Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:4800

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:4800, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/651054-18 / vordering TUL VV: 10/811182-17 en 10/812173-16


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/651054-18Parketnummers vordering TUL VV: 10/811182-17 en 10/812173-16Datum uitspraak: 11 juni 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2001, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim,raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam.

ECLI:NL:RBROT:2019:4800:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/651054-18Parketnummers vordering TUL VV: 10/811182-17 en 10/812173-16Datum uitspraak: 11 juni 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2001, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim,raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam.
1

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 28 mei 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie mr. S.M. Scheer heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 7 maanden met aftrekvan voorarrest;

voorwaardelijke oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, met een proeftijd van twee jaar, met de algemene voorwaarde, de van rechtswege geldende voorwaarden en de bijzondere voorwaarden inhoudende:

-

met opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.

 dagbesteding en individuele begeleiding volgt bij Urban Skillsz of een soortgelijke instelling; meewerken aan ambulante behandeling bij De Waag, of een soortgelijke instelling; meewerken aan plaatsing in een zorginstelling, indien de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; meewerken met het ITB Harde Kern traject, zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; avondklok, zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; meldplicht;
4

4.1.
Bewezenverklaring

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen het onder 1 ten laste gelegde en heeft ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit.
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen de raadsman heeft bepleit zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen.

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.Hij op 1 december 2018 te Vlaardingen in of uit een winkel gelegen aan de [adres delict] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan die [naam slachtoffer] en/of supermarkt [naam supermarkt] ,
2.Hij op 1 december 2018 te Vlaardingen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie 1 onder 7 van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, te weten een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Walther, type P99 voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

- gemaskerd voornoemde supermarkt is binnengegaan en- ( vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan/op die [naam slachtoffer] heeft getoond en voorgehouden en gericht en - ( daarbij) tegen die [naam slachtoffer] heeft gezegd: “geef geld”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5

De bewezen feiten leveren op:
Feit 1
Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 2
Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan een poging overval van een supermarkt. Hij is samen met een ander gemaskerd de supermarkt ingelopen met een (nep)vuurwapen in de hand. Hij heeft dit wapen gericht op de eigenaar van de supermarkt en daarbij “geef geld” gezegd. Het is bij een poging gebleven, omdat de eigenaar van de supermarkt en een vriend van de eigenaar, die ook in de winkel aanwezig was, onverschrokken hebben gehandeld en de verdachte hebben overmeesterd. De mededader wist te ontkomen.
Deze poging overval is een ernstig en verwerpelijk feit. De verdachte heeft zich bij het plegen van dit feit kennelijk uitsluitend laten leiden door zijn verlangen naar geld en/of spanning en heeft zich op geen enkele manier bekommerd over de eigenaar van de winkel en diens vriend die beide slachtoffer werden van het handelen van de overvallers. Dit soort feiten zijn voor de direct betrokkenen zeer schokkend en angstaanjagend. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten doorgaans nadelige psychische gevolgen voor (het) slachtoffer(s) met zich meebrengen. Dergelijke feiten dragen daarnaast bij aan gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.

7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.
Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 mei 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van de deskundige op de terechtzitting

Kinder- en jeugdpsychiater G.C.G.M. Broekman heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 april 2019. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in. Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een norm overschrijdende gedragsstoornis en van een licht verstandelijke beperking. Hiermee samenhangend vertoont de verdachte gemakkelijke beïnvloeding door risicovolle (antisociaal gerichte) contacten met agressief antisociaal gedrag en een zorgelijke emotionele, morele en sociale ontwikkeling. Deze gebrekkige ontwikkeling was er ook ten tijde van het tenlastegelegde. Het ten laste gelegde dient hem verminderd te worden toegerekend. Gezien de langer bestaande antisociale gedragsproblemen van de verdachte, de daarmee samenhangende agressieve impulsregulatieproblemen en zijn zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling kan worden geconcludeerd dat de kans op ongewenst recidivegedrag groot is bij uitblijven van adequate begeleiding en behandeling en bij onvoldoende (dag)structuur in een vrijwillig kader. De verdachte dient met structuur, met korte en duidelijke lijnen, vanuit een gecontroleerd overzichtelijk milieu bejegend te worden. Behandeling kan nog wel voldoende worden geborgd vanuit een voorwaardelijk kader. Er wordt een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting van jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) geadviseerd omdat een lichtere vorm binnen het strafrechtelijk kader niet meer als haalbaar, dan wel geïndiceerd wordt geacht. Hieraan dienen als voorwaarden te worden verbonden dat de verdachte een adequate dagbesteding heeft, zoals door Stichting Urban Skillsz wordt geboden, of een andere vorm van intensieve dagbesteding, met begeleiding door de jeugdreclassering.
GZ-Psycholoog drs. C. van den Bergh heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 5 april 2019. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in. Er is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens. Hij functioneert intellectueel en voor zijn adaptieve vaardigheden op een licht verstandelijk beperkt niveau. Passend bij zijn niveau handelt hij emotioneel en sociaal vanuit een kinderlijk egocentrisch perspectief. Zijn tekortkomingen leiden totdisfunctioneren in verschillende levensdomeinen waaronder delict gedrag onder invloed vandelinquente leeftijdgenoten. Diagnostisch is er sprake van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis matig van ernst, een normoverschrijdend gedragsstoornis en ouder- kind-relatieproblemen. Dit was ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen vanwege de invloed van de verstandelijke beperking waardoor zijn impulscontrole verminderd is onder invloed van “peer pressure”. De kans op recidive wordt als hoog geschat. Er zijn nauwelijks protectieve factoren. De verdachte is vooral afhankelijk van externe sturing. Door zijn gebrekkige probleeminzicht en het ontbreken van lijdensdruk is de kans op een interne motivatie voor een gedragsverandering zeer gering.De verdachte moet leren en ervaren dat een structuur waarin hij werkt, woont en waarin hij zijn vrije tijd op een afgesproken manier invult, hem het meeste voordeel oplevert. Zodra hij zelf kan kiezen wat hij doet en met wie, is het risico aanwezig dat hij zich normoverschrijdend gedraagt. Het is van belang dat hij de komende tijd nog sterker begrensd wordt in zijn negatieve gedrag, dat hij succeservaringen opdoet met verantwoordelijk gedrag en dat hij de kans heeft om zich te identificeren met positieve pro- sociale mensen in werk -en vrijetijdsdomeinen. Op dit moment wordt een ambulant strafrechtelijk kader in de vorm van een voorwaardelijke PIJ-maatregel als maximale stok achter de deur nog als optie gezien om zijn ontwikkeling te bevorderen en de kans op recidive te verminderen. De verdachte kan binnen een strakke structuur met afspraken over een (forensische) dagbehandeling voor jongeren met een verstandelijke beperking en vrije tijdsbesteding toe geleid worden naar passende arbeid. Het is waarschijnlijk dat hij langdurig ondersteuning en aansturing nodig heeft voor wonen, werken en vrijetijdsinvulling om zijn antisociale gedrag te begrenzen en zijn ontwikkeling in positieve zin te stimuleren. Verantwoordelijk gedrag kan dan ingesleten worden. Als voorwaarden kan worden gedacht aan (forensische) dagbehandeling voor jong volwassenen met een licht verstandelijke beperking, invulling van vrije tijd in een setting voor jongeren met een licht verstandelijke beperking en jeugdreclasseringstoezicht.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 mei 2019. Dit rapport houdt het volgende in. De ouders ervaren in de thuissituaties weinig problemen met de verdachte. Hij houdt zich aan de regels en laat zich goed aanspreken. De ouders zijn beide consequent bij het niet nakomen van de regels. De moeder merkt dat de verdachte een laag IQ heeft en snel afgeleid is. De vader merkt zijn lage IQ niet zo op. Er zijn twijfels in hoeverre moeder haar gezag kan doen gelden als de verdachte buiten is, omdat de verdachte elke keer opnieuw in aanraking komt met de politie.De verdachte zit op het voortgezet speciaal onderwijs voor zeer moeilijk lerende kinderen. Het is voor de school echter niet langer mogelijk de verdachte passend onderwijs en of stage te bieden omdat er al veel is gebeurd en hij nu opnieuw in aanraking is gekomen met de politie. Binnen de JJI heeft de verdachte ontdekt dat hij fitness en muziek heel leuk vindt en dat dat ontspannend werkt. Daar kan hij mee verder gaan als hij vrij is. Het is van belang dat de verdachte externe sturing krijgt in het maken van goede keuzes ten behoeve van zijn vrije tijden daarnaast dat ouders zicht hebben op wat hij buitenshuis doet. Het is van belang dat de verdachte, met veel sturing en controle van buitenaf, leert om meer pro sociale contacten aan te gaan en weerstand leert bieden tegen antisociale invloeden vanuit zijn omgeving. Binnen de JJI wordt gezien dat de verdachte veel baat heeft bij duidelijkheid, structuur, regels en herhaling. Hij luistert in algemeen goed naar de instructies van de groepsleiding en stelt zich begeleidbaar op. Hij lijkt beïnvloedbaar door andere jongens. Er is sprake van een gebrekkige gewetensontwikkeling waarbij het voor de verdachte lastig is om het perspectief van het slachtoffer in te nemen en er weinig sprake is van spijtgevoelens of empathie. Daarbij redeneert de verdachte vooral vanuit zijn eigen behoeftes (egocentrisch perspectief) en zijn deze wensen leidend bij het maken van keuzes.Als gevolg van zijn beperkte emotionele ontwikkeling kost het de verdachte veel moeite om zijn emoties, impulsen en agressie te reguleren, omdat hij geneigd is om vooral reactief te handelen. Bij begrenzing of aansturing kan hij snel boos worden. Zijn boosheid laait snel op en het duurt lang voordat hij kalmeert.Geadviseerd wordt de oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met inzet van persoonlijke hulpverlening. Het is ook belangrijk dat de jeugdreclassering betrokken blijft. Er lijken geen andere mogelijkheden meer om het gedrag en de ontwikkeling van de verdachte op een andere wijze ten goede te keren, zeker als wordt gekeken naar de hoge kans op herhaling.
Mevrouw [naam vertegenwoordigster] , vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSSJJ) heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht.De WSSJJ sluit zich grotendeels aan bij het advies van de Raad. Het werktraject van de gemeente acht de WSSJJ niet noodzakelijk, nu de dagbesteding via Urban Skillsz zal worden verzorgd. Aanvullend acht de WSSJJ het wel van belang dat de verdachte gaat meewerken aan ambulante forensische behandeling, zoals Topzorg van de Waag en dat het ITB Harde Kern traject wordt ingezet. Dit is mogelijk, omdat de verdachte een dagbesteding via Urban Skillsz kan krijgen. Binnen dit traject kan sterk worden gekaderd en kan vastigheid worden geboden aan de verdachte. Een avondklok zou helpend kunnen zijn, nu de verdachte gebaat is bij duidelijkheid, structuur en heldere afspraken. De WSSJJ kan hierover in overleg treden met de ouders. De tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde werkstraffen kan worden ingepast in het traject bij Urban Skillsz.
7.4.
Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Gezien de ernst van het eerste feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel passend is. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Eerdere hulpverleningstrajecten, waaronder de leerstraf So Cool, hebben niet gezorgd voor een blijvende gedragsverandering bij de verdachte. Daarbij komt dat uit de rapportages blijkt dat de verdachte waarschijnlijk langdurige ondersteuning en aansturing nodig zal hebben voor wonen, werken en vrijetijdsinvulling, om zijn antisociale gedrag te begrenzen en zijn ontwikkeling in positieve zin te stimuleren. Verantwoordelijk gedrag dient ingesleten te worden. De verdachte ziet dit zelf ook in. Ter terechtzitting heeft hij immers verklaard dat hij herhaling nodig heeft, omdat het anders niet blijft hangen. Nu het belangrijk is dat de verdachte de komende periode sterk begrensd wordt en hij baat heeft bij veel structuur, duidelijkheid en heldere grenzen, wordt het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk geacht als stevige stok achter de deur voor de bijzondere voorwaarden die de rechtbank zal opleggen, te weten:

 dagbesteding en individuele behandeling bij Stichting Urban Skillsz of een soortgelijke instelling; ambulante (forensische) behandeling in de vorm van Topzorg bij de Waag, of een soortgelijke behandeling bij een soortgelijke instelling;  het ITB Harde Kern traject, zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; plaatsing in een zorginstelling, mitsdien de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
De rechtbank stelt vast dat het eerste tenlastegelegde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psycholoog en de psychiater in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De voorwaardelijk op te leggen maatregel zal bij eventuele tenuitvoerlegging verlengbaar zijn tot een termijn van maximaal zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk, aangezien verdachte veroordeeld zal worden wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen.

Gelet op de ernst van het eerste feit en de rapportages van de psycholoog, de psychiater en de Raad waaruit naar voren komt dat het recidivegevaar bij het uitblijven van behandeling hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf vergelijkbaar met het onderhavige onder 1 tenlastegelegde zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

- de verdachte dient gedurende de proeftijd zijn medewerking te verlenen aan:De rechtbank zal een proeftijd van twee jaren opleggen.
-

meldplicht;

avondklok, zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

8

8.1.
Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 19 mei 2017 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van poging tot afpersing veroordeeld voor zover van belang - tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 60 uur, waarvan een gedeelte groot 20 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 3 juni 2017.
Bij vonnis van 25 januari 2018 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van van poging diefstal met braak en inklimming door twee of meer verenigde personen en mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 20 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Na aftrek van voorarrest, resteert een werkstraf van 6 uur.De proeftijd is ingegaan op 9 februari 2018.
8.2.
Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen tot tenuitvoerlegging.

8.3.
Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij vonnissen van 19 mei 2017 en 25 januari 2018 aan de verdachte opgelegde straffen.

9

Gelet is op de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 13 en 55 van Wet wapens en munitie.

10

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

11

De rechtbank:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
- zich gedurende een door gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd medewerking zal verlenen aan dagbesteding en individuele behandeling vanuit Stichting Urban Skillsz of een soortgelijke instelling;
- gedurende de proeftijd medewerking zal verlenen aan ambulante (forensische) behandeling in de vorm van Topzorg van de Waag of een soortgelijke behandeling bij een soortgelijke instelling;
- gedurende de proeftijd medewerking zal verlenen aan het ITB Harde Kern traject, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd zal meewerken aan plaatsing in een zorginstelling, als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd zal houden aan een avondklok, zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- gemaskerd voornoemde supermarkt is binnen gegaan en/of- ( vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan/op die [naam slachtoffer] heeft getoond en/of voorgehouden en/of gericht en/of - ( daarbij) tegen die [naam slachtoffer] heeft gezegd: “geef geld”, althans woorden van gelijke strekking,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie ,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de verdachte op ;

bepaalt dat deze maatregel, , tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een , die wordt vastgesteld op ;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan de duur van de opgelegde jeugddetentie;

gelast van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 19 mei 2017 in de zaak met parketnummer 10/812173-16;

gelast van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 6 uren subsidiair 3 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 25 januari 2018 in de zaak met parketnummer 10/811182-17.

Dit vonnis is gewezen door:mr. M.P. van der Stroom, voorzitter, tevens kinderrechter,en mrs. S.C.C. Hes-Bakkeren en S. Woudman-Bijl, rechters,in tegenwoordigheid van mr. L.E. van Damme, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2019.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.Hij op of omstreeks 01 december 2018 te Vlaardingenin of uit een winkel gelegen aan de [adres delict] ,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer] en/of supermarkt [naam supermarkt] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
Art 317 lid 1 Wetboek van StrafrechtArt 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van StrafrechtArt 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
2.Hij op of omstreeks 1 december 2018 te Vlaardingen,een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie 1 onder 7 van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie,te weteneen door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, te weten een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Walther, type P99 voorhanden heeft gehad.
Art 13 lid 1 Wet wapens en munitie