Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:5590

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 11-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:5590, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/996572-14


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/996572-14Datum uitspraak: 11 juli 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. W.K. Cheng, advocaat te Amsterdam.

ECLI:NL:RBROT:2019:5590:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/996572-14Datum uitspraak: 11 juli 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. W.K. Cheng, advocaat te Amsterdam.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 13 juni 2019, 18 juni 2019, 19 juni 2019 en 11 juli 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie mr. R-J. Boswijk heeft gevorderd:
-

vrijspraak van het onder feit 4 ten laste gelegde en partiële vrijspraak ten aanzien van het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet verantwoorden van de baten en het onttrekken van goederen uit [naam bedrijf 1] (verder: [naam bedrijf 1] );

bewezenverklaring van het onder de feiten 1, 2 primair voor wat betreft de boekhoudplicht en 3 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden en als bijkomende straf ontzetting uit het recht tot het uitoefenen van een beroep als bestuurder van een rechtspersoon gedurende een periode van 6 (zes) jaren.

4

4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering ten aanzien van feit 4

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

4.2.1.
Standpunt verdediging/officier van justitie

De officier van justitie heeft partiële vrijspraak gevorderd voor wat betreft het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet verantwoorden van de baten en het onttrekken van goederen uit [naam bedrijf 1] . Uit het dossier volgt onvoldoende wat de rol van de verdachte ten aanzien daarvan is geweest. De ten laste gelegde boekhoudplicht rustte als (voormalig) bestuurder van [naam bedrijf 1] echter wel op hem, zodat ten aanzien van dit onderdeel een bewezenverklaring dient te volgen.
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van het onder feit 2 ten laste gelegde. De verdachte heeft enkel, zoals ook ten aanzien van het onder de feiten 1 en 3 ten laste gelegde geldt, opgetreden als (onbewust) katvanger. Hij wist niet dat in het bedrijf activiteiten plaatsvonden en hoefde daarom ook geen administratie bij te houden. Ook vóór de overdracht van het bedrijf aan de medeverdachte [naam medeverdachte] op 21 december 2010 was er geen sprake van activiteiten en/of een noemenswaardige administratie. Toen het bedrijf vervolgens weer terug werd overgedragen aan de verdachte, vertelde de medeverdachte [naam medeverdachte] (verder: [naam medeverdachte] ) dat geen activiteiten hadden plaatsgevonden. De verdachte is misleid door [naam medeverdachte] . Diens verklaringen zijn onbetrouwbaar en dienen daarom te worden uitgesloten van het bewijs. Het is immers [naam medeverdachte] geweest die opzettelijk aankopen heeft gedaan en kosten heeft gemaakt, terwijl die [naam medeverdachte] wist dat het bedrijf hiervoor geen geld had. Daarna hij is vertrokken naar het buitenland. Het bewijs dat de verdachte zelf betrokken was dan wel dat sprake is van medeplegen ontbreekt. Er was immers geen nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [naam medeverdachte] .

4.2.2.
Beoordeling

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een bewezenverklaring te komen van het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet verantwoorden van de baten en het onttrekken van goederen aan [naam bedrijf 1] . De verdachte dient van dat gedeelte van de tenlastelegging te worden vrijgesproken. Dit ligt anders ten aanzien van de eveneens, kort gezegd, ten laste gelegde boekhoudplicht. De verdachte heeft verklaard dat hij in meerdere faillissementen is opgetreden als een zogeheten ‘katvanger’. Hij verklaart dat hij als zodanig bekend stond. Dat de verdachte heeft opgetreden als katvanger, en dus niet van plan was zakelijk actief te worden binnen/door middel van deze rechtspersonen, ontslaat hem niet van de verplichting te voldoen aan de op hem als (voormalig) bestuurder rustende boekhoudplicht. Het woord katvanger, een aanduiding die verdachte zichzelf ook steeds gaf ten overstaan van curatoren, impliceert al dat de verdachte formeel verplichtingen op zich nam om anderen uit de wind te houden en hij tegelijkertijd zelf feitelijk niets wist van de onderneming waarvan hij bestuurder was geworden. Onder deze omstandigheden heeft hij zich bewust als katvanger laten ‘gebruiken’, omdat daar een vergoeding tegenover stond. Uit dit handelen volgt dat ook de overdracht van [naam bedrijf 1] gericht was op het frustreren van een correcte afwikkeling van het faillissement van deze rechtspersoon. Daarmee is het opzet op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers in de zin van de wet gegeven.
Ook ten aanzien van de feiten 1 en 3 geldt dat het fungeren als katvanger door als passieve bestuurder op te treden de verdachte niet ontslaat van de op hem rustende boekhoudverplichting. De hierboven gegeven motivering ter zake [naam bedrijf 1] is ook volledig van toepassing op de feiten 1 en 3, zodat ook deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

4.2.3.
Conclusie

Bewezen is het onder de feiten 1, 2 primair (voor wat betreft de boekhoudplicht) en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde niet verantwoorden van de baten en het onttrekken van goederen aan [naam bedrijf 1] dient de verdachte te worden vrijgesproken.
4.3.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, omdat de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

hij in de periode van 11 december 2010 tot en met 15 juni 2012 in Nederland,als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf 2] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Zwolle d.d. 12 april 2011 in staat van faillissement is verklaard, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon,
hij in de periode van 6 juli 2011 tot en met 21 februari 2012 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Arnhem d.d. 10 januari 2012 in staat van faillissement is verklaard, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon,

3.

Zaaksdossier 7 [naam bedrijf 3]

hij in de periode van 24 april 2012 tot en met 3 juni 2014 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf 3] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam d.d. 5 juni 2012 in staat van faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

1. (
- niet heeft voldaan of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld,immers heeft hij, verdachte, toen en daar geen volledige boekhouding en administratie gevoerd, bewaard en overgelegd aan de curator in het faillissement van [naam bedrijf 2] , en geen jaarrekeningen over 2007 en 2009 bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd;
2. (
- niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en/of tevoorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld,immers heeft hij, verdachte, toen en daar- geen volledige boekhouding en administratie gevoerd, bewaard en overgelegd aan de curator in het faillissement van [naam bedrijf 1] ;
- niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld,immers heeft hij, verdachte toen en daar geen volledige boekhouding en administratie gevoerd, bewaard en overgelegd aan de curator in het faillissement van [naam bedrijf 3] ;
5

De bewezen feiten leveren op:
1. Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dit artikel bedoeld;

2

als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dit artikel bedoeld;

3. als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dit artikel bedoeld.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte is in een aantal faillissementen opgetreden als zogeheten ‘katvanger’. Hij heeft in het zicht van een naderend faillissement tegen een vergoeding steeds de betreffende rechtspersoon overgenomen. De verdachte heeft vervolgens als bestuurder van deze rechtspersonen niet voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen om een volledige administratie te voeren, te bewaren en, nadat de rechtspersonen failliet waren verklaard, aan de curator ter beschikking te stellen.
De verdachte heeft zodoende de schuldeisers van de rechtspersoon in een ongunstiger positie gebracht en hiermee blijk gegeven zijn eigen financiële belangen hoger in te schatten dan die van de schuldeisers. Daarnaast heeft de verdachte door zijn handelen het de curator zeer veel moeilijker gemaakt om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen.

De rechtbank neemt verdachte dit handelen buitengewoon kwalijk, niet alleen omdat door faillissementsfraude als deze de gedupeerde schuldeisers hun financiële schade niet kunnen verhalen, maar ook omdat deze vorm van fraude het vertrouwen tussen ondernemers onderling - dat van essentieel belang is voor een goed functionerend handelsverkeer - aantast.

Behalve aan de bewezen feiten heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan de feiten die ‘ad informandum’ op de dagvaarding kort zijn omschreven. De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat deze feiten niet afzonderlijk zullen worden vervolgd. De verdachte heeft deze feiten op de terechtzitting erkend. Met deze strafbare feiten wordt bij de strafoplegging rekening gehouden.

7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.
Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.4.
Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
De rechtbank stelt voorop dat de verdachte zichzelf, zo blijkt uit het dossier, in contacten met curatoren een “beroemd katvanger” heeft genoemd. Zoals hiervoor is overwogen is het handelen van de verdachte zeer kwalijk geweest, omdat dit onder meer heeft bijgedragen aan zeer aanzienlijke schade bij schuldeisers. Hij heeft voor eigen financieel gewin, (relatief) kort voor een faillissement tegen betaling door de vorige directeuren/aandeelhouders een behoorlijk aantal rechtspersonen op zijn naam laten zetten. Een strafverzwarende omstandigheid is dat de verdachte al een groot aantal maal eerder is veroordeeld voor (min of meer) soortgelijke fraudedelicten. Hij heeft voor die eerdere feiten al verschillende keren gevangenisstraf opgelegd gekregen en die straffen heeft hij ook uitgezeten. Onder deze omstandigheden kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening met het feit dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM in deze zaak zeer fors is overschreden. Daarnaast houdt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met de omstandigheid dat het niet voldoen aan de verplichtingen tot het voeren van een administratie en het aan de curator verstrekken daarvan sinds 1 juli 2016 niet langer strafbaar is gesteld in artikel 343 Wetboek van Strafrecht, maar afzonderlijk strafbaar is gesteld in artikel 344a Wetboek van Strafrecht en dat daaraan een lager strafmaximum is verbonden. Om die reden zal ten aanzien van de strafmaat de nieuwe strafbepaling in het voordeel van de verdachte worden toegepast.

Bijkomende straf

Uit het dossier volgt dat de verdachte zichzelf een beroemd katvanger noemt en (al dan niet in die hoedanigheid) in verband kan worden gebracht met een groot aantal andere faillissementen. De rechtbank is daarom van oordeel dat een verbod tot het uitoefenen van een beroep als bestuurder van een rechtspersoon als bijkomende straf is aangewezen om het gevaar in te perken dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke feiten. Daarnaast dient deze bijkomende straf ter bescherming van toekomstige schuldeisers. De rechtbank zal, gelet op art. 31 lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht de termijn daarvan vaststellen op de (maximale) termijn van 5 jaren bovenop de hierna te noemen duur van de gevangenisstraf, met name omdat eerdere detenties of andersoortige straffen de verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden door te gaan met zijn strafbare praktijken.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en bijkomende straf passend en geboden.

8

Gelet is op de artikelen 9, 28, 31, 57, 63, 343 (oud), 344a en 349 van het Wetboek van Strafrecht.

9

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10

De rechtbank:

- niet heeft voldaan of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten
- hetzij (een) last(en) heeft verdicht of verdicht, hetzij (een) bate(n) niet
- niet heeft voldaan of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten
- een ontvangen bedrag van totaal (circa) 70.805,- euro afkomstig van
- computerapparatuur geleverd door [naam bedrijf 5] met een totale waarde van (circa)
- geen (volledige) boekhouding en administratie gevoerd, bewaard en/of overgelegd aan de curator in het faillissement van [naam bedrijf 1] ;
- computerapparatuur geleverd door [naam bedrijf 5] met een totale waarde van (circa) 88.444,60 euro (D-371), althans (resterend) 30.000,- euro, en/of- mobiele airco's geleverd door [naam bedrijf 6] met een totale waarde van (circa) 22.168,51 euro (D-329), en/of- een tonerbundel geleverd door [naam bedrijf 7] met een waarde van (circa) 341,29 euro (D-331), en/of- orange-juicers geleverd door [naam bedrijf 8] met een totale waarde van (circa) 19.965,82 euro (D-340);
- niet heeft voldaan of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten
- niet heeft voldaan of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten
1. juni 2011 tot en met 07 mei 2013, [naam bedrijf 10]2. 996572-14 23 januari 2012 tot en met 14 maart 2013, [naam bedrijf 11]3. 996572-14 11 mei 2012 tot en met 8 oktober 2013,
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een ; veroordeelt de verdachte tot de (bijkomende) straf dat hij wordt ontzet uit het recht om een beroep als bestuurder van een rechtspersoon uit te oefenen voor de duur van
Dit vonnis is gewezen door:mr. W.A.F. Damen, voorzitter,en mrs. V.M. de Winkel en D. Visser, rechters,in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juli 2019.
Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Zaaksdossier 2 [naam bedrijf 2]

hijop één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeksde periode van 11 december 2010 tot en met 15 juni 2012te Nieuwegein en/of Zwaag en/of (elders) in Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf 2] ,welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Zwolle d.d. 12 april 2011in staat van faillissement is verklaard,
(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers vangenoemde rechtspersoon,
opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(en) bedoeld,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daargeen (volledige) boekhouding en administratie gevoerd, bewaard en/ofovergelegd aan de curator in het faillissement van [naam bedrijf 2] , en/ofgeen jaarrekeningen over 2007 en 2009 bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd;
art 343 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

2.

Zaaksdossier 4 [naam bedrijf 1]

hijop één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeksde periode van 6 juli 2011 tot en met 21 februari 2012 teZaandam, gemeente Zaanstad en/of (elders) in Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf 1] ,welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Arnhem d.d. 10 januari 2012in staat van faillissement is verklaard,
(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers vangenoemde rechtspersoon,
heeft verantwoord en/of niet verantwoordt, hetzij enig(e) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken en/of onttrekt, en/of
opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(en) bedoeld,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar

[naam bedrijf 4] (D-459) niet onder het bereik en beheer van de curator gebracht, en/of
88.444,60 euro (D-371), althans (resterend) 30.000,- euro, en/of mobiele airco's geleverd door [naam bedrijf 6] met een totale waarde van (circa) 22.168,51 euro (D-329), en/of een tonerbundel geleverd door [naam bedrijf 7] met een waarde van (circa) 341,29 euro (D-331), en/of orange-juicers geleverd door [naam bedrijf 8] met een totale waarde van (circa) 19.965,82 euro (D-340), niet onder het bereik en beheer van de curator gebracht, en/of
art 343 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrechtart 343 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hijop één of meer tijdstip(pen) gelegenin of omstreeks 6 juli 2011 tot en met 8 april 2013te Zaandam, in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met [naam bedrijf 1] en/of (een) ander(en),althans alleen,
een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met hetoogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikkingover die goederen te verzekeren, hebbende hij, vedachte, en/of genoemderechtspersoon en/of zijn mededader(s), telkens met voormeld oogmerk, denavolgende goederen gekocht:
art 326a Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
hijop één of meer tijdstip(pen)in of omstreeks de periode 10 januari 2012 tot en met 8 april 2013te Zaandam en/of (elders) in Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
als bestuurder van [naam bedrijf 1] , welke rechtspersoon op10 januari 2012 door de rechtbank te Arnhem in staat van faillissement isverklaard,
wettelijk opgeroepen door de curator tot het geven inlichtingen, (telkens)hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij heeft geweigerd devereiste inlichtingen te geven, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingenheeft gegeven,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) geweigerd dan welniet gereageerd op het verzoek om inlichtingen omtrent gefailleerde teverschaffen;
art 194 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Zaaksdossier 7 [naam bedrijf 3]

hijop één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeksde periode van 24 april 2012 tot en met 3 juni 2014te Rotterdam en/of Etten-Leur en/of (elders) in Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf 3] ,welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam d.d. 5 juni 2012in staat van faillissement is verklaard,
(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers vangenoemde rechtspersoon,
opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(en) bedoeld,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daargeen (volledige) boekhouding en administratie gevoerd, bewaard en/ofovergelegd aan de curator in het faillissement van [naam bedrijf 3] ;
art 343 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

4.

Zaaksdossier 8 [naam bedrijf 9]

hijop één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeksde periode van 28 augustus 2012 tot en met 12 november 2013te Rotterdam en/of (elders) in Nederland,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf 9] ,welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Assend.d. 18 september 2012 in staat van faillissement is verklaard,
(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers vangenoemde rechtspersoon,
opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(en) bedoeld,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daargeen (volledige) boekhouding en administratie gevoerd, bewaard en/ofovergelegd aan de curator in het faillissement van [naam bedrijf 9] ;
art 343 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

MEDEDELING AD INFORMANDUM GEVOEGDE STRAFBARE FEITEN

Ter terechtzitting zal/zullen onderstaand(e) door u bekend(e) strafba(a)r(e)feit(en) ter kennis van de rechter worden gebracht. De rechter kan aldus bijhet bepalen van de straf ook met dat/die feit(en) rekening houden.Doet de rechter dit dan kunt u dat/die feit(en) als strafrechtelijk afgedaanbeschouwen.
Parketnr. Feitgegevens (pleegperiode,-lokatie, -plaats, -gemeente, omschr. feit)

Ede, Gem. Ede,Bedriegelijke bankbreuk v.rechtspersoon,niet bewaren en laten zien v. boeken etc
Assendelft, Gem. Zaanstad,Bedriegelijke bankbreuk v.rechtspersoon,niet bewaren en laten zien v. boeken etc
[naam bedrijf 12] , Zwanenburg, Gem. Haarlemmermeer,Bedriegelijke bankbreuk v.rechtspersoon,niet bewaren en laten zien v. boeken etc