Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:4655

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 07-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:4655, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is ROT 19/2266


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam [verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee, verweerder,met als derde partij: de Stichting Goereese Gemeenschap, vergunninghoudster,
gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
gemachtigde: mr. A.P. Cornelissen.

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/2266

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

en

ECLI:NL:RBROT:2019:4655:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam [verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee, verweerder,met als derde partij: de Stichting Goereese Gemeenschap, vergunninghoudster,
gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
gemachtigde: mr. A.P. Cornelissen.
Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/2266

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van maatregelen voor het openstellen van de vuurtoren Westhoofd in Ouddorp voor publiek. De omgevingsvergunning is verleend voor een periode van vijf jaar.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2019. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [naam] .
Overwegingen

1. De vuurtoren Westhoofd staat in de duinen bij de Groenedijk in Ouddorp. In 2009 is de vuurtoren aangewezen als Rijksmonument. De kerntaak van de vuurtoren is het informeren en begeleiden van vaarverkeer op de Noordzee en aansluitende wateren. Het plan ziet op het tijdelijk openstellen voor het publiek en het realiseren van bijkomende fysieke maatregelen, te weten het plaatsen van een hekwerk, tafels, een toiletunit en een fietsstalling op het terrein rondom de vuurtoren en een balustrade rond de omloop van de vuurtoren zelf. Daarnaast voorziet het plan in het geven van rondleidingen tegen betaling en het verkopen van artikelen die een relatie hebben met de toren of een van de exposanten.
2. De vuurtoren is in 2019 vanaf 13 april tot 21 december elke woensdag en de zaterdag geopend van 10:00 uur tot 16:00 uur. Tijdens de openingsuren zal de toegangspoort halfopen staan zodat bezoekers lopend en met de fiets het terrein op kunnen. Bezoekers die met de auto komen kunnen niet naar de vuurtoren rijden. Zij worden middels bebording verwezen naar de bestaande parkeerplaatsen, met name parkeerplaats Derde Blok en parkeerplaats Westhoofdduinpad, iets voorbij de vuurtoren. Parkeerplaats Westhoofdduinpad is te bereiken via de Groenedijk.
3. Verzoeker is eigenaar van de (recreatie)woning aan de [adres] te Ouddorp. De woning ligt tegenover de vuurtoren.
4.1.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:a. het bouwen van een bouwwerk,c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…),f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
Artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
4.2.
Op grond van artikel 4, aanhef en elfde lid van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking:ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
4.3.
Op grond van artikel 1.1, vijfde lid, aanhef en onder a van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) voldoet een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wabo voor een geval als bedoeld in artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Bor, aan dit besluit, tenzij in dit besluit anders is bepaald.
1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden buiten het stedelijk gebied maakt ten opzichte van het daaraan voorafgaande geldende bestemmingsplan geen nieuwe bebouwing mogelijk.2 Het eerste lid is niet van toepassing op:a. bouwwerken ten behoeve van tijdelijke of seizoensgebonden activiteiten;(..)
Artikel 2.3.5. (bouwen in het kustfundament buiten stedelijk gebied) van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) bepaalt:

4.4.
Op grond van bijlage I bij de Omgevingsverordening Zuid-Holland (hierna: Omgevingsverordening) wordt voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen, tenzij anders bepaald, onder ruimtelijke ontwikkeling verstaan: bebouwing of gebruik van bebouwing of grond.
1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:c. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren) wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is gewaarborgd door:(..)2. Uitzondering vanwege beschermingscategorieën zijn:a. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie a, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden;(..).
a. omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken, voor zover het betreft de in bijlage VIII van deze verordening genoemde situaties; (..)
- het realiseren van tijdelijke nieuwe woningen binnen bestaand stads- en dorpsgebied;- het realiseren van nieuwe tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten bij een agrarisch bedrijf gedurende een korte seizoenspiekperiode.
Artikel 6.9 van de Omgevingsverordening bepaalt:

1° zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en2° het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid;
Op grond van artikel 6.40 van de Omgevingsverordening is afdeling 6.2 van overeenkomstige toepassing op besluiten op een aanvraag om een:

In bijlage VIII van de verordening wordt toepassing van artikel 4, elfde lid, van Bijlage II bij het Bor genoemd, tenzij sprake is van:

4.5.
Op de gronden is het bestemmingsplan “Landelijk Gebied Goedereede” van toepassing en rust de bestemming ‘Maatschappelijk’ en de dubbelbestemming ‘Waterstaat-Waterkering’.
a. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 37.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 10 m;b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
5. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1° van de Wabo in samenhang met artikel 37.3 van de planvoorschriften. Naar de mening van verweerder bestaat er geen aanleiding om in redelijkheid aan te kunnen nemen dat - zo er al sprake zou zijn van schade aan het waterkeringsbelang - het waterkeringsbelang onevenredig wordt geschaad. Voor het afwijken van de gebruiksfunctie heeft verweerder artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo in samenhang met artikel 4, elfde lid, van Bijlage II van het Bor toegepast. Rekening houdend met de zeer beperkte openingstijden en een goede verwijzing naar parkeerplaats Derde Blok en parkeerplaats Westhoofdduinpad met een gezamenlijke capaciteit van ongeveer 310 parkeerplaatsen (dus exclusief de ook aanwezige parkeermogelijkheden langs de Groeneweg en Groenedijk) is het effect van de openstelling van de vuurtoren op de totale parkeerdruk naar de mening van verweerder te verwaarlozen. Omdat er verder geen ruimtelijke belangen aan de orde zijn die zich verzetten tegen planologische medewerking en er geen sprake is van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, heeft verweerder gebruik gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid.
6. Verzoeker stelt dat het in strijd is met een goede ruimtelijke ordening indien een omgevingsvergunning wordt verleend voor een toeristische attractie terwijl de toegangswegen naar die attractie het extra verkeersaanbod niet kunnen dragen. Er is ten onrechte geen deskundigenrapport over de verkeerssituatie nabij de vuurtoren opgesteld. Verweerder heeft om die reden in strijd gehandeld met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Naar de mening van verzoeker staat artikel 6.9, tweede lid, van de Omgevingsverordening de openstelling van de vuurtoren niet toe. Verzoeker wijst erop dat in de omgevingsvergunning geen voorwaarden zijn opgenomen die waarborgen dat de mogelijkheid van het betreden van Natura 2000-gebied is weggenomen.
7. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het bouwplan voor de parkeerproblemen en de daarmee samenhangende verkeersoverlast op de Groenedijk. Verweerder erkent in het bestreden besluit dat sprake is van een verkeerstoename en dat ook de parkeerbehoefte zal stijgen als gevolg van het bouwplan, maar volstaat met het overnemen van hetgeen door vergunninghoudster in de ‘nadere onderbouwing voor de parkeerafwikkeling tijdens de openstelling’ is vermeld. Dit klemt te meer nu uit de door verzoeker overgelegde foto’s blijkt dat er thans reeds sprake is van parkeer- en verkeersproblemen op deze doodlopende polderweg van slechts drie meter breed waar aan één zijde mag worden geparkeerd en waar ook nog eens veelvuldig gefietst en gewandeld wordt. De door verweerder in het bestreden besluit genoemde verwijzing door middel van bebording naar parkeerterrein Derde Blok en parkeerterrein Westhoofdduinpad zal bezoekers er niet van weerhouden via deze Groenedijk naar de vuurtoren te rijden. Uit de inmiddels geplaatste bebording blijkt immers dat de vuurtoren ook wordt genoemd bij de verwijzing naar de parkeerplaats bij strandopgang 10 (Westhoofdduinpad), nog daargelaten dat de navigatie bezoekers van de vuurtoren hoogstwaarschijnlijk via de Groenedijk naar deze parkeerplaats met slechts circa 25 parkeerplaatsen zal verwijzen en niet naar de parkeerplaats Derde Blok met zo’n 300 parkeerplaatsen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij de voorbereiding van het besluit niet de volledige ruimtelijke impact van het bouwplan beoordeeld en niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen vergaard. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb. Verweerder zal dit gebrek in het besluit op bezwaar dienen te herstellen en de uitkomst van het nader te verrichten onderzoek mee dienen te wegen in het kader van de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo.
9. Met betrekking tot het standpunt van verzoeker dat artikel 6.9, tweede lid, van de Omgevingsverordening de openstelling van de vuurtoren niet toestaat overweegt de voorzieningenrechter dat partijen van mening verschillen of sprake is van ‘aanpassen’ als bedoeld in artikel 6.9, eerste lid, onder b van de Omgevingsverordening. Mede gelet op de omstandigheid dat verweerder de ruimtelijke gevolgen van het bouwplan niet deugdelijk heeft onderzocht, kan de voorzieningenrechter voorshands niet uitsluiten dat sprake is van ‘aanpassen’ als bedoeld in artikel 6.9, eerste lid, onder b van de Omgevingsverordening. De door verweerder genoemde voorbeelden van openstelling van vuurtorens in Westkapelle, Katwijk en Texel kan aan het voorgaande niet afdoen. De ligging van deze vuurtorens is immers niet vergelijkbaar met vuurtoren Westhoofd, namelijk midden in een dorp (Westkapelle), op de boulevard (Katwijk) of juist zeer afgelegen (Texel).
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat het ‘projectplan herbestemming Vuurtoren Ouddorp februari 2019’ vermeldt dat langs de toegangsweg naar de vuurtoren ontbrekend prikkeldraad hersteld zal worden en links en rechts van de toren het terrein afgezet zal worden met zogenaamd schapenhekwerk met een hoogte van 120 cm. Het projectplan maakt onderdeel uit van het bestreden besluit, zodat in zoverre wel degelijk maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat het Natura 2000 gebied zal worden betreden. Voor het stellen van een voorschrift aan de omgevingsvergunning met betrekking tot een hek bij de toegang vanaf het strand ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Van vergunninghoudster kan als niet-eigenaar van deze gronden niet worden verlangd ter plaatse een hek neer te zetten.
11. De voorzieningenrechter ziet in het onder punt 8 en punt 9 overwogene aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker.
12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De reiskosten die verzoeker heeft gemaakt om de zitting te kunnen bijwonen worden toegekend tot het gevraagde bedrag van € 7,86.
Op grond van artikel 14.1, onder a, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: planvoorschriften) zijn de voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden bestemd voor bibliotheken, openbare dienstverlening, gezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs, peuterspeelzalen, sociale en welzijnsvoorzieningen, verenigingsleven en voorzieningen ten behoeve van levensbeschouwelijke en religieuze doeleinden.

Op grond van artikel 37.1 van de planvoorschriften zijn de voor ‘Waterstaat-Waterkering’ aangewezen gronden – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de waterkering.

Op grond van artikel 37.2 van de planvoorschriften mag op deze gronden worden gebouwd en gelden de volgende regels:

Op grond van artikel 37.3 van de planvoorschriften kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 37.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad.

beslissing

Beslissing

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker;- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, te weten reiskosten tot een bedrag van € 7,86.
De voorzieningenrechter:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.V. Baan-de Vries, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 7 juni 2019.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.