Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:2054

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:2054, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is ROT 19/1085


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam [verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,de burgemeester van de gemeente Schiedam, verweerder,
gemachtigde: mr. N. Claassen,
gemachtigden: mr. P. Bijleveld en H.E. de Ron.

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/1085

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

en

ECLI:NL:RBROT:2019:2054:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam [verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,de burgemeester van de gemeente Schiedam, verweerder,
gemachtigde: mr. N. Claassen,
gemachtigden: mr. P. Bijleveld en H.E. de Ron.
Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/1085

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 175 van de Gemeentewet, samengevat, de algehele sluiting bevolen van de woning aan [adres] te [plaats] (de woning) en aan verzoeker een gebiedsontzegging opgelegd voor het gebied rond de woning, beide voor de duur van vier weken en ingaande op 1 maart 2019 om 0.15 uur.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens is verschenen [naam] , inspecteur van politie bij de Dienst Regionale Recherche, Politie Eenheid Rotterdam.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.
2. Het bestreden besluit is gebaseerd op – samengevat – de volgende omstandigheden, onder meer blijkend uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 28 februari 2019.- Verzoeker is manager bij [bedrijf] , gevestigd op [adres] te [plaats] . Toen hij op 25 februari 2019 om 02.15 het bedrijfspand van [bedrijf] verliet, naar zijn zeggen nadat hij daar ’s nachts in zijn eentje wat aan het drinken was geweest, werd hij door drie mannen benaderd, die hem op zijn knieën dwongen. Zij wilden zijn sleutels hebben, namen deze af, waaronder de huissleutels van de woning waar hij woont met zijn vrouw en vijf kinderen, en schopten en sloegen hem. Toen hij wegliep, werd hij in zijn been geschoten.- Verzoeker heeft toen niet zelf de politie gebeld of laten bellen, maar zich door een gebelde man en een vrouw – naar hij ter zitting verklaarde: omdat hij wist dat ze toch in de buurt waren omdat ze hem zouden ophalen – naar het ziekenhuis laten brengen. De man daarvan heeft een veelvoud aan antecedenten op het gebied van geweldsdelicten, de Wet wapens en munitie, en de Opiumwet. Het ziekenhuis heeft vervolgens bij de politie gemeld dat iemand met een schotwond was binnengebracht.- Toen de politie de woning, gelegen in een woonwijk, bezocht, verklaarde de echtgenote van verzoeker dat deze haar had gebeld om te zeggen dat hij beschoten was en dat zijn huissleutels weggenomen waren, reden waarom hij het adres niet meer veilig voor zijn vrouw en kinderen vond en hen gevraagd had te vertrekken. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij alleen heeft gebeld om te zeggen dat zijn sleutels waren afgenomen en dat zij moest zorgen dat de deur dicht was. Tevens heeft hij ter zitting verklaard dat wanneer hij ook maar één procent dacht dat zij gevaar zouden lopen, hij hen er niet had laten blijven.- Camerabeelden op [adres] waarnaar de politie onderzoek wilde doen, bleken te zijn gewist. Ter zitting heeft verzoeker dit betwist; de ter zitting aanwezige inspecteur van politie heeft bevestigd dat de camerabeelden gewist zijn.- Op 26 februari 2019 is omstreeks 01.40 uur geschoten op het raam van de woonkamer van de woning aan [adres] in [plaats] ; in het raam zaten drie kogelgaten. In die woning woont [naam] , werkzaam bij [bedrijf] , die op het moment dat er geschoten werd op de bank achter het woonkamerraam televisie zat te kijken. [naam] heeft verklaard met niemand ruzie te hebben. Hij heeft antecedenten op het gebied van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie, waaronder het bezit van harddrugs en de handel in harddrugs en softdrugs. Op 23 juni 2018 is hij aangehouden met 1226 gram cocaïne in de auto; volgens hem heeft een vriend de cocaïne in de auto heeft laten liggen. De naam van die vriend wilde hij niet noemen, omdat hij banger was voor die vriend, dan voor de politie.
3. Verweerder stelt zich in navolging van genoemde bestuurlijke rapportage op het standpunt dat het feit dat in korte tijd tweemaal is geschoten, op een persoon en een woning, waarbij er mogelijk een verband bestaat tussen beide schietpartijen, duidt op een mogelijk crimineel conflict waarbij de daders extreem geweld niet schuwen. De politie heeft de ernstige vrees dat er meer schietpartijen kunnen volgen, met risico’s voor onschuldige bewoners, waaronder jonge kinderen, buurtbewoners en passanten. Naar de ter zitting aanwezige inspecteur van politie nogmaals heeft toegelicht, is het onwaarschijnlijk dat de schietpartijen buiten het criminele circuit hebben plaatsgevonden en leert de ervaring dat het vaak niet bij een enkele schietpartij blijft. De ernst van de incidenten vraagt om overheidsingrijpen op korte termijn, om de openbare orde te herstellen, de veiligheid te waarborgen en te voorkomen dat het conflict verder escaleert, met mogelijk (dodelijke) slachtoffers tot gevolg. Er bestaat geen zicht op de aard van het conflict, waardoor er geen gerichte interventie of aanhoudingen kunnen worden gedaan die het risico doen afnemen. Uit de verklaringen van verzoeker en [naam] kan niet worden afgeleid in welke hoek het conflict gezocht moet worden, wat, net als het gewist zijn van de camerabeelden, de opsporing en het voorkomen van escalatie bemoeilijkt. Verzoeker gaat er, naar hij ter zitting een- en andermaal heeft beklemtoond, van uit dat sprake was van “een ordinaire straatroof”. Ten slotte heeft de inspecteur van politie ter zitting verklaard dat parallel aan het onderzoek “ [onderzoek 1] ” in de onderhavige zaken, een onderzoek “ [onderzoek 2] ” plaatsvindt naar verdachte transacties en mogelijk witwassen bij [bedrijf] . In dat verband is onder meer bij een huiszoeking bij een (andere) medewerker van [bedrijf] € 50.000,- in contanten in beslag genomen; ook is op een bedrag van € 180.000,- op bankrekeningen beslag gelegd.
4. Op grond van artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester in geval van (onder meer) ernstige vrees voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken. Het criterium “ernstige vrees voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden” impliceert dat aan de burgemeester beoordelingsvrijheid toekomt, die de rechter slechts terughoudend kan toetsen (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 augustus 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY5898).
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter levert een beschieting van een persoon of van een woning een ernstige wanordelijkheid op als bedoeld in artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet en valt de aanmerkelijke kans op herhaling daarvan te kwalificeren als ernstige vrees voor het ontstaan van een dergelijke ernstige wanordelijkheid, die een sluitingsbevel en een gebiedsverbod in beginsel kan rechtvaardigen (vgl. de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland van 8 februari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:479, en de annotatie van J.G. Brouwer en A.E. Schilder onder de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 januari 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:540). De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder zich op basis van het geheel van de onder 2 vermelde omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er een zodanig aanmerkelijke kans is dat die omstandigheden samenhangen en wijzen op een crimineel conflict, dat zij aanleiding geven tot bedoelde ernstige vrees voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden. Daarbij ziet verzoekers stelling ter zitting dat wanneer men hem had willen liquideren, dit al bij het schietincident op 25 februari 2019 had kunnen gebeuren, zodat er volgens hem geen vrees voor herhaling behoeft te bestaan, eraan voorbij dat ook sprake van intimidatie kan zijn.
6. Gelet op de verregaande inbreuk die het bestreden besluit maakt op de grondrechten van verzoeker en zijn huisgenoten, dient evenwicht te worden gezocht tussen enerzijds de bescherming van het algemeen belang, in dit geval het voorkomen van ernstige wanordelijkheden - zowel ten aanzien van verzoeker en zijn echtgenote en kinderen, als ten aanzien van buren en passanten - en anderzijds de te respecteren grondrechten van verzoeker en zijn huisgenoten. In dit verband is van belang het door verzoeker genoemde artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarin het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven is opgenomen, op welk recht ingevolge het tweede lid van dat artikel slechts inmenging is toegestaan voor zover bij de wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van (onder meer) de openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Ook uit de parlementaire geschiedenis van artikel 175 van de Gemeentewet kan worden afgeleid dat verweerder bij het geven van bevelen op grond van dat artikel de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht moet nemen. Het geven van een bevel op grond van dit artikel is pas aan de orde wanneer gewone middelen niet voorhanden of toereikend zijn (subsidiariteit). Voorts mogen de genomen maatregelen niet ingrijpender zijn dan in de gegeven situatie vereist om het gevaar te beperken (proportionaliteit).
7. In het kader van de subsidiariteit heeft verweerder ter zitting nader toegelicht dat criminele conflicten vaak in de woon- en werkomgeving worden uitgevochten en dat er geen alternatieven zijn voor het sluitingsbevel en gebiedsverbod waardoor niet slechts (bijvoorbeeld, naar verzoeker heeft gesuggereerd, met beveiliging bij de woning, camera’s of extra surveillance) de woning van verzoeker in de gaten wordt gehouden, maar ook de veiligheid in de woonwijk op gelijke wijze wordt gewaarborgd. Tevens heeft verweerder erop gewezen dat nu het erop lijkt dat verzoeker geen maximale openheid van zaken heeft gegeven – en de politie overigens ook niet om bescherming of andere hulp heeft gevraagd – verweerder daardoor is beperkt in het zoeken naar alternatieve mogelijkheden om de ernstige vrees voor ernstige wanordelijkheden te voorkomen. Ofschoon het bestreden besluit op dit onderdeel, naar verzoeker terecht heeft aangevoerd, onvoldoende is gemotiveerd, zal in bezwaar een uitvoeriger motivering gegeven kunnen worden en ziet de voorzieningenrechter, alle belangen en omstandigheden van het geval afwegend en gelet op verweerders toelichting op dit punt ter zitting, hierin thans onvoldoende grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.
8. Ten slotte is niet gebleken van omstandigheden die maken dat het bestreden besluit qua omvang of duur in strijd met het proportionaliteitsbeginsel moet worden geoordeeld. In het bijzonder is niet gebleken dat verzoeker met zijn gezin gedurende de sluitingsperiode van thans nog ruim twee weken geen adequaat onderdak zal hebben of anderszins dringend op de woning is aangewezen. Wat het gebiedsverbod betreft neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder heeft toegelicht in gevallen als deze de betrokkene te willen weren uit het gebied rondom zijn woning waar hij mogelijk wordt gezocht, terwijl verzoeker desgevraagd heeft verklaard dat hij behoudens het reizen naar zijn woning niet in het gebied hoeft te zijn waarop het gebiedsverbod betrekking heeft.
9. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 maart 2019.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.