Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2020:668

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 18-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 19-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2020:668, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08/242871 KG ZA 20-10


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrechtZittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer : 08/242871 KG ZA 20-10

Vonnis in kort geding van 18 februari 2020

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,advocaat: mr. N.E. Koelemaij te Assen,
tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,niet verschenen.

ECLI:NL:RBOVE:2020:668:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrechtZittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer : 08/242871 KG ZA 20-10

Vonnis in kort geding van 18 februari 2020

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,advocaat: mr. N.E. Koelemaij te Assen,
tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,niet verschenen.
1

1.1.
Het verloop van deze procedure blijkt uit:
-

de dagvaarding, uitgebracht op 27 januari 2020;

de door [eiser] op 3 februari 2020 toegezonden productie 8;

de mondelinge behandeling van 4 februari 2020, waarbij door [eiser] verschillende foto’s zijn overgelegd en waarvan aantekening is gehouden door de griffier.

1.2.
[gedaagde] is, hoewel daartoe op de voorgeschreven wijze opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
overwegingen

2

2.1.
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu het hier gaat om burenoverlast, waarvan [eiser] stelt dat deze ook nu nog gaande is.
2.2.
Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
2.3.
[eiser] woont aan [adres 1] te [woonplaats] , samen met zijn [vrouw] , en drie van hun kinderen. [gedaagde] woont aan [adres 2] te [woonplaats] . Zodoende zijn [eiser] en [gedaagde] buren van elkaar.
2.4.
[eiser] stelt onrechtmatige overlast dan wel onrechtmatige hinder te ondervinden van [gedaagde] . Hiertoe heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] zich bedreigend uit naar [eiser] en zijn gezin en dat hij met zijn telefoon voortdurend foto’s van hen maakt. Op het perceel van [gedaagde] bevindt zich daarnaast een zinken plaat die, wanneer de wind er tegenaan waait, een tikkend geluid maakt. Dit tikkende geluid verstoort de nachtrust van [eiser] en zijn gezin. [gedaagde] heeft ook twee camera’s op zijn erf, die beide voornamelijk zijn gericht op het perceel [eiser] . Dit ervaart [eiser] als een inbreuk op zijn privacy. Doordat [gedaagde] hout op zijn erf opstapelt wordt [eiser] in zijn uitzicht belemmerd.
2.5.
De verschillende vorderingen van [eiser] , ten aanzien van de hiervoor genoemde punten, zullen hierna afzonderlijk worden besproken.
Het contactverbod

2.6.
[eiser] vordert primair een verbod voor [gedaagde] om contact te hebben met [eiser] , zijn echtgenote en zijn kinderen (en voor zover van toepassing hun partners), zowel verbaal als schriftelijk, telefonisch, elektronisch of op enige andere wijze. Subsidiair vordert [eiser] een verbod voor [gedaagde] om zich op bedreigende toon dan wel met dreigende inhoud te uiten richting [eiser] , zijn echtgenote en zijn kinderen (en voor zover van toepassing hun partners), zowel verbaal als schriftelijk, telefonisch elektronisch of op enige andere wijze. [eiser] vordert zowel primair als subsidiair dat [gedaagde] per overtreding van dit verbod een dwangsom van € 10.000,00 verbeurd, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag.
2.7.
Aangezien [eiser] en [gedaagde] naaste buren zijn is een volledig contactverbod, zoals gevorderd, lastig uitvoerbaar. Naaste buren zullen elkaar nu eenmaal tegenkomen. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het er hem bij dit verbod vooral om gaat dat [gedaagde] zich niet meer bedreigend mag uiten richting hem en zijn gezin, en dat [gedaagde] geen foto’s meer van hen mag maken.
2.8.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Bedreiging is strafbaar gesteld in artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, een veroordeling van [gedaagde] om zich van dergelijk gedrag te onthouden acht de voorzieningenrechter dan ook weinig zinvol. Een verbod voor [gedaagde] om [eiser] op schriftelijke, telefonische, of elektronische wijze te benaderen is wel toewijsbaar. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] voortdurend foto’s van hem, zijn gezin en zijn huis maakt, en dat dit gedrag zeer belastend is voor hem en zijn gezin. De vordering komt niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00 per overtreding, met een maximum van € 10.000,00. Voor deze matiging is redengevend dat [eiser] een zeer hoog bedrag aan dwangsommen heeft gevorderd, maar niet heeft gemotiveerd waarom dit bedrag zo hoog zou moeten zijn. Ook heeft [eiser] niet aangevoerd dat van een lager bedrag geen voldoende prikkel zal uitgaan.
De twee camera’s

2.9.
[eiser] vordert dat [gedaagde] binnen vierentwintig uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de camera’s die op het perceel aan [adres 2] te [woonplaats] zijn geplaatst en die gericht zijn op/beelden maken van het perceel van [eiser] aan [adres 1] te [woonplaats] dient te verwijderen en verwijderd dient te houden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per keer dat [gedaagde] daarmee in strijd handelt, dan wel € 1.000,00 per dag of dagdeel dat de strijdigheid voortduurt, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag per dag of dagdeel dat de strijdigheid voortduurt.
2.10.
Aangezien [eiser] onweersproken heeft gesteld dat de camera’s voornamelijk zicht hebben op zijn erf oordeelt de voorzieningenrechter dat deze camera’s een inbreuk maken op de privacy van [eiser] en zijn gezin. Dit klemt temeer nu [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] op last van de politie al eens eerder een camera heeft moeten verwijderen. De vordering komt niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00 per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00. Voor deze matiging is redengevend dat [eiser] een zeer hoog bedrag aan dwangsommen heeft gevorderd, maar niet heeft gemotiveerd waarom dit bedrag zo hoog zou moeten zijn. Ook heeft [eiser] niet aangevoerd dat van een lager bedrag geen voldoende prikkel zal uitgaan.
De tikkende dakplaat

2.11.
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen vierentwintig uur na het in deze zaak te wijzen vonnis de geprepareerde dakplaat die op het perceel aan [adres 2] te [woonplaats] is geplaatst dient te verwijderen en verwijderd dient te houden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per keer dat [gedaagde] daarmee in strijd handelt, dan wel € 1.000,00 per dag of dagdeel dat de strijdigheid voortduurt, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag per dag of dagdeel dat de strijdigheid voortduurt.
2.12.
[eiser] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] een dakplaat op zijn perceel zodanig heeft gelegd dat die, wanneer de wind er tegenaan waait, een tikkend geluid maakt tegen een nabij staande betonnen paal. Dit tikkende geluid bezorgt hem en zijn gezin overlast. Ter zitting heeft [eiser] de foto die als productie 1 bij de dagvaarding is overgelegd, waarop de dakplaat te zien is, toegelicht. Nu [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd moet van de door [eiser] gestelde feiten worden uitgegaan. De vordering zal als niet ongegrond of onrechtmatig worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00 per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00. Voor deze matiging is redengevend dat [eiser] een zeer hoog bedrag aan dwangsommen heeft gevorderd, maar niet heeft gemotiveerd waarom dit bedrag zo hoog zou moeten zijn. Ook heeft [eiser] niet aangevoerd dat van een lager bedrag geen voldoende prikkel zal uitgaan.
De stapels hout

2.13.
[eiser] vordert dat [gedaagde] binnen vierentwintig uur na het in deze zaak te wijzen vonnis de stapels hout die op het perceel aan [adres 2] te [woonplaats] zijn geplaatst, binnen een straal van drie meter van het perceel van [eiser] aan [adres 1] te [woonplaats] dient te verwijderen en verwijderd dient te houden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per keer dat [gedaagde] daarmee in strijd handelt, dan wel € 1.000,00 per dag of dagdeel dat de strijdigheid voortduurt, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag per dag of dagdeel dat de strijdigheid voortduurt.
2.14.
[eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] hout in zijn tuin heeft opgestapeld en dat dit zijn uitzicht belemmert. Ter zitting is door [eiser] een foto overgelegd, waarop is te zien dat de stapel hout in kwestie nagenoeg tegen een erfafscheiding is geplaatst, en boven deze erfafscheiding uitsteekt. Ook deze vordering komt de voorzieningenrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor, en is dus toewijsbaar. Weliswaar is veroordeling tot verwijdering binnen een straal van drie meter van het perceel van [eiser] verstrekkend, temeer nu het niet om beplanting gaat, maar omdat [gedaagde] niet is verschenen en dus geen verweer heeft gevoerd zal ook deze vordering worden toegewezen. De dwangsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00 per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00. Voor deze matiging is redengevend dat [eiser] een zeer hoog bedrag aan dwangsommen heeft gevorderd, maar niet heeft gemotiveerd waarom dit bedrag zo hoog zou moeten zijn. Ook heeft [eiser] niet aangevoerd dat van een lager bedrag geen voldoende prikkel zal uitgaan.
2.15.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De nakosten worden begroot op € 157,00.
beslissing

3

De voorzieningenrechter:

3.1.
verbiedt [gedaagde] om na betekening van dit vonnis op schriftelijke, telefonische of andere elektronische wijze contact te hebben met [eiser] , zijn echtgenote en zijn kinderen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding, met een maximum van € 10.000,00;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot het binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis verwijderen en verwijderd houden van de camera’s die zijn geplaatst op het perceel aan [adres 2] te [woonplaats] en die zijn gericht op/beelden maken van het perceel van [eiser] aan [adres 1] te [woonplaats] , op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot het binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis binnen een straal van drie meter van het perceel van [eiser] aan [adres 1] te [woonplaats] verwijderen en verwijderd houden van de stapels hout die op het perceel aan [adres 2] te [woonplaats] zijn geplaatst, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] tot het binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis verwijderen en verwijderd houden van de dakplaat die is geplaatst op het perceel aan [adres 2] te [woonplaats] , dan wel tot het binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis verplaatsen en verplaatst houden van deze dakplaat zodat deze bij wind geen tikkend geluid meer maakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00;
3.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] gevallen en vastgesteld als volgt:a. kosten dagvaarding: € 102,96;b. griffierecht: € 304,00;c. salaris gemachtigde: € 633,00;en in de nakosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 157,00, beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis;
3.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2020.