Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:4801

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:4801, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/680053-19


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/680053-19Datum uitspraak: 11 juni 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2001, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres, [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,raadsvrouw mr. R. van den Hemel, advocaat te Dordrecht.

ECLI:NL:RBROT:2019:4801:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/680053-19Datum uitspraak: 11 juni 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2001, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres, [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,raadsvrouw mr. R. van den Hemel, advocaat te Dordrecht.
1

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 28 mei 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 270 dagen met aftrekvan voorarrest, waarvan 224 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de algemene voorwaarden, de van rechtswege geldende voorwaarden en als bijzondere voorwaarden:

-

met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.

 dat de verdachte zijn medewerking verleent aan het ITB Harde Kern traject; dat de verdachte meewerkt met behandeling bij de Waag; meldplicht;
4

4.1.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde. Met betrekking tot feit 1 merkt de officier van justitie het volgende op. De verdachte heeft de aangever, die zich reeds kenbaar had gemaakt als politieagent, geslagen en terwijl hij op de grond lag, getrapt tegen het hoofd. Zowel de aangever als diens vriendin, die getuige is geweest, verklaren dit. Daarbij komt dat de aangever letsel in zijn gezicht heeft wat passend is bij een trap tegen het hoofd. Bij trappen tegen het hoofd bestaat een groot risico op de dood, de verdachte heeft bewust dit risico aanvaard. Dit maakt dat poging tot doodslag kan worden bewezen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat, mede gelet op het letsel, de trap niet hard genoeg was om te komen tot bewezenverklaring van een poging doodslag, is de officier van justitie van mening dat zware mishandeling bewezen kan worden. Er is sprake van zwaar lichamelijk letsel, de genezingsduur is lang en de aangever heeft nog steeds last van het letsel. In de strafmaat dient er rekening mee te worden gehouden dat dit geweld tegen een beroepsbeoefenaar betreft. Dat moet leiden tot een hogere straf dan in het geweld is uitgeoefend tegen een willekeurig persoon.
Met betrekking tot feit 2 merkt de officier van justitie het volgende op. De aangever heeft zich kenbaar gemaakt als politieagent, was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en heeft een rechtmatige aanhouding verricht. Gelet op wat zich heeft afgespeeld en het daarop volgende geweld mocht de aangever de aanhouding verrichten. De verdachte heeft zich aan deze aanhouding onttrokken door weg te rijden op de scooter. De aangever heeft getracht deze vlucht te voorkomen en heeft daarbij letsel opgelopen.

4.2.
Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde bepleit.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde brengt de verdediging het volgende naar voren. Vanaf het begin is de verklaring van de verdachte helder en duidelijk. Deze verklaring strookt met de camerabeelden. Er dient bij de beoordeling van deze zaak te worden uitgegaan van wat de verdachte zegt. De aangever laat in zijn aangifte een gedeelte weg van het gebeurde. Dit geldt ook voor de verklaring van zijn vriendin. Zo verklaren zij beiden niet over het feit dat de aangever, nadat hij een tijd achter de verdachte had aangereden, eerst afsloeg, maar vrijwel meteen daarna omdraaide en weer in de richting van de verdachte is gereden. Deze omstandigheid kleurt de hele zaak en lijkt in eerste instantie bewust te zijn weggelaten door de aangever en zijn vriendin. Na het bekijken van de beelden, waaruit bleek dat de aangever inderdaad is teruggereden in de richting van de verdachte, is de aangever uit zichzelf aanvullend gaan verklaren (door middel van een e‑mailbericht), waarin hij zijn handelswijze recht praat. Deze aanvullende verklaring van de aangever is echter onaannemelijk. Het lijkt er sterk op dat de aangever en zijn vriendin hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Zoals eerder gezegd, heeft ook de vriendin niets verklaard over het omkeren en terugrijden. Ook verder heeft zij precies hetzelfde verklaard als de aangever. Daarbij komt ook nog dat toen de aangever in eerste instantie ter plaatse werd gehoord, zijn vriendin, van wie de verklaring als getuige later is opgenomen, er naast stond. Dit is heel onzorgvuldig geweest van de politie.Verder geldt dat het handelen van de aangever niet in overeenstemming is geweest met wat men van een politieagent mag verwachten. Hij was agressief, heeft de verdachte belachelijk gemaakt en hem uitgescholden toen hij hem klemvast had op de grond. Ook is het geweld dat hij heeft toegepast te ver gegaan. De verdachte kreeg geen lucht meer. Dit volgt ook uit de verklaringen van meerdere getuigen, onder wie de getuige [naam getuige 1] . Het was dan ook niet verwonderlijk dat de verdachte er vandoor ging toen hij daar de kans toe kreeg. De verdachte moet van een poging doodslag worden vrijgesproken omdat de verdachte de aangever niet (tegen het hoofd) heeft getrapt. Het letsel dat de aangever heeft opgelopen, kan ook worden verklaard door het slaan, de worsteling, het vallen op de grond of het tegen de muur vallen. De overige ten laste gelegde geweldshandelingen zijn niet zodanig van aard dat die tot potentieel dodelijk letsel hadden kunnen leiden. Evenmin is er sprake van zwaar lichamelijk letsel. De breuk van de kaak behoeft geen behandeling en de genezingsduur is door de forensisch arts geschat op vier tot zes weken. De verdachte erkent dat hij de aangever heeft geslagen, maar dit slaan kan niet leiden tot de bewezenverklaring van een poging zware mishandeling.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde brengt de verdediging het volgende naar voren. De aangever heeft pas in een laat stadium gemeld dat hij politieagent is. Hij heeft zich niet heeft gedragen zoals van een politieagent verwacht mag worden en heeft te fors geweld gebruikt tegen de verdachte. Het is dus maar de vraag of aangenomen kan worden dat de aangever heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Het eigen handelen van de aangever en het geweld dat hij heeft gebruikt, maakt dat er sprake is van een onrechtmatige aanhouding.

4.3.
Beoordeling

4.3.1.
Vaststaande feiten

De volgende feiten en omstandigheden kunnen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan.Op 16 februari 2019 reed de verdachte als bestuurder op een scooter op de Laan der Verenigde Naties te Dordrecht. [naam 1] zat bij hem achterop. Achter hen reed, eveneens op een scooter, de aangever met zijn vriendin ( [naam 2] ) achterop.Bij het oversteken naar de Zuidendijk kwam het bijna tot een botsing tussen hen. De verdachte sloeg op enig moment linksaf, terwijl de aangever dat niet verwachtte. De verdachte en [naam 1] hebben de aangever toen uitgescholden. Zij hebben hun weg vervolgd. De aangever reed achter hen aan. Verderop op de Zuidendijk sloeg de aangever rechtsaf. De verdachte reed op dat punt rechtdoor. Bijna meteen daarna is de aangever omgekeerd en alsnog in de richting van de verdachte aangereden. De verdachte stond op dat moment stil. Toen de aangever bij de verdachte aankwam, zijn beiden van hun scooter gestapt. Ze hebben elkaar over en weer met de vuist in het gezicht geslagen. Op enig moment heeft de aangever de verdachte overmeesterd. Beiden lagen op de grond. De aangever had zijn arm om de nek van de verdachte. Inmiddels waren er buurtbewoners (de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] ) naar hen toegekomen. De politie was gebeld en onderweg. Toen drie bekenden van de verdachte op bellen van [naam 1] arriveerden, heeft de aangever de verdachte losgelaten. De verdachte is naar zijn scooter gerend, opgestapt en wilde wegrijden. De aangever heeft toen zijn bagagedrager vastgepakt. Beiden zijn gevallen. Hierbij heeft de aangever ernstig letsel aan zijn knie opgelopen.
4.3.2.
Feit 1

De rechtbank stelt voorop dat zij er niet van overtuigd is dat de verdachte de aangever tegen het hoofd heeft getrapt. De verklaring van de aangever dat de verdachte hem als eerste heeft geslagen met de vuist tegen zijn hoofd, waardoor de aangever op de grond is beland en daar een harde trap tegen zijn hoofd heeft gekregen, vindt slechts steun in de verklaring van de vriendin van de aangever, die aanwezig was toen de aangever zijn verhaal deed tegen de ter plaatste gekomen verbalisanten. De rechtbank is van oordeel dat er daarom rekening mee moet worden gehouden dat dit de verklaring van de vriendin heeft beïnvloed en dat er daarom niet vanuit gegaan kan worden dat haar verklaring betrouwbaar is. De verklaringen van de verdachte en de getuige [naam 1] , die is gehoord als verdachte, staan hier tegenover. Hun verklaringen komen erop neer dat de aangever en de verdachte elkaar over en weer hebben geslagen en dat dit tot een worsteling heeft geleid, waarbij zij samen op de grond zijn beland. De rechtbank gaat uit van de juistheid van die verklaringen. De rechtbank weegt hierbij mee dat de verdachte vanaf het eerste verhoor bij de politie tot op de zitting eenduidig heeft verklaard en dat zijn verklaringen overeenkomen met de verklaringen van andere getuigen en met de beschrijving van de camerabeelden die zich in het dossier bevinden. De rechtbank weegt ook mee dat duidelijk is geworden dat de aangever en zijn vriendin niet meteen volledig naar waarheid hebben verklaard. Volgens de aangifte en de getuigenverklaring van de vriendin van de aangever werden zij door de verdachte tot stoppen gedwongen. Deze lezing van het gebeurde rijmt niet met de beschrijving van de camerabeelden, waaruit kan worden afgeleid dat de aangever zelf naar de verdachte is toegereden (nadat de aangever eerst was afgeslagen, maar daarna was omgedraaid). Ook hecht de rechtbank waarde aan de verklaring van getuige [naam getuige 1] , dat de aangever tegen haar heeft gesproken over twee klappen of vuistslagen die hij van de verdachte heeft gehad en aan de verklaring van getuige [naam getuige 2] , dat de vrouw (uit de context is duidelijk dat hij de vriendin van de aangever bedoelde) tegen hem heeft gezegd dat de verdachte twee vuistslagen heeft gegeven. Geen van beiden hebben gemeld dat zij hebben gehoord dat de aangever een trap tegen het hoofd heeft gekregen. Dit alles maakt dat de rechtbank niet tot de overtuiging is gekomen dat de verdachte de aangever tegen het hoofd heeft getrapt (terwijl deze op de grond lag). Dit maakt dat vrijspraak dient te volgen met betrekking tot het trappen tegen het hoofd. De verdachte heeft bekend, ook ter zitting, dat hij de aangever wel heeft geslagen. De rechtbank is echter van oordeel dat naar algemene ervaringsregels niet kan worden aangenomen dat het enkele slaan (met de vuist) de aanmerkelijk kans oplevert op het intreden van de dood. Dit betekent dat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Voor bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, moet worden vastgesteld dat de verdachte de aangever zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij de aangever is veroorzaakt, te weten kleine krasverwondingen in het gelaat, een zwelling ter plaatse van de linker kaak/-oogkas, een (beginnende) bloeduitstorting links onder de oogkas en een breuk van de kaak links, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Niet aannemelijk is geworden dat de aard van dit letsel van dien aard is geweest dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. Sterker nog, in de FARR verklaring van 16 april 2019 is vermeld dat voor de breuk geen verdere behandeling wordt ingesteld. Daarnaast is op grond van die FARR verklaring aannemelijk dat de aangever van dit letsel binnen vier tot zes weken volledig was hersteld.Het voorgaande betekent dat de verdachte van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde eveneens zal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling dient de vraag te worden beantwoord of de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen. Zoals hierboven is overwogen, acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte de aangever tegen het hoofd heeft getrapt. Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat de verdachte en de aangever elkaar over en weer hebben geslagen (in het gezicht) en dat dit tot een worsteling heeft geleid, waarbij zij samen op de grond zijn beland.
De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal de verdachte daarom ook van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

4.3.3.
Feit 2

De rechtbank gaat ervan uit dat op het moment dat de aangever de verdachte onder controle had en klem vast had, hij tegen de verdachte heeft gezegd dat hij was aangehouden. Zowel uit de verklaring van de verdachte als de aangever en getuige [naam getuige 1] blijkt dat de verdachte zich dat moment niet meer heeft verzet. Hij heeft niet geprobeerd zich uit de greep van de aangever los te maken, maar is blijven liggen. Uit de verklaring van getuige [naam getuige 1] blijkt zelfs dat de verdachte door de greep van de aangever weinig lucht kreeg en zich niet meer kon bewegen. Zoals onder 4.3.1 is vastgesteld, heeft de aangever de verdachte op enig moment losgelaten, waardoor de verdachte ruimte kreeg om op te staan. De verdachte is toen weggerend naar zijn scooter, is op zijn scooter gestapt en weggereden. Terwijl de verdachte wegreed, heeft de aangever de scooter van de verdachte vastgepakt en de scooter onderuit getrokken. Het weglopen, nadat de verdachte was losgelaten, en het wegrijden op de scooter kunnen niet worden aangemerkt als geweldshandelingen of als bedreigingen met geweld. Dit betekent dat niet is voldaan aan een essentieel bestanddeel voor bewezenverklaring van hetgeen onder 2 ten laste is gelegd, te weten zich ‘met geweld en/of bedreiging met geweld’ verzetten. Nu dit niet bewezen kan worden verklaard, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.
4.4.
Conclusie

Het onder 1 (primair, subsidiair en meer subsidiair) en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.De benadeelde partij vordert een bedrag van € 604,70 aan materiële schade en een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.1.
Standpunt officier van justitie

Volgens de officier van justitie is de vordering goed onderbouwd en voor toewijzing vatbaar.
5.2.
Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij geheel niet-ontvankelijk te verklaren. Hoewel het evident is dat er schade is ontstaan, is er ook sprake van eigen-schuld van de benadeelde. Voor de aanwezigheid van botsplinters is geen steun in de stukken. Het vormt een onevenredige belasting van het strafproces om de vordering van de benadeelde partij te behandelen in het strafgeding.
5.3.
Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte van het ten laste gelegde onder 1 en 2 zal worden vrijgesproken.
Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

5.4.
Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
6

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

beslissing

7

De rechtbank:

- ( met kracht) getracht zich uit de (houd)greep van die [naam slachtoffer] los te- ( daarbij) (met kracht) die [naam slachtoffer] op/tegen het hoofd/gezicht en/of lichaam- ( daarbij) (met kracht) die [naam slachtoffer] beetgepakt/vastgepakt en/ofbeetgehouden/vastgehouden en/of- ( vervolgens) op een scooter weggereden, althans getracht op een scooter weg
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 (primair, subsidiair en meer subsidiair) en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, voorzitter, tevens kinderrechter,en mrs. M.P. van der Stroom en S. Woudman-Bijl, rechters,in tegenwoordigheid van mr. L.E. van Damme, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2019.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.hijop of omstreeks 16 februari 2019 te Dordrecht ter uitvoering van het doorverdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [naam slachtoffer] een of meer(harde) vuistslagen op/tegen het gezicht/hoofd heeft gegeven, als gevolgwaarvan die [naam slachtoffer] (hard) ten val is gekomen en/of (vervolgens), terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag, met kracht die [naam slachtoffer] op/tegen liet hoofd/gezichtheeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet isvoltooid;
(art. 287 jo 45 Wetboek van Strafrecht)art 237 Wetboek van Strafrechtart 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hijop of omstreeks 15 februari 2019 te Dordrechtaan [naam slachtoffer] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak,heeft toegebracht door die [naam slachtoffer] een of meer (harde) vuistslagen op/tegenhet gezicht/hoofd te geven, als gevolg waarvan die [naam slachtoffer] (hard) ten val isgekomen en/of (vervolgens).terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag, met krachtop/tegen het hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer] te schoppen/trappen;
(art. 302 Wetboek van Strafrecht)art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht
meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
hijop of omstreeks 16 februari 2019 te Dordrechtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [naam slachtoffer] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengendie [naam slachtoffer] een of meer (harde) vuistslagen op/tegen het gezicht/hoofd heeftgegeven, als gevolg waarvan die [naam slachtoffer] (hard) ten val is gekomen en/of(vervolgens), terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag, met kracht die [naam slachtoffer]op/tegen het hoofd/gezicht heeft getrapt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art. 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)art 302 lid 1 Wetboek van Strafrechtart 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
2.hijop of omstreeks 16 februari 2019 te Dordrecht,zich met geweld en/of bedreiging met geweld,heeft verzettegen een ambtenaar, [naam slachtoffer] , verbalisant van politie EenheidRotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,immers heeft/is hij, verdachte, toen hij, verdachte, op verdenking van het overtreden vanartikel 302 (jo 45) / 300 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval opverdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, door die [naam slachtoffer]was aangehouden en daartoe/daarbij was vastgepakt/vastgegrepen
maken, (door met zijn lichaam en/of armen en/of benen te bewegen teneinde van die [naam slachtoffer] los te kunnen komen/geraken) en/of
geslagen/gestompt, althans slaande/stompende bewegingen naar/in de richtingvan die [naam slachtoffer] gemaakt en/of
te rijden, terwijl die [naam slachtoffer] deze scooter vasthieldterwijl dit misdrijf en/of daarmede gepaard gaande feitelijkheden zwaarlichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te wetengescheurde kruisband (knie) en/of een of meer schaafwonden en/ofbloeduitstortingen bij die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
(art. 131 Wetboek van Strafrecht)