk liet hij na het verplaatsen aan zijn mededaders nog weten dat de containers op de goede plek stonden, maar daar hield het – voor zover blijkt uit het dossier – dan ook mee op. Hij lijkt bijvoorbeeld niet betrokken te zijn bij het uithalen van de drugs of de verdere verspreiding daarvan. Zoals hiervoor beschreven houdt de rechtbank er wel in strafverzwarende zin rekening mee dat de verdachte misbruik maakte van zijn vertrouwenspositie bij zijn werkgever. Alles afwegend vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar op haar plaats.
8

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd [benadeeldde partij] ter zake van de ten laste gelegde feiten waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden. De benadeelde partijen vorderen vergoeding van een bedrag van € 69.415,03 aan materiële schade en een bedrag van € 11.581,23 aan kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 592a Sv.
Het gevorderde schadebedrag van € 69.415,03 bestaat uit:

Het gevorderde bedrag van € 11.581,23 aan kosten van rechtsbijstand is als volgt opgebouwd:I. declaraties van de strafrechtadvocaat ten aanzien van het arbeidsrechtelijke traject;II. declaraties van de strafrechtadvocaat inzake advisering over de positie en rechten als benadeelde partij;III. overige kosten;IV. kosten die verband houden met de indiening van het verzoek tot schadevergoeding.
Daarnaast verzoeken de benadeelde partijen het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

upperalpha

kosten van doorbetaling van het loon van de verdachte tot aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst;

declaraties van [advocaat 1] (hierna: de arbeidsrechtadvocaat) met betrekking tot de afwikkeling van het arbeidsrechtelijke traject;

kosten van het vrijstellen van werknemers van werk vanwege getuigenverhoren door de rechter-commissaris in de strafzaak;

declaraties van [advocaat 2] (hierna: de strafrechtadvocaat) voor het verlenen van bijstand aan deze werknemers voorafgaand en tijdens de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris.

8.1.
Standpunt officier van justitie

De kosten die verband houden met de strafzaak (de rechtbank begrijpt dit als de kosten gevorderd onder C, D, II en III) kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van de kosten die verband houden met de arbeidszaak (de rechtbank begrijpt dit als de kosten gevorderd onder A, B en I) moeten de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.
8.2.
Standpunt verdediging

Primair dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vordering, omdat de vordering een onevenredige belasting is van het strafgeding, zeker nu er civielrechtelijke vraagstukken in de vordering aan orde komen. Subsidiair geldt dat er geen sprake is van rechtstreekse schade, zodat de vordering moet worden afgewezen, dan wel de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moet worden verklaard in hun vordering. De gevorderde kosten onder A en B houden verband met de arbeidsrechtelijke verhouding tussen de verdachte en de benadeelde partijen en houden geen rechtstreeks verband met de strafbare feiten. Bovendien betreffen de kosten onder B kosten van rechtsbijstand, die volgens vaste jurisprudentie niet voor vergoeding in aanmerking komen en zeker niet nu deze kosten niet zijn gemaakt ten behoeve van de arbeidszaak. De kosten onder C en D dienen voor rekening van de benadeelde partij als werkgever te blijven en vormen evenmin rechtstreekse schade. De kosten onder III moeten worden afgewezen, nu bestudering van het strafdossier al heeft plaatsgevonden in de arbeidszaak en de ingediende vordering bovendien niet eens verband houdt met de inhoud van het strafdossier. Ten aanzien van de kosten onder I en II merkt de verdediging op dat er drie verschillende advocaten bij betrokken zijn geweest, waardoor onnodige werkzaamheden zijn verricht en dus ook onnodige kosten zijn gemaakt.
8.3.
Beoordeling

8.3.1.
Algemeen

[benadeeldde partij] hebben zich beide gesteld als benadeelde partij. [werkgever] betreft de werkgever van de verdachte, zo leidt de rechtbank af uit de overlegde ontbindingsbeschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 15 januari 2019. [moederbedrijf] betreft het moederbedrijf van ECT. In de toelichting op de vordering is per gevorderde kostenpost aangegeven aan welke rechtspersoon vergoeding van die kosten toekomt. De rechtbank gaat er bij de beoordeling dan ook van uit dat is bedoeld dat elke rechtspersoon enkel vergoeding vordert van de kostenposten waarvan is aangegeven dat haar de vergoeding toekomt.
8.3.2.
Verweren

De rechtbank verwerpt het primaire verweer van de verdediging dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank is van oordeel dat de vordering overzichtelijk is en geen nadere bewijslevering of overlegging van stukken vergt en dus inhoudelijk kan worden beoordeeld. De subsidiair gevoerde verweren komen – voor zover relevant voor de beoordeling – hierna bij de bespreking van de afzonderlijke kostenposten aan de orde.
8.3.3.
Bespreking van de posten

A. Kosten van doorbetaling van het loon van de verdachte

Na de aanhouding van de verdachte op 13 september 2017 heeft de verdachte niet meer gewerkt. ECT heeft tijdens de voorlopige hechtenis van de verdachte geen loon uitbetaald. Na de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van 11 juli 2018 heeft de verdachte zich op 10 augustus 2018 gemeld bij ECT en zich beschikbaar gehouden voor werkzaamheden. ECT heeft de verdachte toen op non-actief gesteld met doorbetaling van loon. Ter zitting heeft ECT toegelicht dat vervolgens in het najaar van 2018 de procedure bij de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is ingezet. Op 15 januari 2019 heeft de kantonrechter uitspraak gedaan en is de arbeidsovereenkomst per gelijke datum ontbonden vanwege ernstig verwijtbaar handelen van de verdachte. ECT vordert nu vergoeding van de kosten van het doorbetaalde salaris over de periode 10 augustus 2018 tot en met 14 januari 2019. De grondslag van de vordering betreft volgens ECT onrechtmatig handelen door de verdachte.
De Hoge Raad heeft in het recente overzichtsarrest van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) nog eens uiteengezet dat ter invulling van het begrip ‘rechtstreekse schade’ er tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband moet bestaan om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De concrete omstandigheden van het geval zijn daarbij bepalend.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat er tussen het plegen van de strafbare feiten (zijn betrokkenheid bij de invoer van cocaïne en het zich laten omkopen) en de loonkosten onvoldoende verband bestaat om te spreken van rechtstreekse schade. Het (door)betalen van loon is immers geen gevolg van het strafrechtelijk verwijtbaar handelen van de verdachte, maar een verplichting van de werkgever zolang er sprake is van een arbeidsovereenkomst en de werknemer zich beschikbaar stelt voor het verrichten van arbeid (wat de verdachte na zijn schorsing heeft gedaan). Het bestaan van het dienstverband (en daaruit voortvloeiende verplichting tot het betalen van loon) houdt nu juist géén verband met de bewezenverklaarde strafbare feiten. Bovendien is het laten voortduren van het dienstverband en het doorbetalen van loon een keuze geweest van ECT. Vanuit arbeidsrechtelijk perspectief is goed verdedigbaar dat ECT over voldoende informatie moet beschikken om een ontslag op staande voet dan wel een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voldoende te kunnen onderbouwen. Volgens ECT was daarvoor ontvangst van de tenlastelegging noodzakelijk. De tenlastelegging dateert echter al van 4 december 2017 en bovendien heeft de verdachte de dag na zijn aanhouding de feiten 1 en 2 meteen bekend. Het staat ECT als werkgever uiteraard vrij om dergelijke keuzes ten aanzien van het dienstverband van de verdachte te maken, maar de financiële consequenties daarvan dienen voor haar rekening te blijven. Dat ECT de ruimte had om dergelijke afwegingen te maken, laat echter zien dat er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen het doorbetalen van het loon en de gepleegde strafbare feiten.
Het oordeel dat er geen sprake is van rechtstreekse schade leidt ertoe dat ECT niet-ontvankelijk wordt verklaard in dit onderdeel van haar vordering.

B. Declaraties arbeidsrechtadvocaat

ECT heeft tijdens het traject tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de verdachte bijstand gehad van de arbeidsrechtadvocaat. Van de betaling van zijn declaraties ter hoogte van € 11.225,18 vordert ECT nu vergoeding.
Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer het hiervoor vermelde overzichtsarrest) zijn kosten van rechtsbijstand niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv. Dit leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van ECT in dit onderdeel van de vordering.

ECT heeft de rechtbank verzocht, in het geval deze kosten niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade, dit deel van de vordering te beoordelen op grond van artikel 592a Sv, dus als proceskosten. De rechtbank wijst op deze grond vergoeding van de kosten af. De kosten van rechtsbijstand zijn immers niet gemaakt door ECT als benadeelde partij in de strafzaak, maar in de arbeidsrechtelijke procedure. Over deze kosten heeft de kantonrechter reeds beslist (namelijk compensatie van kosten) in de beschikking van 15 januari 2019.

C. Kosten vrijstellen van werknemers voor getuigenverhoren

Dertien werknemers van ECT zijn door de rechter-commissaris als getuige gehoord in deze strafzaak, waarvoor zij zijn vrijgesteld van werk. De kosten van deze vrijstelling zijn berekend op basis van de tijd die de medewerkers niet konden werken in verband met het afleggen van de getuigenverklaringen en hun uurloon. De kosten daarvan bedragen € 4.465,78.
Naar het oordeel van de rechtbank is er voldoende verband tussen de bewezenverklaarde strafbare feiten en de kosten die ECT heeft gemaakt in verband met de vrijstelling van werk vanwege getuigenverhoren. Zonder het plegen van het feit zouden deze kosten immers niet zijn gemaakt. Het verweer van de verdediging dat daarop ziet, wordt verworpen.

De Wet tarieven in strafzaken (Wts) en het bijbehorende Besluit tarieven in strafzaken bieden een regeling voor geldelijke vergoeding voor getuigen die een verklaring afleggen bij de rechter-commissaris. Uitgangspunt is dat de Nederlandse staat de verzuimkosten van dergelijke getuigen vergoedt (artikel 1, eerste lid onder a, en tweede lid Wts). Uitzondering daarop vormt een opdracht tot het horen van getuigen gegeven op verzoek van de verdachte en wanneer een dergelijke opdracht zonder tussenkomst van de justitie is gedaan. In dat geval komen de vergoedingen ten laste van de verdachte (artikel 1, derde lid, Wts). In deze zaak is het verzoek van de verdachte om de dertien werknemers van ECT als getuige te horen door de rechter-commissaris toegewezen en zijn zij door tussenkomst van justitie opgeroepen. Een eventuele vergoeding wegens tijdverzuim zou dus door de Staat moeten worden voldaan. Het zou in strijd zijn met het wettelijk systeem om de verdachte nu alsnog deze kosten in rekening te brengen.

Getuigen die worden gedagvaard om een verklaring af te leggen bij de rechter-commissaris, zijn verplicht om te verschijnen (artikel 213 Sv). Zij kunnen daartoe gedwongen worden. Wegblijven kan zelfs een strafbaar feit opleveren. De werkgever van de werknemer die als getuige is gedagvaard kan hem niet verbieden aan die verplichting te voldoen. In artikel 4:1, lid 1, aanhef en onder c, van de Wet Arbeid en Zorg (Waez) is bepaald dat de werknemer recht heeft op verlof met doorbetaling van het loon “voor een korte, naar billijkheid te berekenen tijd, wanneer hij zijn arbeid niet kan verrichten wegens [..] een door wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding, opgelegde verplichting, waarvan de vervulling niet in zijn vrije tijd kon plaatsvinden”. Het voldoen aan een oproep om als getuige te verschijnen is een dergelijke opgelegde verplichting. De Wts voorziet, zoals hiervoor beschreven, in een vergoeding voor getuigen die worden gedagvaard om een verklaring af te leggen voor de rechter-commissaris. Deze vergoeding vormt een ‘geldelijke vergoeding’ als bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, aanhef en onder c van de Waez, zodat in dit soort gevallen de werkgever geen loon aan de werknemer behoeft te betalen. De werknemer kan in dat geval immers een geldelijke vergoeding van de Staat krijgen. ECT behoefde haar werknemers op grond van de wet dus geen loon uit te betalen toen zij als getuige door de rechter-commissaris werden gehoord. ECT kan deze kosten niet verhalen op de verdachte.

De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van deze kosten van ECT daarom af.

D. Declaraties strafrechtadvocaat voor bijstand rond getuigenverhoren

Het [moederbedrijf] heeft toegelicht dat de strafrechtadvocaat voorafgaand aan de verhoren de betreffende werknemers een aantal ‘tips en tricks’ heeft meegegeven voor de getuigenverhoren. Daarnaast heeft zij de verhoren bijgewoond omdat de medewerkers daaraan behoefte hadden en heeft zij deze inhoudelijk voorbereid. Het [moederbedrijf] vordert vergoeding van haar declaraties van in totaal € 3.345,65.
De rechtbank merkt deze kosten aan als kosten van rechtsbijstand. Zoals hiervoor reeds vermeld, zijn kosten van rechtsbijstand volgens vaste jurisprudentie niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv. Dit leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het [moederbedrijf] in dit onderdeel van de vordering.

Het [moederbedrijf] heeft de rechtbank verzocht, in het geval deze kosten niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade, dit deel van de vordering te beoordelen op grond van artikel 592a Sv, dus als proceskosten. De rechtbank wijst op deze grond vergoeding van de kosten af. Het [moederbedrijf] heeft de kosten immers niet gemaakt in haar hoedanigheid als benadeelde partij, maar als werkgever van de werknemers die als getuige werden gehoord.

I. Declaraties strafrechtadvocaat ten aanzien van het arbeidsrechtelijke traject

Het [moederbedrijf] stelt dat de strafrechtadvocaat enkele werkzaamheden heeft verricht bij de afhandeling van het arbeidsrechtelijke traject, omdat dit relevant was vanuit compliance oogpunt en tevens raakte aan de positie van ECT/ [moederbedrijf] als benadeelde partij. Dit betreft met name overleg/contact met de arbeidsrechtadvocaat. Het [moederbedrijf] vordert de kosten voor rechtsbijstand door de strafrechtadvocaat in het arbeidsrechtelijke traject van € 1.056,23.
De rechtbank wijst vergoeding van deze kosten af. De kosten van rechtsbijstand zijn volgens de toelichting van het [moederbedrijf] vooral gemaakt in relatie tot de arbeidsrechtelijke procedure. Het [moederbedrijf] heeft onvoldoende onderbouwd dat deze kosten zouden zijn gemaakt in het kader van de strafzaak.

II. Declaraties strafrechtadvocaat inzake advisering over positie en rechten

III. Overige kosten

IV. Kosten die verband houden met het indienen van de vordering

Het [moederbedrijf] stelt dat zij de strafrechtadvocaat ook om advies heeft gevraagd ten aanzien van de positie en rechten als benadeelde partij in een strafrechtelijke procedure (post II). De advisering is verricht door twee junior medewerkers en de strafrechtadvocaat zelf, zodat het [moederbedrijf] vergoeding vordert van de declaraties van maar liefst drie advocaten ter hoogte van € 6.537,63. Daarnaast heeft de strafrechtadvocaat overige kosten gemaakt (post III), waaronder voor het bestuderen van het strafdossier, de communicatie met het Openbaar Ministerie en het verrichten van andere werkzaamheden (zoals het uitleggen van het begrip pro forma zitting en/of regiezitting). Deze overige kosten worden begroot op € 3.987,37. Tot slot heeft het [moederbedrijf] verzocht om vergoeding van de kosten die zij maakt in verband met het indienen van het verzoek tot schadevergoeding (post IV). De kosten bedroegen tot en met 30 juni 2019 in ieder geval € 7.941,59 en zullen nog toenemen tijdens de procedure, aldus het [moederbedrijf] .
De posten II, III en IV merkt de rechtbank aan als kosten van rechtsbijstand die het [moederbedrijf] als benadeelde partij heeft moeten maken. De rechtbank zal deze posten daarom gezamenlijk op grond van artikel 592a Sv beoordelen.

Nu ECT en het [moederbedrijf] ten aanzien van alle inhoudelijke posten A tot en met D in het ongelijk zijn gesteld dan wel niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vordering vanwege een onvoldoende rechtstreeks verband, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.


8.3.4.
Wettelijke rente

De vordering tot toekenning van wettelijke rente wordt afgewezen, nu de vordering voor het overige niet wordt toegewezen.
8.3.5.
Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op de voorgaande bespreking van de vordering van de benadeelde partijen ziet de rechtbank geen aanleiding een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen.
8.4.
Conclusie

Over een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen. Uit dit vonnis vloeit voor de verdachte dan ook geen betalingsverplichting voort.
9

De verdediging heeft bij pleidooi verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen dan wel te schorsen. Er zijn geen gronden meer aanwezig. De verdachte moet een eventueel hoger beroep in vrijheid kunnen afwachten gezien de situatie rondom zijn zoon.
De rechtbank zal beide verzoeken afwijzen. Vast is komen te staan dat de verdachte zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag liggen zijn om die reden nog altijd aanwezig. Met dit vonnis, waarbij de verdachte tot een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld, ligt er een zwaarwegend maatschappelijk belang bij het voortduren van zijn voorlopige hechtenis. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte wegen hier niet tegen op. De rechtbank weegt daarbij nadrukkelijk mee dat de zoon van de verdachte bij zijn moeder woont en daarom niet alleen van de verdachte afhankelijk is.

10

Gelet is de artikelen 47, 57 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

11

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

12

De rechtbank:

in afwijking van de gebruikelijke werkwijze en/of middels het geautomatiseerde systeem van de Europe Container Terminals (ECT)
verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een ; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

beslist ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeeldde partij] als volgt:

beslist ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [werkgever] als volgt:

wijst af het door de benadeelde partijen meer of anders gevorderde;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,en mrs. T.M. Riemens en F. van Buchem, rechters,in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 augustus 2019.
De voorzitter en de griffier zijn vanwege afwezigheid niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I
Tekst nader omschreven tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.(zaak Lichter)hij in de periode van 10 september 2017 tot en met 13 september 2017 te Rozenburg en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 364 kilo cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïneeen middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;
2.hij op één of meer tijdstippen, in de periode van 30 augustus 2017 tot en met 13 september 2017 te Rozenburg en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 364 kilo cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,
3.(zaak Erfenis)hij in de periode van 5 juli 2017 tot en met 6 juli 2017 te Rozenburg en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 97 kilo cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;
4.hij op één of meer tijdstippen, in de periode van 22 juni 2017 tot en met 6 juli 2017 te Rozenburg en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 97 kilo cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van eenmateriaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en te bevorderen,
5.(zaak Quase)hij in de periode van 16 au