Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:3988

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:3988, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is ROT 18/1239


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdamuitspraak van de meervoudige kamer van 15 mei 2019 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats 1] , eiseres,
gemachtigde: mr. R.W. de Gruijl,

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/1239

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden

gemachtigde: mr. V. Djordjevic.

ECLI:NL:RBROT:2019:3988:DOC
nl

Rechtbank Rotterdamuitspraak van de meervoudige kamer van 15 mei 2019 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats 1] , eiseres,
gemachtigde: mr. R.W. de Gruijl,
Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/1239

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden

gemachtigde: mr. V. Djordjevic.
procesverloop

Procesverloop

Bij besluiten van 23 mei 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder de besluiten, waarin aan eiseres Huishoudelijke Ondersteuning (HO+), Individuele Begeleiding (IB) en Persoonlijke verzorging (PV) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in de vorm van persoonsgebonden budgetten (pgb’s) zijn toegekend, met ingang van 1 februari 2017 ingetrokken.

Bij besluit van 17 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam 1] ( [naam 1] ).

Overwegingen

1. Eiseres heeft met de toegekende pgb’s zorg ingekocht bij A. Hondes-Verhey (HO+) en bij [naam 1] , wonende te [woonplaats 2] , van Stichting de Kleine Stapelakker (IB en PV). De geldigheidsduur van de indicaties liep tot 1 april 2017. Op 1 februari 2017 is verweerder een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verstrekte pgb’s.
2. Verweerder heeft de onderzoeksbevindingen neergelegd in twee rapportages van 5 mei 2017. Hierin is onder meer op basis van waarnemingen en opgevraagde vluchtgegevens geconcludeerd dat eiseres op de door haar ingevulde en ondertekende registratieformulieren de verleende zorg (HO+, BI en PV), ontvangen op het huisadres ( [adres] te [woonplaats 1] ), niet juist heeft weergegeven, onder meer wegens verblijf in het buitenland. Verder is uit onderzoek gebleken dat eiseres op 13 en 20 maart 2017 niet door [naam 1] is vervoerd naar Fysiowave te Zevenbergen, maar dat zij zelf met de auto heeft gereden.
3. Verweerder heeft aan de primaire besluiten ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat eiseres de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 2.3.8, eerste lid, van de Wmo 2015 heeft geschonden en dat verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder overname van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie), het door eiseres tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Ten aanzien van de bevoegdheid van de heren [naam 2] ( [naam 2] ) en [naam 3] ( [naam 3] ) van SV Land B.V. als toezichthouders heeft de commissie geconcludeerd dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de algemene onderzoeksbevoegdheden van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 en de bijzondere onderzoeksbevoegdheden uitgevoerd door een toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015, en dat beide heren als toezichthouder zijn aangewezen. Ten aanzien van de onderzoeksmethoden heeft de commissie geconcludeerd dat wat met behulp van de camera is waargenomen en vastgelegd als onrechtmatig verkregen bewijs moet worden aangemerkt en buiten beschouwing moet blijven. Ten aanzien van de waarnemingen gedurende de periode van 2 februari 2017 tot 23 maart 2017 heeft de commissie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat slechts een beperkt beeld is verkregen van het persoonlijk leven van eiseres en er geen strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het opvragen van de vluchtgegevens bij Transavia en het huisbezoek heeft de commissie eveneens rechtmatig geacht.
5. Eiseres voert, kort weergegeven, aan dat er geen reden was voor onderzoek en dat het bewijs onrechtmatig is verkregen. Voor het huisbezoek ontbrak het informed consent, bij de belastingdienst en Transavia hadden geen gegevens opgevraagd mogen worden, het beeldmateriaal had buiten beschouwing moeten blijven, de waarnemingen waren strijdig met het respect voor de persoonlijke levenssfeer en [naam 2] en [naam 3] waren niet bevoegd als toezichthouder op te treden.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6.1.
Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
6.2.
Nu het gaat om een belastend besluit was het aan verweerder om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dit brengt mee dat het aan verweerder was om de feiten aan te dragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat eiseres haar in artikel 2.3.8, eerste lid, van de Wmo 2015 neergelegde informatieverplichting niet is nagekomen en dat verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015.
6.3.
De beroepsgrond dat het onderzoek (deels) is uitgevoerd door onbevoegden, leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep.Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wmo 2015 wijst het college personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Ten aanzien van de rol van de toezichthouder heeft de wetgever in de Memorie van Toelichting (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, p. 188) het volgende opgenomen.“Het college is vrij in de keuze van de inrichting van het toezicht en de plaats daarvan in de gemeentelijke organisatie. De aanwijzing kan categoriaal (bijv. de ambtenaren van de dienst toezicht of van de GGD) of individueel (de heer of mevrouw x) zijn. Door deze formulering staat vast dat de met toezicht belaste personen toezichthouder zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb; artikel 5:11) en de in die wet vastgelegde verplichtingen en bevoegdheden hebben, tenzij daarvan in het wetsvoorstel expliciet is afgeweken of daaraan in het wetsvoorstel extra bevoegdheden zijn toegevoegd.” Hieruit kan niet worden afgeleid, zoals verweerder kennelijk bepleit, dat onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen het verrichten van algemene onderzoekshandelingen uit hoofde van artikel 2.3.9. van de WMO 2015 en het verrichten van bijzondere onderzoekshandelingen uit hoofde van artikel 6.1 van de WMO 2015.
6.4.
Verweerder heeft [naam 2] en [naam 3] , die in dienst zijn van SV Land B.V., aangesteld als onbezoldigd ambtenaar en benoemd tot toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1. van de Wmo 2015. De benoemingsbesluiten zijn op 21 februari 2017 respectievelijk op 1 juni 2017 in werking getreden. Dit brengt mee dat eerst vanaf deze data de door [naam 2] en [naam 3] verrichtte onderzoekshandelingen kunnen worden aangemerkt als uitgevoerd door een bevoegde toezichthouder. Gelet hierop kan hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de aard en inhoud van de detacheringsovereenkomst tussen verweerder en SV Land B.V. buiten beschouwing blijven.
6.5.
Bezien zal derhalve moeten worden of de resultaten van het door hen vanaf deze data namens verweerder uitgevoerde onderzoek verweerders besluitvorming, voor zover deze op die resultaten berust, kunnen dragen.
7.1.
Voor zover eiseres aanvoert dat verweerder zonder redelijke grond onderzoek heeft gedaan, kan dit niet slagen. Voor onderzoek naar de rechtmatigheid van een verleend pgb is geen bijzondere grond of aanleiding vereist.
7.2.
Ook de beroepsgrond dat de waarnemingen wegens strijd met artikel 8, eerste lid, van het EVRM niet aan het bestreden besluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd, kan niet slagen. Volgens het onderzoeksrapport hebben in de periode van 21 februari 2017 tot en met 23 maart 2017 in totaal 77 waarnemingen plaatsgevonden, uitgevoerd door [naam 2] , [naam 3] en een handhavingsmedewerker van verweerder. De waarnemingen waren kortdurend en vonden plaats vanaf de openbare weg. Hieruit kon verweerder geen compleet beeld verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van eiseres. Gelet op de aanleiding en het belang van het onderzoek en het gebrek aan andere middelen van bewijsverificatie, is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van eiseres was aanvaardbaar. Verwezen kan worden naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:338).
7.3.
De waarnemingen kunnen echter niet als rechtmatig worden aangemerkt voor zover zij zijn gedaan door [naam 3] en voor zover zij zijn gedaan door [naam 2] in de periode vóór 21 februari 2017.De resterende waarnemingen vanaf 21 februari 2017 bieden evenwel voldoende steun aan verweerders standpunt dat hieruit blijkt dat eiseres op de registratieformulieren (urenbriefjes) geen juiste opgave heeft gedaan van de dagen en tijdstippen waarop zij zorg zou hebben ontvangen.
7.4.
In dit kader was verweerder voorts bevoegd om bij de luchtvaartmaatschappij Transavia vluchtgegevens te vorderen van eiseres en haar zorgverlener. Hoewel het de voorkeur had verdiend eiseres eerst te bevragen alvorens gegevens van Transavia te vorderen, is er niet een dermate strijd met het subsidiariteitsbeginsel dat dit deel van het onderzoek om die reden onrechtmatig geacht zou moeten worden. De vordering is gedaan door [naam 2] op 15 maart 2017, en derhalve als bevoegd toezichthouder. Uit de gegevens blijkt dat de opgave van eiseres van in haar woning ontvangen zorg in de periode van 20 tot en met 22 februari 2017 niet juist kan zijn wegens het verblijf van eiseres en haar zorgverlener in Spanje.
7.5.
Uit 7.1 tot en met 7.4 volgt dat het bestreden besluit stand kan houden, voor zover het betreft de periode vanaf 21 februari 2017.
7.6.
Aan de tussenconclusie in 7.5 kan niet afdoen wat eiseres als gronden heeft aangevoerd tegen het huisbezoek, het opvragen van gegevens van de zorgverlener bij de belastingdienst en het gebruik van door een camera vervaardigd beeldmateriaal, nu de verklaringen, gegevens en beelden niet aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd.
8. De rechtbank ziet niet hoe verweerder thans nog nader onderzoek kan doen naar de situatie gedurende het tijdvak van 1 tot 21 februari 2017. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting is er daarom aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen, onder bepaling dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).
beslissing

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. M.V. van Baaren en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van J. Bijleveld, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 15 mei 2019.
griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

-

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen inhoudt dat de primaire besluiten worden herroepen en dat de pgb’s met ingang van 21 februari 2017 worden ingetrokken;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.048,-.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Bijlage

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijnwoning en zijn correspondentie.2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht,
1. Bij de uitoefening van zijn taak draagt een toezichthouder een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is.2. Een toezichthouder toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthouder en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid (…).
1. Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.2. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.
1. De cliënt doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling3. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen dieredelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
1. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 te heroverwegen.
1. Het college kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.
1. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.2. De toezichthoudende ambtenaren zijn, voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van dossiers.3. Voor zover de toezichthoudende ambtenaar door inzage in bescheiden bij de vervulling van zijn taak dan wel door verstrekking van gegevens in het kader een melding als bedoeld in artikel 3.4, gegevens, daaronder begrepen bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, heeft verkregen, ter zake waarvan deberoepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de toezichthoudende ambtenaar, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.4.
1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wet kan het college een besluit als bedoeld in artikel2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juisteof volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

Artikel 8

dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijkis in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economischwelzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, debescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van derechten en vrijheden van anderen.
Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:11Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Artikel 5:12

Artikel 5:13Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 5:14Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan dat de toezichthouder als zodanig aanwijst, kunnen de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden worden beperkt.
Artikel 5:16Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.
Artikel 5:20

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)

Artikel 2.3.6

Artikel 2.3.8

van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zijaanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of2.3.6.
Artikel 2.3.9

Artikel 2.3.10

Artikel 6.1

Verordening maatschappelijke ondersteuning en gemeente Leerdam 2015

Artikel 6.1

onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvanhem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverwegingvan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wel.