Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:2828

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:2828, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/741380-17


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741380-17Datum uitspraak: 11 april 2019 Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman M. Schmit, advocaat te Rotterdam.

ECLI:NL:RBROT:2019:2828:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741380-17Datum uitspraak: 11 april 2019 Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman M. Schmit, advocaat te Rotterdam.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 november 2017, 1 februari 2018, 26 april 2018 en 28 maart 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie mr. E. M. Loppé heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 59 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

4

Wat is er gebeurd?

Ter terechtzitting heeft niet ter discussie gestaan dat de verdachte samen met medeverdachte [naam medeverdachte] op 13 augustus 2017 betrokken is geraakt bij een vechtpartij met de heer [naam slachtoffer] (hierna: [naam slachtoffer] ) op de Oude Binnenweg. Deze vechtpartij is op beelden vastgelegd door de vriendin van [naam slachtoffer] en door een getuige op een terras.
Ook heeft niet ter discussie gestaan dat de aanleiding voor de vechtpartij is geweest dat [naam slachtoffer] een aantal waterballonnen vanaf de tweede verdieping naar beneden heeft gegooid. Vervolgens heeft de verdachte geprobeerd een steen te pakken om naar de woning van [naam slachtoffer] te gooien. In reactie daarop is [naam slachtoffer] naar beneden gekomen en is een vechtpartij ontstaan tussen de verdachte en [naam slachtoffer] . De verdachte heeft [naam slachtoffer] daarbij een aantal keren gestompt, waardoor [naam slachtoffer] op de grond is gevallen. Op het moment dat hij languit op straat lag, heeft ook de medeverdachte zich gemengd in de vechtpartij. De medeverdachte heeft op dat moment de aangever geschopt en is daarna samen met de verdachte weggerend.

Schoppen?

De rechtbank volgt de verdediging in het verweer dat niet bewezen is dat de verdachte de heer [naam slachtoffer] heeft geschopt. Dit blijkt niet uit de camerabeelden en de verklaringen van de getuigen zijn op dit punt tegenstrijdig. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.
In vereniging?

De rechtbank volgt de verdediging ook in haar verweer dat het plegen van geweld voor deze verdachte niet bewezen kan worden. Op het moment dat de verdachte is begonnen met slaan en stompen, stond medeverdachte [naam medeverdachte] nog verderop. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier waaruit is af te leiden dat de verdachte afspraken heeft gemaakt met de medeverdachte of dat hij op de één of andere manier rekening hield met of vroeg om hulp van zijn medeverdachte. Het lijkt erop dat de medeverdachte zelf heeft besloten om zich te mengen in de strijd, zonder dat de verdachte dit wist. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het plegen van openlijk geweld in vereniging en van het medeplegen van de mishandeling.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 13 augustus 2017 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door het:stompen op/tegen het gezicht/hoofd, althans het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer] .
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5

Het bewezen feit levert op:
Mishandeling.

Noodweer?

Het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond toen hij het slachtoffer sloeg. Op dat moment was er voor de verdachte geen noodzaak tot zelfverdediging. Er zijn geen aanwijzingen dat het slachtoffer een mes bij zich had toen hij naar de verdachte toe liep. Geen van de getuigen heeft een mes (of iets anders) bij het slachtoffer gezien en ook op de beelden blijkt niets van een mes. Mogelijk heeft het slachtoffer iets anders (bijvoorbeeld een sleutelbos) in zijn hand gehad, maar niet aannemelijk is geworden dat daarvan enige dreiging uitging. Dat [naam slachtoffer] geagiteerd en met energieke tred op de verdachte af kwam lopen, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van een noodweersituatie.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6

6.1.
Standpunt verdediging

De verdediging doet verder een beroep op noodweerexces of putatief noodweerexces. De aangever kwam geagiteerd en met energieke tred op de jongens aanlopen. Daarbij is de aangever 1 meter 96, weegt hij tussen de 100 en 110 kilo en lijkt hij iets in zijn rechterhand te hebben. De verdachte heeft dat alles als bedreigend ervaren en hij heeft daarom gemeend zich te moeten verdedigen.
6.2.
Beoordeling

Noodweerexces

Het beroep op noodweer-exces kan niet slagen, alleen al omdat er – zoals hierboven al is overwogen – geen noodweersituatie was. Uit de beelden blijkt immers dat de verdachte, toen [naam slachtoffer] op hem af kwam lopen, direct en zonder aarzeling is begonnen met slaan en stompen, nog voordat hem duidelijk kan zijn geworden wat [naam slachtoffer] nu precies van plan was.
Putatief noodweerexces

Ook als de verdachte gedwaald zou hebben over de vraag of het slachtoffer een mes had, is geen sprake van (putatief) noodweerexces. Ten eerste is op de beelden te zien dat de verdachte al wat verder in de straat stond en dat hij terug kwam lopen toen [naam slachtoffer] naar hem toe liep. Als de verdachte zou hebben gedacht dat [naam slachtoffer] een mes had, dan had het voor de hand gelegen dat hij was weggerend. Bovendien geldt ook hiervoor dat de verdachte vrijwel direct zonder enige aarzeling is gaan slaan en stompen, zonder af te wachten of er enige aanwijzing was dat [naam slachtoffer] daadwerkelijk een mes had en dat ook wilde gaan gebruiken. Het gedrag van de verdachte, dat op de beelden te zien is, past meer bij boosheid en agressie dan bij angst voor het slachtoffer.
6.3
Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar
overwegingen

7

7.1.
Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten en omstandigheden waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft [naam slachtoffer] op een bijzonder agressieve wijze in het gezicht gestompt, waardoor [naam slachtoffer] op de grond is gevallen en uiteindelijk zelfs het bewustzijn heeft verloren.
De rechtbank rekent het de verdachte met name aan dat hij – kennelijk zonder zich af te vragen of hij niet beter weg kon lopen - het slachtoffer meermalen hard heeft geslagen en dat hij is blijven slaan en stompen, ook toen het slachtoffer al uitgeschakeld op de grond lag. Bovendien heeft hij dit gedaan midden op straat in een omgeving waar mensen op een terrasje zaten. Voor omstanders is het vervelend en beangstigend om dergelijke agressie te zien.

In het voordeel van de verdachte laat de rechtbank meewegen dat het slachtoffer ook iets te verwijten valt bij het ontstaan van de vechtpartij. Het begon er immers mee dat het slachtoffer waterballonnen naar beneden gooide. Toen de verdachte en de medeverdachte daarop reageerden, vond het slachtoffer het kennelijk nodig om naar beneden te gaan en verhaal te gaan halen. Ook dit was geen verstandige keus van het slachtoffer, al was dat voor de verdachte natuurlijk geen reden om het slachtoffer tegen de grond te slaan. Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte inzicht heeft getoond dat hij niet goed heeft gehandeld.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 maart 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Weliswaar wordt de verdachte vrijgesproken van het plegen van openlijk geweld, maar wel bewezen is dat de verdachte grof geweld heeft gebruikt. Omdat de verdachte al enige tijd (123 dagen) in voorarrest heeft gezeten en omdat hij zijn leven op de rit heeft en een (extra) gevangenisstraf dit zal verstoren, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daarnaast, zoals ook geadviseerd door de reclassering, een taakstaf opleggen. Daarmee wordt recht gedaan aan de ernst van het feit, maar hoeft de verdachte niet opnieuw de gevangenis in.

8

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd de heer [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade en een vergoeding van € 1.879,80 aan materiële schade.
8.1.
Beoordeling

Materiële schade

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen voor de materiële schade als gevolg van de beschadigde kleding, de reis- en parkeerkosten en de ziektekosten .
Daarbij houdt de rechtbank er nog wel rekening mee dat het slachtoffer zelf een aandeel heeft gehad in de aanleiding voor de vechtpartij, omdat hij waterballonnen is gaan gooien op het hoofd van voorbijgangers. Toen de verdachte daarop reageerde, heeft het slachtoffer een verdere bijdrage aan de escalatie geleverd door naar beneden te gaan en op de verdachte af te lopen. Dit levert een zekere mate van eigen schuld op. Het slachtoffer heeft bovendien onvoldoende gedaan om de schade te beperken, doordat hij tegen de aanwijzingen van de arts het ziekenhuis heeft verlaten. Het bovenstaande leidt er toe dat 25% van de materiële schade in mindering wordt gebracht. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 405,- toewijzen (€ 125,- + € 30,20 + € 385,-= € 540,20, minus 25%).
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de kosten als gevolg van het verlies van arbeidsvermogen is betwist en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Bovendien is de vordering in zoverre onvoldoende onderbouwd. Daarnaast is niet duidelijk of de beslissing van de heer [naam slachtoffer] om tegen het advies van de arts het ziekenhuis voortijdig te verlaten, invloed heeft gehad op de duur van de periode waarin hij niet heeft kunnen werken. Dit gedeelte van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ook het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de kosten voor huishoudelijke hulp, wordt niet-ontvankelijk verklaard. De heer [naam slachtoffer] heeft niet onderbouwd dat hij kosten heeft moeten maken voor een huishoudelijke hulp of dat hij zijn vriendin voor deze hulp heeft betaald. Bovendien is niet onderbouwd om welke werkzaamheden het ging en waarom de heer [naam slachtoffer] niet in staat was om die werkzaamheden zelf te doen.

Immateriële schade

Ook is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,-. Dit bedrag is lager dan het gevorderde bedrag. De rechtbank neemt in aanmerking dat het slachtoffer heeft verklaard dat hij geen blijvend letsel heeft overgehouden aan het incident. Dit blijkt ook uit de Farr-verklaring van 24 oktober 2017. Daarnaast houdt de rechtbank, zoals hiervoor overwogen bij de bespreking van de materiele schade, rekening met een percentage van 25% eigen schuld. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 750,- toewijzen.
Wettelijke rente en kosten

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 13 augustus 2017. Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Hoofdelijke aansprakelijkheid

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
8.2.
Conclusie

De verdachte en / of zijn mededader moet(en) de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.155 (€ 405 + € 750,-) vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
9

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

11

De rechtbank:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
- slaan en/of stompen op/tegen het gezicht/hoofd, althans het (boven)lichaamvan die [naam slachtoffer] , en/of- schoppen op/tegen het gezicht/hoofd, althans het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer] , terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag;
- slaan en/of stompen op/tegen het gezicht/hoofd, althans het (boven)lichaamvan die [naam slachtoffer] en/of- schoppen op/tegen het gezicht/hoofd, althans het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer] , terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag;
verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van , waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van ;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, in die zin dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, te betalen een bedrag van , bestaande uit € 405 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

legt aan de verdachte op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.155,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.155 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van ;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:mr. E.M. Havik, voorzitter,en mrs. W.M. Stolk en B. Krijnen, rechters,in tegenwoordigheid van mr. A. van den Bosch, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 13 augustus 2017 te Rotterdam, op of aan de openbare weg,te weten Oude Binnenweg, in elk geval op of aan een openbare weg,openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] ,welk geweld bestond uit het (meermalen)
art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:hij op of omstreeks 13 augustus 2017 te Rotterdamtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [naam slachtoffer] heeft mishandeld door het:
art 300 lid 1 Wetboek van Strafrechtart 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht