Uitspraak ECLI:NL:RBROT:2019:1102

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-02-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Rotterdam op 06-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBROT:2019:1102, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 10/732047-18


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/732047-18Datum uitspraak: 6 februari 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr. D. Marcus, advocaat te Rijen.

ECLI:NL:RBROT:2019:1102:DOC
nl

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/732047-18Datum uitspraak: 6 februari 2019Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr. D. Marcus, advocaat te Rijen.
1

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 januari 2019.

2

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:
-

bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde;

veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 uren en de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig te ontzeggen voor de duur van zes maanden.

4

4.1.
Bewijswaardering

Inleiding

Op 20 april 2018 heeft op de kruising van de Stadionweg en de John F. Kennedyweg te Rotterdam een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto en een motor betrokken waren. Als gevolg van dit verkeersongeval heeft de motorrijder letsel opgelopen.
4.1.1.
Standpunt verdediging

De verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat niet is voldaan aan het schuldvereiste uit artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).
Zoals hij ook tijdens zijn verhoren bij de politie steeds heeft verklaard, passeerde de verdachte een verkeerslicht dat voor hem groen licht uitstraalde, toen hij in zijn auto vanaf de Stadionweg richting de kruising met de John F. Kennedyweg te Rotterdam reed. In het geval echter dat zou worden aangenomen dat de verdachte door rood heeft gereden, is dit het enige verwijt dat hem te maken valt. In dit geval levert immers het negeren van het rode verkeerslicht dezelfde feitelijke gedraging op als het niet verlenen van voorrang aan de motorrijder. Een enkele verkeersovertreding leidt niet zonder meer tot de conclusie dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, of met aanmerkelijke verwaarlozing van de hem geboden zorgvuldigheid heeft gereden. Integendeel, de verdachte heeft rustig gereden waarbij hij de situatie zonder te zijn afgeleid, goed in ogenschouw heeft genomen.Voorts is het letsel dat de motorrijder heeft opgelopen, niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.
Ter zake van het subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.1.2.
Beoordeling

De verdachte reed in een witte Opel Astra op de Stadionweg en wilde linksaf de John F. Kennedyweg op, richting de wijk IJsselmonde. Hij bevond zich op de rechter rijstrook en is achter twee of drie auto’s aan de kruising opgereden. Op het kruisingsvlak is hij in aanrijding gekomen met een voor hem, verdachte, van links komende motorrijder.
Is er sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid?

Van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. In de beoordeling daarvan dienen alle feiten en omstandigheden van het geval te worden betrokken.
Diverse getuigen hebben verklaard dat de verdachte het kruisingsvlak op reed op het moment dat het verkeerslicht aan zijn kant rood licht uitstraalde en/of dat de motorrijder het kruisingsvlak is opgereden nadat het verkeerlicht aan zijn kant op groen was gesprongen. Uit de analyse van de logbestanden van de zogenoemde verkeersongevallenanalyse blijkt ook dat de verdachte rijdend in zijn auto het kruisingsvlak is opgereden toen het voor hem geldende verkeerslicht al ongeveer 4,5 seconden rood licht aangaf, dat op dat moment het verkeerslicht aan de kant van de motorrijder reeds op groen was overgegaan en dat de motorrijder de in het wegdek aangebrachte detectielus (koplus) verliet toen het verkeerslicht voor hem al 3,2 seconden groen licht aangaf. Verder volgt uit op het wegdek aangebrachte haaientanden, dat verkeer komend vanaf de Stadionweg op die kruising voorrang dient te verlenen aan het voor hem zowel van links als van rechts komende verkeer op de John F. Kennedylaan.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte niet alleen het verkeerslicht aan de Stadionweg is gepasseerd toen dit voor hem rood licht uitstraalde, maar ook dat hij vervolgens de kruising met de John F. Kennedyweg is opgereden zonder voorrang te verlenen aan de motorrijder die op dat moment voor hem, de verdachte, vanaf links de kruising op kwam. De motorrijder is hierbij tegen de linker voorzijde van de auto van de verdachte gebotst, als gevolg waarvan hij ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen.

4.1.3.
Conclusie

De hiervoor beschreven feiten en omstandigheden worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van de verdachte. Het verkeersongeval dat heeft plaatsgevonden is dan ook aan diens schuld als bedoeld in artikel 6 WVW te wijten. Het verweer van de raadsvrouw wordt om die reden verworpen.
Is er sprake van zwaar lichamelijk letsel?

Uit de medische verklaring (FARR-verklaring) blijkt dat de motorrijder meerdere botbreuken heeft opgelopen aan zijn ribben, rugwervels en schouderbladen. Ook had hij een klaplong. De herstelperiode werd ingeschat op tenminste zes weken. Uit de verklaring van het slachtoffer die in het kader van het spreekrecht op de zitting is voorgelezen blijkt dat hij ook in het najaar 2018 nog lichamelijke ongemakken ondervond als gevolg van het verkeersongeval.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de aard van het letsel, mede gelet op de duur van het herstellingsproces en de restgevolgen, van dien aard dat naar gewoon spraakgebruik sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal dit letsel dan ook als zodanig kwalificeren.

4.2.
Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 20 april 2018 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de kruising, gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de John F. Kennedyweg en de Stadionweg, althans op één van deze wegen, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,-in strijd met een voor zijn rijrichting geldend, reeds enkele seconden rood licht uitstralend, verkeerslicht bovengenoemde kruising is opgereden -geen voorrang heeft verleend aan een motorrijder die bij groen licht de kruising was opgereden en -op het kruisingsvlak in botsing of aanrijding is gekomen met die motorrijder, waardoor die motorrijder, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, .
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5

Het bewezen feit levert op:
primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

overwegingen

7

7.1.
Algemene overweging

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf en bijkomende straf zijn gebaseerd

De verdachte is rijdend in zijn auto de kruising van de Stadionweg en de John F. Kennedyweg opgereden terwijl het verkeerslicht aan zijn kant op rood stond. Verdachte heeft de motorrijder die voor hem van links kwam en die wel groen licht had niet tijdig opgemerkt en geen voorrang verleend, waardoor tussen hen een aanrijding is. De motorrijder is daardoor ten val gekomen en heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden

Bij de bepaling van de straf en de duur ervan is acht geslagen op de justitiële documentatie betreffende de verdachte van 10 januari 2019 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Verder is rekening gehouden met de omstandigheid dat de werkplek van de verdachte op de tweede Maasvlakte niet gemakkelijk op andere wijze dan per auto kan worden bereikt en dat de zorg voor zijn kinderen – waaronder het brengen naar en/of halen van school – voor een groot deel bij hem berust omdat hij in ploegendienst werkt. Tenslotte heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd.
7.4.
Conclusie

De rechtbank zal alles afwegend een taakstraf opleggen voor na te noemen duur en als bijkomende straf de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. Daarbij kan naar het oordeel van de rechtbank en anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, worden volstaan deze rijontzegging geheel voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van 2 jaren. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te doordringen voorzichtig en oplettend te blijven in het verkeer.
8

Ten aanzien van de in beslag genomen mobiele telefoon, merk/type Samsung, zilverkleurig, zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte aangezien dit is verzocht door de verdachte en de officier van justitie op de zitting te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.

9

Gelet is op de artikelen, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

beslissing

11

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van , waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van ;

ontzegtde bevoegdheid motorrijtuigen te besturen6 (zes) maanden;
bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbanklater anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het eind van de proeftijd, diehierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd nietaan een strafbaar feit schuldig zal maken;
beslist ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:gelast de teruggave aan verdachte van de zilverkleurige mobiele telefoon merk/type Samsung.

Dit vonnis is gewezen door:mr. M.V. Scheffers, voorzitter,en mrs. A.M.H. Geerars en J.J. van den Berg, rechters,in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2019.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

-hij op of omstreeks 20 april 2018 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de kruising, gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de John F.Kennedyweg en de Stadionweg, althans op één van deze wegen, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,-in strijd met een voor zijn rijrichting geldend, reeds enkele seconden rood licht uitstralend, verkeerslicht bovengenoemde kruising is opgereden en/of-geen voorrang heeft verleend aan een motorrijder die bij groen licht de kruising was opgereden en/of -op het kruisingsvlak in botsing of aanrijding is gekomen met die motorrijder, waardoor die motorrijder, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 20 april 2018 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de John F. Kennedyweg en de Stadionweg, althans op één van deze wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg/wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg/wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar, en in strijd met een voor zijn rijrichting geldend, reeds enkele seconden rood licht uitstralend, verkeerslicht hovengenoemde kruising is opgereden en/of;-geen voorrang heeft verleend aan een motorrijder die bij groen licht de kruising was opgereden en/of -op het kruisingsvlak in botsing of aanrijding is gekomen met die motorrijder.