Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:2822

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 10-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:2822, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/750412-17


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBROT:2019:2822:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/750412-17Datum uitspraak: 10 april 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , feitelijk verblijvende op het adres [verblijfadres verdachte] , [verblijfplaats verdachte] , raadsman mr. M. Jansen, advocaat te Spijkenisse.
Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 14 en 27 maart 2019.

Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde medeplegen van moord;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

Waardering van het bewijs
Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: [naam medeverdachte] ) [naam slachtoffer] (hierna: [naam slachtoffer] ), de dochter van [naam medeverdachte] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Meerdere getuigen verklaren dat [naam medeverdachte] hen heeft verteld dat de verdachte en zij actief betrokken zijn geweest bij het overlijden van [naam slachtoffer] . Het euthanasiemiddel pentobarbital is in het lichaam van [naam slachtoffer] aangetroffen en heeft bijgedragen aan de dood van [naam slachtoffer] . Het is zeer aannemelijk dat dit middel door de verdachte en/of [naam medeverdachte] in China is besteld. Op basis van de verklaringen, de overige omstandigheden en omdat de verdachten verschillende opvallende omstandigheden rondom het overlijden niet eenduidig hebben weerlegd, staat vast dat [naam medeverdachte] [naam slachtoffer] pentobarbital heeft toegediend terwijl de verdachte haar vasthield. Er was op dat moment geen sprake van een uitdrukkelijk en ernstig verlangen van [naam slachtoffer] om te overlijden.
Beoordeling

Suïcide 2012

In de ochtend van 27 januari 2012 wordt de dan 29-jarige [naam slachtoffer] levenloos in haar woning te [plaats delict] aangetroffen. Enkele verbalisanten, waaronder een forensisch onderzoeker, eneen schouwarts komen ter plaatse. [naam medeverdachte] is ook aanwezig in de woning en vertelt depolitie dat haar dochter suïcidaal was. Dit gegeven wordt bevestigd door drie registraties in het politiesysteem van pogingen tot suïcide door [naam slachtoffer] in 2011. Ook de ter plaatse aanwezige huisarts van [naam slachtoffer] spreekt over de mogelijkheid van suïcide. In de prullenbak in de keuken wordt een lege strip van 10 tabletten Dormicum (15 mg) aangetroffen. De schouwarts komt tot de conclusie dat sprake is van een niet-natuurlijke dood en dat een ademhalingsstilstand als gevolg van de inname van 10 tabletten Dormicum als meest waarschijnlijke doodsoorzaak is aan te merken. Twee dagen na het overlijden van [naam slachtoffer] is een ongedateerd afscheidsbriefje in haar woning gevonden. Op dit briefje staat geschreven:‘
zielsveel van je. Je allerliefste [naam slachtoffer] .’

Onderzoek 2015

In 2015 wordt door de officier van justitie en politie een onderzoek opgestart waarbinnen (opnieuw) is gekeken naar de omstandigheden rond een aantal overlijdensgevallen rondom betrokkenen bij stichting [naam stichting] . Een stichting waar ook [naam medeverdachte] werkzaam is geweest.
Getuigen

In de loop van het in 2015 opgestarte onderzoek wordt een drietal getuigen gehoord: [naam getuige 1] (hierna: [naam getuige 1] ), [naam getuige 2] (hierna: [naam getuige 2] ) en [naam getuige 3] (hierna: [naam getuige 3] ). Deze drie getuigen verklaren dat zij van [naam medeverdachte] hebben gehoord dat de verdachte en [naam medeverdachte] betrokken zijn geweest bij de dood van [naam slachtoffer] .
In januari 2017 meldt [naam getuige 1] zich als eerste bij de politie. De verklaring die hij daar aflegt komt op het volgende neer:

In april 2017 wordt [naam getuige 3] door de politie gehoord. Haar verklaring komt op het volgende neer:

In juni 2017 wordt ten slotte ook [naam getuige 2] - de partner van [naam getuige 1] - door de politie gehoord. Dit verhoor vindt plaats in bijzijn van [naam getuige 1] . De verklaring van [naam getuige 2] houdt in:

Betrouwbaarheid getuigen

De kern van de door de officier van justitie gepresenteerde bewijsconstructie wordt gevormd door de verklaringen van deze drie getuigen. Bij de beoordeling van die bewijsconstructie moeten deze verklaringen op hun betrouwbaarheid worden getoetst. Die toetsing kent meerdere invalshoeken.
Tussenconclusie I

De oorspronkelijke reden voor [naam getuige 1] om anders naar het overlijden van [naam slachtoffer] te kijken, het gegeven dat de bron van alle wetenschap - [naam medeverdachte] - anders verklaart, het tijdsverloop en de mogelijke onderlinge kruisbestuiving tussen de getuigenverklaringen hebben een zekere invloed op de betrouwbaarheid van de verklaringen. Zij laten de reële mogelijkheid open dat herinneringen van de getuigen vervaagd zijn, dat de getuigen hun eigen herinneringen onbewust zelf hebben ingevuld, dat de getuigen elkaar onderling oneigenlijk hebben beïnvloed en/of ten onrechte hebben aangevuld. Dit maakt dat de verklaringen in een bewijsconstructie slechts met een zekere reserve kunnen worden gebruikt. Daarbij moet worden benadrukt dat het verhoren van [naam getuige 2] in het bijzijn van [naam getuige 1] haar verklaring bijna onbruikbaar maakt.Ook de beperkte inhoud van iedere verklaring op zich en de deels ontbrekende samenhang tussen de verklaringen dwingen tot voorzichtigheid bij het gebruik daarvan. De verklaringen op zichzelf kunnen daarom een bewezenverklaring niet zelfstandig dragen en een eventuele bewezenverklaring hangt om die reden in belangrijke mate af van de vraag of de verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen in het dossier.
Steunbewijs

Deze feiten en omstandigheden kunnen niet tot de conclusie leiden dat de verdachte en/of [naam medeverdachte] daadwerkelijk pentobarbital in China hebben besteld, nu niet vast staat ter zake waarvan de aangetroffen betaling is gedaan. Dat dit om de bestelling van pentobarbital zou gaan, zou louter een aanname zijn. Maar zelfs als die aanname wordt gedaan onderbouwt een bestelling van pentobarbital door de verdachte en/of [naam medeverdachte] niet een actieve betrokkenheid van de verdachte en/of [naam medeverdachte] bij de dood van [naam slachtoffer] . Tegen die achtergrond kan zo’n aanname ook - vrijwel - geen ondersteuning bieden aan de verklaringen van de getuigen.

In het lichaam van [naam slachtoffer] is de stof pentobarbital aangetoond. Ook zijn aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van midazolam (merknaam Dormicum). Op basis van de werkingsmechanismen van de aangetoonde stoffen zou pentobarbital het meest kunnen bijdragen aan het overlijden, maar vanwege de vergevorderde postmortale veranderingen kan de doodsoorzaak niet meer worden vastgesteld. Dat [naam slachtoffer] daadwerkelijk is overleden aan de inname van pentobarbital is dus niet komen vast te staan. Los van die vraag onderbouwt het aantreffen van pentobarbital in het lichaam van [naam slachtoffer] niet zelfstandig een actieve betrokkenheid van de verdachte en/of [naam medeverdachte] bij het toedienen van dat middel. Daarmee biedt het aantreffen van pentobarbital ook op die manier beschouwd nauwelijks ondersteuning aan de verklaringen van de getuigen.
Tussenconclusie II

Ondersteuning van de getuigenverklaringen is er niet of nauwelijks en er is sprake van een contra-indicatie.
Verklaringen verdachte(n)

Ten slotte zijn er de verklaringen van de verdachte en [naam medeverdachte] over de gebeurtenissen van de dag waarop [naam slachtoffer] is overleden. In die verklaringen zijn zij voor het belangrijkste deel consistent. Zij schetsen een - in grote lijnen gelijkluidend - scenario dat goed zou kunnen passen binnen het oorspronkelijke suïcidescenario. Een scenario waarvoor het dossier ook overigens aanknopingspunten biedt. De verklaringen van de verdachten komen op het volgende neer: [naam medeverdachte] zou in de middag van 26 januari 2012 door [naam slachtoffer] zijn gewaarschuwd dat ze ‘het nu zou gaan doen’. Vervolgens zou eerst [naam medeverdachte] en kort daarna de verdachte naar de woning van [naam slachtoffer] zijn gegaan, waar ze [naam slachtoffer] aantroffen in haar rolstoel. [naam medeverdachte] zou hebben gezien dat [naam slachtoffer] het laatst beetje van het euthanasiemiddel nog in haar voedingssonde spoot, dat ze nog één of twee keer ademhaalde en dat ze toen overleed. De verdachte zou hebben gezien dat [naam slachtoffer] al was overleden toen hij in de woning aankwam. Vervolgens hebben ze [naam slachtoffer] neergelegd en de volgende ochtend hebben ze de huisarts gebeld.
Conclusie

De verklaringen van de getuigen op zichzelf kunnen een bewezenverklaring niet dragen. Ondersteuning van die verklaringen is er niet of nauwelijks en er is sprake van een contra-indicatie. Bovendien zijn de verklaringen van de verdachte en [naam medeverdachte] over hetgeen is voorgevallen rondom het overlijden van [naam slachtoffer] niet zomaar als onaannemelijk terzijde te schuiven. Dit leidt ertoe dat niet buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat de verdachte en/of [naam medeverdachte] (actieve) betrokkenheid hebben gehad bij de dood van [naam slachtoffer] . Het ten laste gelegde is daarom niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
a. [naam getuige 1] verklaart dat het overlijden van [naam zus slachtoffer] , de zus van [naam slachtoffer] , in november 2016 en daarop volgende gesprekken met [naam medeverdachte] voor hem pas de aanleiding waren om met een andere blik naar [naam medeverdachte] en haar betrokkenheid bij het overlijden van [naam slachtoffer] te kijken.
Bron verklaringen

De bron van alle getuigenverklaringen is [naam medeverdachte] . Buiten de getuigenverklaringen om heeft [naam medeverdachte] altijd ontkend enige actieve betrokkenheid bij het overlijden van [naam slachtoffer] te hebben gehad. Zij betwist niet alleen de inhoud van de verklaringen, maar betwist ook deze uitlatingen aan de getuigen te hebben gedaan. Voor de verdachte geldt hetzelfde. Ook hij ontkent een actieve rol te hebben gespeeld bij het overlijden van [naam slachtoffer] . En hoewel hij bij gesprekken aanwezig is geweest, betwist ook hij dat [naam medeverdachte] genoemde uitlatingen aan de getuigen heeft gedaan.
Totstandkoming verklaringen

Op het moment dat getuige [naam getuige 1] (als eerste) met zijn verhaal naar de politie stapt, is het overlijden van [naam slachtoffer] bijna vijf jaar geleden. Ook het tijdstip waarop de uitlatingen van [naam medeverdachte] aan [naam getuige 1] , [naam getuige 2] en/of [naam getuige 3] zouden zijn gedaan is dan inmiddels een aantal jaar terug. Aannemelijk is geworden dat de getuigen - die een (directe) familieband met elkaar hebben - in die jaren onderling veelvuldig contact hebben gehad over de gebeurtenissen rondom het overlijden van [naam slachtoffer] en de rol van de verdachte en [naam medeverdachte] daarin. Dit onderlinge contact zet zich door wanneer [naam getuige 2] in het bijzijn van [naam getuige 1] door de politie wordt gehoord.
Inhoud verklaringen

De verklaringen van de getuigen bevatten weinig details over de concrete wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte en [naam medeverdachte] betrokken zouden zijn geweest bij het overlijden van [naam slachtoffer] . Bovendien verschillen de verklaringen op een belangrijk punt van elkaar. Getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] verklaren immers dat [naam medeverdachte] het ‘euthanasiemiddel’ (beiden spreken respectievelijk over ‘een drankje’ en over ‘pillen’) zelf aan [naam slachtoffer] heeft toegediend, terwijl getuige [naam getuige 3] verklaart dat [naam medeverdachte] het middel alleen aan [naam slachtoffer] heeft aangereikt.
a. In het dossier zijn aanwijzingen te vinden dat de verdachte en/of [naam medeverdachte] eind 2011 een betaling (money transfer) hebben gedaan naar een persoon in China. China is een land waar pentobarbital wordt verkocht en wordt geleverd via de post. Daarnaast is in een boek van [naam slachtoffer] (‘De Uitweg’) een door [naam medeverdachte] handgeschreven briefje aangetroffen met informatie die in verband zou kunnen worden gebracht met het bestellen van pentobarbital.
Doodsoorzaak

Afscheidsbriefje

Van het aangetroffen afscheidsbriefje is lang gedacht dat het mogelijk door [naam medeverdachte] zou zijn geschreven. Dit was met name gebaseerd op de verklaring van [naam getuige 1] dat het briefje niet in het handschrift van [naam slachtoffer] geschreven zou zijn. Uiteindelijk heeft handschriftonderzoek uitgewezen dat het briefje is geschreven door [naam slachtoffer] . Het aantreffen van dit door [naam slachtoffer] geschreven afscheidsbriefje ondersteunt de verklaringen van de getuigen daarom niet. Sterker nog, het vormt daarop een contra-indicatie.
-

[naam medeverdachte] heeft hem in het bijzijn van de verdachte en [naam getuige 2] in verschillende gesprekken verteld dat zij op 26 januari 2012 werd gebeld door [naam slachtoffer] met de mededeling dat ze nu dood wilde en met de vraag of [naam medeverdachte] wilde komen helpen.

[naam medeverdachte] is daarop samen met de verdachte, haar toenmalige partner, naar de woning van [naam slachtoffer] gegaan, waar zij haar aantroffen in haar rolstoel, enigszins suf door de slaapmiddelen die ze had ingenomen.

[naam medeverdachte] heeft [naam slachtoffer] vervolgens geholpen door een ‘euthanasiedrankje’ te bereiden en heeft dat drankje vervolgens aan [naam slachtoffer] toegediend. De verdachte heeft [naam slachtoffer] hierbij vastgehouden. Daarna hebben zij [naam slachtoffer] neergelegd en de volgende morgen de huisarts gebeld.

Het euthanasiemiddel waaraan [naam slachtoffer] is overleden heeft [naam medeverdachte] in China besteld.

-

[naam medeverdachte] heeft haar verteld dat zij op 26 januari 2012 door [naam slachtoffer] werd gebeld met de mededeling dat zij ‘het drankje’ op dat moment ging innemen.

[naam medeverdachte] is vervolgens samen met de verdachte naar [naam slachtoffer] toegegaan, waarna [naam slachtoffer] het drankje heeft ingenomen waar [naam medeverdachte] en de verdachte bij waren.

[naam medeverdachte] heeft [naam slachtoffer] het drankje aangereikt en de verdachte ondersteunde [naam slachtoffer] daarbij.

[naam medeverdachte] heeft haar verteld dat [naam slachtoffer] het ‘drankje’ zelf in het buitenland had besteld.

-

[naam medeverdachte] heeft haar in het bijzijn van de verdachte en [naam getuige 1] tijdens een gesprek verteld dat [naam slachtoffer] met haar hulp was overleden. Zij had [naam slachtoffer] ‘pillen’ toegediend, omdat [naam slachtoffer] die zelf niet meer kon innemen.

De verdachte heeft [naam slachtoffer] daarbij vastgehouden.

Vorderingen benadeelde partijen
Ter zake van hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] .
De benadeelde partij [naam benadeelde 1] vordert een vergoeding van € 842,58 aan materiële schade, bestaande uit een aantal kostenposten die - kort gezegd - gemaakt zijn in verband met het overlijden van zijn dochter [naam slachtoffer] . Daarnaast vordert hij een vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade (shockschade) vanwege de psychische gevolgen die hij heeft ondervonden door de confrontatie met het levenloze lichaam van zijn dochter. Ten slotte vordert hij een vergoeding van € 50,- wegens gemaakte proceskosten.

[naam benadeelde 2] vordert een vergoeding van € 50,- aan materiële schade, bestaande uit kosten van lijkbezorging. Daarnaast vordert hij een vergoeding van € 17.500,- aan immateriële schade (shockschade) vanwege de psychische gevolgen die hij heeft ondervonden door de confrontatie met het levenloze lichaam van [naam slachtoffer] .

Zoals hiervoor is overwogen, wordt de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde. Omdat aan de verdachte dus geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden, zullen beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.
Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

beslissing

Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

veroordeelt de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:mr. J.H. Janssen, voorzitter,en mrs. B.A. Cnossen en F.W.H. van den Emster, rechters,in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2019.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.Bijlage
Tekst tenlastelegging

- aan [naam slachtoffer] een of meer levensbeëindigend(e) middel(en) ter beschikkinggesteld en/of verstrekt en/of- [naam slachtoffer] bewogen dat/die middel(en) in te nemen en/of- misbruik gemaakt van haar fysieke en/of emotionele en/of geestelijke en/of
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 januari 2012 te [plaats delict] , althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het levenheeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijnmededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,het slachtoffer [naam slachtoffer] vastgehouden en/of een dodelijk middel (drankje)en/of een euthanasie middel toegediend, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;
subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 januari 2012 te [plaats delict] , althans in Nederland, tezamenen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk het leven van [naam slachtoffer] op uitdrukkelijk en ernstig verlangenvan die [naam slachtoffer] heeft beëindigd, door opzettelijk die [naam slachtoffer] vastte houden en/of een dodelijk middel (drankje) en/of euthanasie middel toe tedienen;
meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
[naam slachtoffer] op of omstreeks 27 januari 2012 in de gemeente [plaats delict] , althansin Nederland, zelfdoding heeft gepleegd,waarbij en/of waartot hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een anderof anderen, althans alleen, die [naam slachtoffer] op een of meer tijdstip(pen) inof omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 27 januari 2012 in degemeente [plaats delict] , althans in Nederland, (telkens) opzettelijk die [naam slachtoffer] heeft aangezet en/of die [naam slachtoffer] behulpzaam is geweest en/of die [naam slachtoffer] een of meer middel(en) daartoe heeft verschaft, terwijl diezelfdoding is gevolgd, hebbende hij, verdachte en/of een of meer van zijnmededader(s) daarbij opzettelijk
mentale overwicht en het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiendeoverwicht van haar positie als moeder en/of zorgverlener en/of (persoonlijk)begeleider van die [naam slachtoffer] .