Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2020:537

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 11-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2020:537, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08.224281.18 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.224281.18 (P)Datum vonnis: 11 februari 2020
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [woonplaats] .

ECLI:NL:RBOVE:2020:537:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.224281.18 (P)Datum vonnis: 11 februari 2020
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [woonplaats] .
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 januari 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.J. Nettenbreijers en van wat door verdachte en diens raadsvrouw mr. T.R. Oude Veldhuis, advocaat te Hengelo, naar voren is gebracht.
2

De verdenking tegen verdachte komt er zakelijk weergegeven, op neer dat het aan zijn schuld is te wijten dat [slachtoffer] is overleden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij, verdachte, als degene die ingevolge daartoe gemaakte afspraken feitelijk verantwoordelijk was voor het instrueren en/of informeren van [medeverdachte] voor de door hem (die [medeverdachte] ) te vervullen werkzaamheden-, op of omstreeks 22 juni 2017 te Enschede in de gemeente Enschede,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of nalatig heeft gehandeld, hierin bestaande dat hij, verdachte

die [medeverdachte] niet of in onvoldoende mate heeft geïnformeerd en/of geïnstrueerd over te vervullen werkzaamheden, -te weten het besturen van een motorboot “BOHt” en/of het door leerlingen, -waaronder [slachtoffer] -, van het [school] laten verwijderen van vuil uit het water van die Binnenhaven- en/of om die [medeverdachte] en/of die leerlingen veilig aan boord van dat motorschip te kunnen laten werken en/of verblijven en/of

geen, althans onvoldoende, afspraken heeft gemaakt met de andere toezichthouder(s),-te weten die [medeverdachte] , schipper en/of bestuurder van die motorboot en/of [klassenassistent] , zijnde een klassenassistent, die voormelde leerlingen begeleid naar- en/of bij uit te voeren werkzaamheden-, over het benodigde toezicht op die leerlingen, waaronder [slachtoffer] , voor en/of bij het uitvoeren van voormelde werkzaamheden en/of het verblijf aan boord van dat motorschip en/of
niet heeft gecontroleerd of zich onvoldoende ervan heeft vergewist of [slachtoffer] en/of [medeverdachte] van anderen nadere instructies en/of informatie hadden ontvangen voor het veilig uitvoeren van voormelde werkzaamheden en/of het verblijf aan boord van dat motorschip en/of
toen dat motorschip toen aldaar op zodanige wijze tegen en/of onder een zich boven dat water van die Binnenhaven bevindende (houten) vlonder is/heeft gevaren, die [slachtoffer] tussen dat motorschip en die vlonder bekneld is geraakt,
door welk gebrek van het geven van informatie, instructie, controle en/of toezicht aan/op die [slachtoffer] en/of [medeverdachte] het mede aan zijn, verdachte schuld te wijten is, dat een ander (voormelde [slachtoffer] ) werd gedood;
3

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat onomstotelijk is komen vast te staan dat verdachte als feitelijk leidinggevende van medeverdachte [medeverdachte] op 22 juni 2017 belast was met het toezicht op de Werf 053, aan de Binnenhaven 4 te Enschede. Hij was in die hoedanigheid tevens verantwoordelijk voor de werkzaamheden die door verdachte [medeverdachte] werden verricht. [medeverdachte] heeft als schipper van de boot waarop [slachtoffer] op 22 juni 2017 samen met twee klasgenoten meevoer, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gevaren waardoor de boot onder een houten vlonder is gevaren. Als gevolg hiervan is [slachtoffer] , die op dat moment op het voordek zat met zijn benen buitenboord, beklemd geraakt tussen het schip en de houten steiger. Door deze beklemming heeft [slachtoffer] ernstig letsel opgelopen als gevolg waarvan hij is overleden. Verdachte heeft verzuimd informatie en instructie te geven zodat [medeverdachte] zijn taken op een veilige manier kon verrichten. Daarnaast heeft verdachte niet gecontroleerd of de instructies waren begrepen noch heeft hij toezicht uitgeoefend op [slachtoffer] en/of [medeverdachte] .
Door niet te controleren of zich er voldoende van te vergewissen of [slachtoffer] en/of verdachte [medeverdachte] nadere instructies en/of informatie hadden ontvangen voor het veilig uitvoeren van werkzaamheden en/of voor het verblijf aan boord van die boot, heeft verdachte dusdanig aanmerkelijk onachtzaam, onvoorzichtig en onoplettend, nalatig gehandeld dat het (mede) aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] is komen te overlijden.

De officier van justitie vordert veroordeling van de verdachte ter zake van dood door schuld en oplegging van een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door zestig dagen hechtenis.

4.2
Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft tegen het standpunt van de officier van justitie uitgebreid verweer gevoerd, dat er, onder verwijzing naar haar schriftelijke pleitnotitie, - kort gezegd - op neer komt dat verdachte van het hem tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Aan de Binnenhaven 4 te Enschede is een scheepswerf gevestigd. Er werken mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt zoals de medeverdachte [medeverdachte] . De leerlingen van de school waar [slachtoffer] als leerling op zat mochten leren lassen en andere (las)werkzaamheden uitoefenen bij de scheepswerf. Daarnaast kwam het voor dat de leerlingen klusjes uitvoeren, waaronder het verwijderen van vuil uit de haven. Op basis van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte op 22 juni 2017 aanwezig was op de Werf, dat hij daar was als verantwoordelijk feitelijk leidinggevende van verdachte [medeverdachte] en ook dat hij die dag belast was met het toezicht op de werf. Op 22 juni 2017 is [slachtoffer] samen met twee andere leerlingen van zijn school meegevaren op het schip dat werd bestuurd door medeverdachte [medeverdachte] . Het was de bedoeling dat [medeverdachte] met de drie opvarenden afval uit de haven zou gaan vissen. Dit was de eerste keer dat [medeverdachte] het schip bestuurde. Door een verkeerde manoeuvre van de schipper is het schip onder een houten vlonder gevaren waardoor [slachtoffer] korte tijd klem kwam te zitten tussen het schip en de vlonder. De schipper is teruggevaren naar de werf waar de hulpdiensten zijn gebeld. [slachtoffer] is naar het ziekenhuis gebracht. Ondanks vier operaties kon zijn toestand niet worden gestabiliseerd en diezelfde nacht is [slachtoffer] overleden aan de verwondingen die hij heeft opgelopen als gevolg van de beknelling tussen het schip en de vlonder.
Vrijspraak dood door schuld van medeverdachte

De medeverdachte [medeverdachte] was degene die het schip heeft bestuurd en daarmee ook verantwoordelijk voor de bewegingen die het schip op dat moment maakte. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat medeverdachte [medeverdachte] onvoorzichtig heeft gehandeld door een manoeuvre richting de vlonder te maken, waarna het schip te dicht tegen en onder die vlonder voer, kan niet worden vastgesteld dat hem op grond daarvan zodanig strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dat dit schuld in de zin van artikel 307 Sr oplevert. Er kan namelijk niet worden geoordeeld dat verdachte met de vereiste mate van schuld had behoren te voorzien dat het schip, nu dat schip zelf geen overmatige hekgolven veroorzaakte, met de voorzijde onder de vlonder zou komen als gevolg waarvan een zodanige beklemming zou plaatsvinden dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Nu [medeverdachte] slechts een geringe fout heeft gemaakt, kan niet gezegd worden dat verdachte, aan wie in de kern verweten wordt dat hij [medeverdachte] niet goed heeft geïnstrueerd en/of gecontroleerd, wel schuld heeft als bedoeld in artikel 307 Sr aan de dood van [slachtoffer] . Daarbij moet er ook rekening mee gehouden worden dat verdachte, blijkens de verklaring van [medeverdachte] , wel bij deze heeft geïnformeerd of hij vaarervaring had en dat [medeverdachte] daarop bevestigend had geantwoord, terwijl voor het onderhavige schip geen vaarbewijs nodig is. Onder deze omstandigheden was het voor verdachte ook onvoldoende voorzienbaar dat door een geringe fout van [medeverdachte] het ongeval met [slachtoffer] zou plaatsvinden met de dood van hem als gevolg. Ook daarin kan in strafrechtelijke zin niet gesproken worden van schuld zoals bedoeld in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit betekent dat ook in de strafzaak tegen (deze) verdachte niet kan worden vastgesteld dat het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] op 22 juni 2017 is komen te overlijden.De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde.
De rechtbank begrijpt dat dit voor de ouders en andere nabestaanden van [slachtoffer] moeilijk te accepteren kan zijn. Het leed dat hen is overkomen is immers onuitsprekelijk. Toch kan de rechtbank niet anders. Het leed mag immers geen maatstaf zijn voor de vraag of verdachte aanmerkelijke schuld treft. Die vraag kan en mag alleen beantwoord worden aan de hand van de beoordeling van dat gedrag zelf en niet aan de hand van de gevolgen.

5

5.1
De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot vergoeding van materiële schade van € 6.572,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
5.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
5.3
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5.4
Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het hem te laste gelegde, is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk.

beslissing

6

- verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De rechtbank:

vrijspraak

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en mr. R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.

schadevergoeding