Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:2830

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:2830, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/750303-18


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750303-18Datum uitspraak: 11 april 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel, raadsman M.R. de Kok, advocaat te Rotterdam.

ECLI:NL:RBROT:2019:2830:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750303-18Datum uitspraak: 11 april 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel, raadsman M.R. de Kok, advocaat te Rotterdam.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 maart 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie mr. F.B.W. Groendijk heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.

4

4.1.
Bewijswaardering

4.1.1.
Inleiding

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 17 juli 2018 rond twee uur ’s nachts zien agenten die een grenscontrole uitoefenen, op het bedrijfsterrein van [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ) meerdere personen wegrennen. Zij zien dat deze personen sporttassen aan hun schouder hebben hangen. Vervolgens zien zij dat deze personen tijdens het rennen drie sporttassen op de grond laten vallen en richting het Yangtzekanaal rennen. Het terrein wordt afgesloten en bevroren. Een visser maakt ondertussen via de marifoon melding dat hij drie mensen over het hek van het terrein van [naam bedrijf] ziet klimmen en dat die richting de glooiing langs het water lopen. Een politiehelikopter wordt ingezet. Vanuit de lucht wordt gezien dat er twee personen op de glooiing liggen. Dit blijken de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] te zijn. Zij worden rond 03.00 uur aangehouden.Behalve de drie achtergelaten tassen worden (tussen een loods en een stack containers) nog vier soortgelijke sporttassen en een betonschaar gevonden. De container met nummer [containernummer] wordt aangetroffen met een deur die niet goed is afgesloten en verzegeld en in de container wordt een hangslotje aangetroffen dat vergelijkbaar is met de slotjes op de sporttassen. Deze container kwam uit Curaçao en is via Aruba en Bilbao op 16 juli 2018 gearriveerd in Rotterdam. Op de auto in de container worden sleepsporen gezien die veroorzaakt kunnen zijn door de tassen. Er worden 185 pakketten in de tassen aangetroffen met in totaal 186 kilogram cocaïne. Na sporenonderzoek op de hengsels van de gevonden sporttassen blijkt op enkele tashengsels DNA van de medeverdachte [naam medeverdachte] te zitten.

4.1.2.
Standpunt verdediging

De verdachte heeft ter zitting verklaard, dat hij – om een schuld in te lossen – met een aantal niet bij naam genoemde anderen naar het haventerrein is gegaan om daar te helpen met (zo was hem verteld) koperdiefstal. Hij is naar eigen zeggen niet op het haventerrein geweest, maar hij heeft wel een tas aangegeven waarin een betonschaar zat die nodig was om koper te stelen. Dit laatste verklaart waarom zijn DNA is aangetroffen op de hengsels van een tas.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat het alternatieve scenario dat de verdachte heeft geschetst, past bij de bewijsmiddelen en onvoldoende wordt weerlegd door het dossier. Daarnaast zijn de gegeven signalementen van de personen die op het terrein zijn gezien, te algemeen. De herkenning door de politie is gezien dit algemene signalement en omdat het donker was, niet betrouwbaar. De verdediging betwist dat de verdachte op het terrein is geweest. Wat hij wel heeft gedaan ziet niet op de (verlengde) invoer van cocaïne. Hij bleef buiten het terrein staan wachten en is ook buiten het terrein aangehouden.

4.1.3.
Beoordeling

De verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] zijn aangehouden vlakbij het terrein van [naam bedrijf] , op een strook grond waar de politie twee mannen naar toe heeft zien vluchten en ook vlakbij de plek waar de visser drie mannen over het hek heeft zien gaan. De verdachte is door de politie op basis van het signalement herkend als één van de personen die eerder op het terrein aanwezig waren. De signalementen op grond waarvan de verdachten zijn aangehouden, zijn – mede omdat op dat tijdstip weinig mensen op het terrein aanwezig waren - voldoende specifiek om herkenning mogelijk te maken. De verdachte voldeed volledig aan het signalement van één van de mannen op het terrein, de medeverdachte [naam medeverdachte] voldeed in ieder geval wat één opvallend detail betreft (een lichtgrijze joggingbroek) aan het signalement van de andere man die op het terrein was gezien. Dat de ‘hoodie’ die de medeverdachte [naam medeverdachte] droeg – anders dan de verbalisanten hebben vermeld – niet volledig donker was maar deels grijs, is in dit verband niet doorslaggevend. De rechtbank vindt hierbij nog van belang dat de strook grond waarop de verdachten zich bij hun aanhouding bevonden, is gelegen tussen het terrein van [naam bedrijf] en het water. Daar bevinden zich in het holst van de nacht normaal gesproken geen mensen. Ook zat er betrekkelijk weinig tijd (ongeveer een uur) tussen het moment waarop de verdachten zijn aangehouden en het moment waarop de politie de mannen voor het eerst op het terrein zag lopen. De rechtbank ziet dan ook, mede gezien de zojuist genoemde omstandigheden, geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning.De rechtbank vindt het alternatieve scenario dat de verdachte naar voren heeft gebracht, ongeloofwaardig. Ten eerste gaat de rechtbank er gelet op het bovenstaande van uit dat de verdachte, anders dan hij zelf heeft verklaard, wel degelijk op het haventerrein is geweest en daar met een tas heeft gesjouwd waar later cocaïne in bleek te zitten. Bovendien was die sporttas, waarop ook het DNA van de verdachte is aangetroffen, afgesloten met een slotje. In de container waar de andere soortgelijke, ook met cocaïne gevulde tassen uit moeten zijn gekomen, is een soortgelijk slotje gevonden. Daar komt nog bij dat de verdachte pas ter zitting met deze verklaring komt, zonder namen te noemen van anderen die bij de gestelde koperdiefstal betrokken zouden zijn geweest. Er zijn ook verder geen aanknopingspunten in het dossier die dit scenario ondersteunen.
Kort samengevat gaat de rechtbank er van uit dat de verdachte één van de mannen was die op het terrein is gezien door de politie en dat hij daar een sporttas met cocaïne droeg.

4.1.4.
Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen bezig was om cocaïne uit de container met nummer [containernummer] te halen. Deze container was een dag eerder aangekomen uit Curaçao. Het gaat dus om verlengde invoer, waarbij de mannen door het uithalen van de cocaïne deze invoer hebben voltooid. Uit de hiervoor onder 4.2.1 beschreven handelingen blijkt verder dat de verdachte en de anderen voorafgaande afspraken moeten hebben gemaakt en taken moeten hebben verdeeld, met onderling uitwisselbare en dus even belangrijke bijdragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er tussen de verdachte en die anderen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking om 186 kilogram cocaïne uit de genoemde container te halen en verder Nederland in te vervoeren.
4.2.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.hij op 17 juli 2018 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met anderen,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeldin artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 186 kilogram cocaïne, in elkgeval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne eenmiddel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2.hij op 17 juli 2018 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied vanNederland brengen van ongeveer 186 kilogram cocaïne, in elk geval eenhoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middelvermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

- zich en) anderen gelegenheid en middelen tothet plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en- voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit hebbende verdachte en mededader(s):- zeven, sporttassen en een betonschaar, en een steekkar voorhanden gehad en
- zich (onbevoegd) op het terrein van [naam bedrijf] , gevestigd aan de [vestigingsadres bedrijf] te Rotterdam, begeven en- de deuren van de zich aldaar bevindende container (nummer [containernummer] )geopend en/of zich de toegang tot de aldaar bevindende container (nummer [containernummer] ) verschaft.
5

De bewezen feiten leveren op:
1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod; 2. Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, zich gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

7

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft samen met zijn medeverdachte als ‘uithaler’ een rol gespeeld bij de invoer van 186 kilogram cocaïne. Hierdoor heeft hij zich bewust begeven op het terrein van de grootschalige internationale handel in harddrugs (cocaïne). Hij heeft aldus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leiden harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldsmisdrijven. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 maart 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft om een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf verzocht. Hiervoor zijn de feiten simpelweg te ernstig. Wel ziet de rechtbank aanleiding om ten gunste van de verdachte af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. Daarbij is van belang dat de verdachte weliswaar een belangrijke rol heeft gespeeld bij de invoer van de drugs, maar niet is gebleken van een initiërende of coördinerende rol van de verdachte in het geheel.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

9

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

10

De rechtbank:
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) teplegen en/of daarbij behulpzaam te zijn, en/of- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tothet plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere
- zeven, althans één of meer, sporttas(sen) en/of een knipschaar/betonschaar,en/of een steekkar voorhanden gehad en/of- met een of meer ander(en) contacten onderhouden en/of informatie- zich (onbevoegd) op het terrein van [naam bedrijf] , gevestigd aan de [vestigingsadres bedrijf] te Rotterdam, begeven en/of- de deuren van do zich aldaar bevindende container (nummer [containernummer] )- de toegangspoort/schuifhek van het terrein van [naam bedrijf] geopend,- bij de toegang/tourniquet van het terrein van [naam bedrijf] niet gelogd
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en de onder 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een ; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door:mr. E.M. Havik, voorzitter,en mrs. W.M. Stolk en B. Krijnen, rechters,in tegenwoordigheid van mr. A. van den Bosch, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.Bijlage I
Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.hij op of omstreeks 17 juli 2018 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeldin artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 186 kilogram cocaïne, in elkgeval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne eenmiddel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 juli 2018 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk gevalopzettelijk voorhanden heeft gehad, ongeveer 186 kilogram cocaïne, althans een(grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een,middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij op of omstreeks 17 juli 2018 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied vanNederland brengen van ongeveer 186 kilogram cocaïne, in elk geval eenhoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middelvermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of tebevorderen,
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige redenhad te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van de/hethierboven bedoelde feit(en)
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het invoeren en/of afleveren en/ofuithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheidcocaïne en/of
geopend en/of zich de toegang tot de aldaar bevindende container (nummer [containernummer] ) verschaft en/of
althans laten openen, waardoor ((een) onbevoegd(e) perso(o)n(en) en/of (een)voertuig(en)het terrein kon(den) betreden, en/of
en/of geregistreerd welk(e) perso(o)n(e) en/of voertuig(en) het terrein,opkwam(en) en/of verliet(en).