Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:5527

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 12-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:5527, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is ROT 18/3053


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdamuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2019 in de zaak tussen [eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] , te [woonplaats eiser] , eiser,de Minister voor Medische Zorg, verweerder,
gemachtigde: mr. A. el Kadi,
gemachtigde: mr. S.W.A.M.M. Delauw en mr. K. Janssens.

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/3053

en

ECLI:NL:RBROT:2019:5527:DOC
nl

Rechtbank Rotterdamuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2019 in de zaak tussen [eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] , te [woonplaats eiser] , eiser,de Minister voor Medische Zorg, verweerder,
gemachtigde: mr. A. el Kadi,
gemachtigde: mr. S.W.A.M.M. Delauw en mr. K. Janssens.
Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/3053

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 1.050,- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen (Warenwetbesluit) in samenhang met artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk I.1, van Verordening (EG) 852/2004 (Verordening).

Bij besluit van 22 mei 2018 (bestreden besluit I) heeft verweerder eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij besluit van 22 augustus 2018 (bestreden besluit II) heeft verweerder bestreden besluit I ingetrokken en eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank heeft na behandeling van het beroep ter zitting het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen antwoord te geven op vragen van de rechtbank. Bij brief van 7 juni 2019 heeft verweerder antwoord gegeven op deze vragen. Bij brief van 11 juni 2019 heeft eiser hierop gereageerd. Omdat geen van beide partijen, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft verzocht om op een nadere zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

overwegingen

Overwegingen

1.1.
Op 23 november 2017 omstreeks 13:30 uur is [handelsnaam] aan de [adres] bezocht door twee inspecteurs van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA).
1.2.
In het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van bevindingen (rapport) van 11 november 2018 is vermeld dat er sprake was van een productieruimte met daarin een toonbank met verschillende soorten vlees erin en een hakblok, en de volgende aangrenzende ruimten: een vriezer, een koelcel, werktafels en een aanrecht. In de vriescel en in de koelcel werden diverse soorten vlees in voorraad gehouden. De vloer onder een werktafel en het aanrecht was zwaar vervuild met zwart gekleurde vuilaanslag en zwerfvuil. De schoonmaakmop was zwaar vervuild met zwart gekleurd vuil. De muur en de kitranden van de muurtegels naast de spoelbak waren bezet met een zwartkleurige, op schimmel lijkende vuilaanslag. Diverse muurtegels en de randen van de wanden waren beschadigd en kapot. Er was veel ijsvorming in de vriescel. De geiser, die op de muur van de productieruimte hing, had geen omhulsel.
1.3.
Bij het primaire besluit heeft verweerder - naar aanleiding van het rapport - aan eiser een boete opgelegd van € 1.050,-. Uit het rapport blijkt volgens verweerder dat de bedrijfsruimten voor levensmiddelen niet schoon en niet goed onderhouden waren, waardoor gehandeld werd in strijd met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit in samenhang met artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk I.1, van de Verordening. In bestreden besluit II heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.
2.1.
Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar en dat verweerder ten onrechte in het dictum van bestreden besluit I en bestreden besluit II niet heeft vermeld dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk respectievelijk kennelijk ongegrond is. Ook heeft hij aangevoerd dat de door verweerder overgelegde foto's onduidelijk zijn. Eiser twijfelt aan de integriteit van de inspecteur die bij de slagerij op 23 november 2017 een controle heeft uitgevoerd zonder dat hij vergezeld werd door een collega. Eiser merkt daarbij op dat hij een meningsverschil heeft met de inspecteur.
2.2.
Ter zitting heeft eiser ten aanzien van de foto waarop de geiser is afgebeeld opgemerkt dat de geiser in een aparte ruimte hangt en dat in deze ruimte geen vlees wordt bewaard of verwerkt. In die ruimte wordt alleen door de medewerkers gepauzeerd. Gelet daarop is de ruimte waarin de geiser zich bevindt geen bedrijfsruimte. Alleen de winkel is een bedrijfsruimte. Ook heeft eiser medegedeeld dat tijdens de inspectie de geiser in onderhoud was en de monteur net even naar de winkel was om een onderdeel voor de geiser te halen. Ten slotte heeft eiser opgemerkt dat het vreemd is dat het rapport van bevindingen pas een jaar na de inspectie is opgesteld.
3.1.
Een bestuursorgaan mag in beginsel afgaan op de juistheid van de inhoud van een naar waarheid opgemaakt en ondertekend toezichtrapport en de daarin vermelde bevindingen (CBb 29 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:165). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond van het rapport kunnen concluderen dat tijdens de inspectie op 23 november 2017 sprake was van een overtreding van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit in samenhang met artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk I.1, van de Verordening. Eisers grond dat alleen de winkel een bedrijfsruimte is en zeker niet de ruimte waarin de geiser hangt omdat daarin geen vlees wordt bereid, bewaard of verwerkt, slaagt niet. Uit de opbouw van de hoofdstukken I en II uit bijlage II van de verordening volgt dat alle ruimtes die zich in het levensmiddelenbedrijf bevinden zijn aan te merken als bedrijfsruimte, ongeacht of daarin levensmiddelen worden bereid, behandeld of verwerkt of niet. Dit volgt ook uit de door de Europese Commissie opgestelde Leidraad voor de toepassing van een aantal bepalingen van de verordening. Dit betekent dus dat al die ruimtes dienen te voldoen aan de voorschriften die voor bedrijfsruimtes gelden. Eiser heeft specifiek ten aanzien van de geiser nog opgemerkt dat de geiser op het moment van de inspectie in onderhoud was en dat de monteur even naar de winkel was gegaan om een onderdeel voor de geiser te kopen, maar hij heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Eisers opmerking over de integriteit van de inspecteur geeft de rechtbank geen aanleiding om hieraan te twijfelen nu eiser ook dit niet nader heeft onderbouwd. Eisers opmerking dat de inspectie slechts door één inspecteur is verricht is niet juist, nu in het rapport is vermeld dat sprake was van twee inspecteurs. Uit het rapport blijkt verder dat de bedrijfsruimtes in de slagerij niet schoon waren en niet goed onderhouden. De rechtbank concludeert dat in wat eiser heeft aangevoerd geen grond wordt gezien om aan de juistheid van het op ambtsbelofte opgemaakte rapport te twijfelen. Ten aanzien van de datering van het rapport op 11 november 2018 stelt de rechtbank vast dat dit een kennelijke verschrijving moet zijn, nu alleen al het primaire besluit en de bestreden besluiten vóór 11 november 2018 zijn genomen.
3.2.
Nu de op 23 november 2017 geconstateerde overtredingen zijn komen vast te staan en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overtredingen hem niet kunnen worden verweten was verweerder bevoegd aan eiser een boete op te leggen ten aanzien van die overtredingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken. Verweerder heeft de boete met toepassing van de gefixeerde boetebedragen bepaald op € 1.050,-. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot matiging van de boete aanleiding geven.
3.3.
Met betrekking tot eisers stelling dat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord, overweegt de rechtbank dat uitgangspunt is dat van horen mag worden afgezien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend oordeel (CBb 21 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:101). Aan deze voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Het bezwaarschrift bevat geen gemotiveerde betwisting van de overtreding. Eisers bezwaren lieten verweerder ook niet twijfelen aan de toerekenbaarheid van de overtreding. Ook heeft eiser voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit geen zienswijzen ingediend tegen het voornemen van verweerder om een bestuurlijke boete op te leggen. Gelet daarop was het bezwaar kennelijk ongegrond en kon verweerder van het horen afzien.
3.4.
Ten aanzien van eisers grond dat verweerder ten onrechte in het dictum van bestreden besluit II niet heeft vermeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond wordt verklaard, overweegt de rechtbank dat in de Algemene wet bestuursrecht niet is bepaald dat wanneer het bezwaar kennelijk gegrond is, dat ook in het dictum van de beslissing op bezwaar vermeld moet worden. Gelet daarop kan ook deze beroepsgrond van eiser niet slagen.
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond is.
4. Omdat niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij beoordeling van bestreden besluit I, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. Wel ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die in verband met bestreden besluit I zijn gemaakt.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen bestreden besluit I, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).
beslissing

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 juli 2019.
griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

-

verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 512,-.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.