Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:4060

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 17-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:4060, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is ROT 18/2320


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam [Naam], te [Plaats], opposant,opposanthet Drechtstedenbestuur.

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/2320

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2019 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzet van

tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 december 2018 in het geding tussen opposant en over het besluit van 4 april 2018,

en met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb, uitspraak op het beroep van

en

ECLI:NL:RBROT:2019:4060:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam [Naam], te [Plaats], opposant,opposanthet Drechtstedenbestuur.
Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/2320

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2019 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzet van

tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 december 2018 in het geding tussen opposant en over het besluit van 4 april 2018,

en met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb, uitspraak op het beroep van

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2018 (het bestreden besluit) heeft het Drechtstedenbestuur het bezwaar van opposant tegen het besluit van 4 april 2018, waarbij de aanvraag van opposant om bijzondere bijstand in de eigen bijdrage griffierecht in een klachtprocedure bij de Raad voor Discipline van de Orde van Advocaten is afgewezen, ongegrond verklaard.

Opposant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 14 december 2018 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb het beroep ongegrond verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Hij heeft daarbij aangegeven te willen worden gehoord op een zitting.

Het verzet is behandeld ter zitting van 17 mei 2019. Partijen, waarvan het Drechtstedenbestuur met bericht, zijn niet verschenen.

Overwegingen

1. Het verzet is gegrond, omdat de rechtbank gelet op wat hierna volgt ten onrechte heeft afgezien van het heffen van griffierecht en tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep is gekomen. Met deze gegrondverklaring komt de uitspraak van 14 december 2018 te vervallen. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb direct einduitspraak te doen.
2. In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht wordt geheven. In het zesde lid is bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk is indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. Gelet op eerdere rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en deze rechtbank staat vast dat opposant zeer veelvuldig aanvragen doet en rechtsmiddelen instelt wegens niet tijdig beslissen en tegen reële besluiten, dat opposant bij zijn beroepsprocedures telkens met een beroep op betalingsonmacht verzoekt om ontheffing van de verplichting griffierecht te voldoen en dat de bestuursrechter inzake die beroepen op betalingsonmacht – ambtshalve – dient te beoordelen of opposant misbruik maakt van recht en reeds om die reden geen ontheffing van het griffierecht toekomt (bijvoorbeeld ABRvS 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2730 en Rb. Rotterdam 8 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6918).
4. De Afdeling en de rechtbank hebben voorts veelvuldig geoordeeld dat opposant misbruik maakt van recht. De rechtbank stelt verder vast dat opposant inmiddels ongeveer 130 uitspraken heeft uitgelokt bij de bestuursrechter en de burgerlijke rechter, terwijl het aantal aanvragen dat opposant bij verschillende bestuursorganen heeft gedaan daarvan een veelvoud bedraagt. Een groot deel van de aanvragen en procedures had direct of indirect te maken met de voogdij over een of meer van zijn minderjarige kinderen. De Afdeling heeft daarover geoordeeld dat opposant blijkens zijn procedeergedrag niet uit is op het herstellen van contact met een van zijn minderjarige kinderen, maar op het voortzetten van de strijd met stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, het frustreren van de goede gang van zaken binnen die organisatie en het daarbij kunnen incasseren van geldsommen, zoals dwangsommen en proceskostenvergoedingen (ABRvS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3310 en ABRvS 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3558). Voorts is vastgesteld dat opposant ook veelvuldig tegen andere bestuursorganen, waaronder het Drechtstedenbestuur, beroepen instelt enkel met het oogmerk om geldsommen wegens niet tijdig beslissen te kunnen incasseren (bijvoorbeeld ABRvS 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3553; ECLI:NL:RVS:2018:3555 en ECLI:NL:RVS:2018:3559).
5. Ten aanzien van onderhavige aanvraag om bijzondere bijstand en het bezwaar en beroep tegen de afwijzing daarvan overweegt de rechtbank het volgende. In haar uitspraak van 3 mei 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:3397) heeft de rechtbank in een vergelijkbare zaak als de voorliggende misbruik van recht aangenomen, omdat voorshands duidelijk is dat het rechtsmiddel kansloos is in de zaak waarin de kosten van griffierecht zijn of worden gemaakt. In die zaak lag onder meer een vergelijkbare aanvraag voor om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet wegens de kosten van de eigen bijdrage griffierecht in een procedure die opposant wilde aanspannen tegen een advocaat, dit nadat zijn tuchtklacht tegen de desbetreffende advocaat door de deken was verworpen. Net als in deze zaak bevond zich in die zaak een brief van de deken waarin hij de klacht kansloos achtte. Na kennisneming van de brief van de deken van 5 februari 2018 inzake de klacht van opposant tegen de advocaat van een tegenpartij van opposant komt ook de rechtbank, net als het Drechtstedenbestuur, tot de conclusie dat er geen enkele noodzaak is tot het maken van de kosten waarvoor bijzondere bijstand is verzocht. Gelet hierop en op wat hiervoor is overwogen ten aanzien van het nodeloos procederen door opposant komt opposant ook in deze procedure geen ontheffing van het griffierecht toe.
6. De rechtbank neemt in aanmerking dat in de voorliggende zaak niet de Afdeling, maar de Centrale Raad van Beroep (de Raad) de hoger beroepsrechter is, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de Raad de overwegingen in een eerdere uitspraak van de Afdeling (ABRvS 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2730) heeft onderschreven en overgenomen (CRvB 19 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3978), terwijl de Afdeling in die uitspraak heeft geoordeeld dat de bestuursrechter bij de beoordeling van de beroepen op betalingsonmacht de vraag dient te betrekken of sprake is van misbruik van recht door opposant. Voorts heeft de Raad een groot aantal eerdere buitenbehandelingstellingen en afwijzingen door het Drechtstedenbestuur naar aanleiding van aanvragen van opposant om bijzondere bijstand in verband met kosten die voortvloeien uit het voeren van procedures in stand gelaten (CRvB 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2244; ECLI:NL:CRVB:2018:2247; ECLI:NL:CRVB:2018:2252; ECLI:NL:CRVB:2018:2253 en ECLI:NL:CRVB:2018:2254) en heeft hij in een aantal andere zaken geoordeeld dat rechtsmiddelen met betrekking tot dergelijke afgewezen aanvragen bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk waren (CRvB 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2246; ECLI:NL:CRVB:2018:2248; ECLI:NL:CRVB:2018:2249 en ECLI:NL:CRVB:2018:2251). Uit deze uitspraken kan minstgenomen worden afgeleid dat opposant veelvuldig verzoeken om bijzondere bijstand doet om kosten van griffierecht te kunnen voldoen in volstrekt kansloze zaken. Bovendien heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht in zaken waarin sprake is van verzoeken van opposant om bijzondere bijstand in de kosten van griffierecht (Rb. Rotterdam 8 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6919 en Rb. Rotterdam 3 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3397). Voorts is de rechtbank eerder gebleken dat opposant vele verzoeken om openbaarmaking bij het Drechtstedenbestuur heeft ingediend omdat hij het Drechtstedenbestuur wil dwarszitten vanwege de afwijzing van aanvragen om bijstand (Rb. Rotterdam 8 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6917).
7. Daar komt bij dat de Raad recent nog een hoger beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat hij niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldeed en hij heeft nagelaten alsnog het verschuldigde griffierecht te voldoen (CRvB 7 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:425). Voorts is de rechtbank gebleken dat eiser regelmatig optreedt als gemachtigde voor anderen (zie bijvoorbeeld CRvB 5 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:537). Bij zijn verzoek om betalingsonmacht heeft hij nagelaten te wijzen op inkomsten als zelfstandige in verband met het optreden als procesgemachtigde, terwijl aannemelijk is dat hij daaruit wel (enige) inkomsten geniet, naast de uitkering die hij ontvangt (zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 8 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6917, onder 3.2.).
8. Omdat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van misbruik van recht door opposant bij zijn verzoek om ontheffing van de verplichting griffierecht te voldoen, ziet de rechtbank geen aanleiding opposant een nadere termijn te geven om alsnog het verschuldigde griffierecht te voldoen. Het beroep zou immers ook dan (in ieder geval) wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk zijn. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
9. De rechtbank voegt hier met oog op nieuwe procedures van opposant nog het volgende aan toe. Gelet op de grote hoeveelheid aanvragen en procedures van opposant tegen het Drechtstedenbestuur en andere instanties en de eerder gegeven oordelen van de Afdeling en de rechtbank over het procedeergedrag van opposant, is inmiddels het punt bereikt dat de rechtbank voorshands uitgaat van misbruik van recht door opposant, tenzij aanknopingspunten bestaan voor het tegendeel (vergelijk Rb. Rotterdam 3 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3397, onder 6.2 en Rb. Rotterdam 30 januari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:593). Dit betekent ook dat opposant bij het aanbrengen van nieuwe zaken in beginsel niet langer bij griffiersbrief een voorlopige ontheffing van het griffierecht zal worden verleend.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 17 mei 2019.
griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak – voor zover daarin uitspraak is gedaan op het beroep – kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.