Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2020:1257

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 24-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2020:1257, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 07/015924/96


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 07/015924/96Datum uitspraak: 24 maart 2020
Beslissing

[betrokkene]

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ( [land] ),thans verblijvende te F.P.C. Pompestichting, LFPZ locatie te Zeeland,hierna te noemen: betrokkene.

ECLI:NL:RBOVE:2020:1257:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 07/015924/96Datum uitspraak: 24 maart 2020
Beslissing

[betrokkene]

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ( [land] ),thans verblijvende te F.P.C. Pompestichting, LFPZ locatie te Zeeland,hierna te noemen: betrokkene.
1

Betrokkene is bij vonnis van deze rechtbank van 18 februari 1997 ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, na bewezenverklaring van het misdrijf poging tot doodslag.

De terbeschikkingstelling is ingegaan op 5 maart 1997 en laatstelijk verlengd bij beslissing van deze rechtbank van 10 april 2018. Behoudens nadere voorziening eindigt de terbeschikkingstelling op 5 maart 2020.

2

De rechtbank heeft kennis genomen van de op grond van artikel 6:6:12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) overgelegde stukken, te weten:

-

het adviesrapport van F.P.C. Pompestichting (hierna: de kliniek) van 6 december 2019, opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , psychiater en directeur patiëntenzorg en [naam 2] , behandelcoördinator en GZ-psycholoog;

de pro Justitia rapportage van [naam 3] , psychiater, van 11 augustus 2019;

de pro Justitia rapportage van [naam 4] , psycholoog, van 9 augustus 2019;

een afschrift van de wettelijke aantekeningen over de periode van 6 augustus 2018 tot en met 6 augustus 2019.

3

Het Openbaar Ministerie heeft op 27 januari 2020, door de rechtbank ontvangen op 28 januari 2020, een vordering ingediend tot verlenging van bovenvermelde termijn met twee jaren.

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 10 maart 2020. De rechtbank heeft op de openbare terechtzitting gehoord:

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling met twee jaren.

Betrokkene en zijn raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat zij geen bezwaar hebben tegen verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling, mits de verlengingstermijn wordt beperkt tot een jaar. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat betrokkene graag enig perspectief zou willen. Betrokkene heeft inmiddels lange tijd in de TBS doorgebracht; dit voelt als een straf zonder vrijheid en toekomstperspectief. De laatste tijd heeft betrokkene het idee dat het beter gaat dan voorheen en een verlenging voor de duur van één jaar zou voor betrokkene voelen als een vorm van beloning.

-

betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.R. Stoeten, advocaat te Leeuwarden;

de officier van justitie, mr. M.H. de Weert;

[naam 2] , GZ-psycholoog, verbonden aan de kliniek, als deskundige.

overwegingen

4


De vordering is op 28 januari 2020 door de rechtbank ontvangen en derhalve tijdig ingediend.

De rechtbank dient op grond van het bepaalde in de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te bepalen of de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden verlengd.
De rechtbank neemt bij haar overwegingen het over betrokkene opgemaakt advies van de kliniek, de over betrokkene opgemaakte pro Justitia rapportages en de toelichting van de deskundige ter zitting in aanmerking.

Uit het rapport van de kliniek komt zakelijk weergegeven, onder meer het volgende naar voren. Betrokkene is een zeer kwetsbare man van [land] afkomst, lijdend aan schizofrenie en een (forse) bipolaire stemmingsstoornis. Vanuit zijn pathologie is betrokkene binnen instellingen diverse keren tot gewelddadige incidenten gekomen. Betrokkene heeft een longstay-status.

Betrokkene verblijft sinds 2011 in de LFPZ van de Pompestichting. De kernproblematiek is tot op heden onveranderbaar gebleven en jarenlange behandeling heeft tot onvoldoende vermindering van risicofactoren geleid. Het is gebleken dat de medicamenteuze behandeling slechts ten dele effect heeft op de aanwezige pathologie. Dagelijks wordt het functioneren van betrokkene beïnvloed door psychotische belevingen en wisselende stemmingen. De schizofrene stoornis als ook de stemmingsstoornis versterken elkaar. Er is een duidelijke samenhang tussen de gestelde psychiatrische stoornissen en het gestelde delictgevaar wat nog altijd actueel is. Aangezien het niet lukt om deze symptomen voldoende te behandelen is extern risicomanagement noodzakelijk, waarbij betrokkene zeer intensief begeleid wordt. Zelfs binnen de hoog beveiligde inrichting waar betrokkene verblijft kan hij de afgelopen jaren alleen zijn kamer verlaten wanneer hij één op één (soms twee op één) begeleid wordt. Hij blijft wisselend in het openheid kunnen geven over zijn denk- en belevingswereld en het ziekte-inzicht is zeer beperkt. Voortdurend extern toezicht, structurering en ondersteuning is dan ook nodig om ontregeling zoveel en zo snel mogelijk te ondervangen.

De prognose van betrokkene is volgens de kliniek onverminderd somber en de inschatting is dat hij de rest van zijn leven aangewezen zal zijn op externe begeleiding, ondersteuning en structurering. Dit vanwege de complexe pathologie van betrokkene, die slechts marginaal reageert op (medicamenteuze) behandeling. Of een verblijf op termijn ook mogelijk is in een kliniek met een lager beveiligingsniveau, is op dit moment lastig in te schatten. Gebleken is dat al bij een kleine uitbreiding van zijn programma, betrokkene fors kan ontregelen. De focus ligt vooralsnog op het zo stabiel mogelijk laten functioneren van betrokkene om zo de kans op acting-out gedrag onder controle te kunnen houden.

In de komende periode legt de kliniek de focus op het zo stabiel mogelijk houden van het psychiatrisch toestandsbeeld, met oog voor de kwaliteit van leven voor betrokkene. Naar aanleiding van zijn toestandsbeeld wordt gekeken wat mogelijk is aan uitbreiding van zijn programma in samenspraak met betrokkene.

Tijdens de behandeling is volgens de kliniek gebleken dat de complexe problematiek van betrokkene nauwelijks te beïnvloeden is, waardoor het recidiverisico nog altijd actueel is, zelfs binnen een intramurale setting, waar er sprake is van minimaal één op één begeleiding als betrokkene op de afdeling verblijft. Vanwege ontbrekend inzicht en vaardigheden om zelf verantwoordelijkheden te nemen voor zijn gedrag, is en blijft betrokkene volledig afhankelijk van extern toezicht zodat er op dit moment geen mogelijkheden worden gezien tot het aangaan van behandeling om het recidive-risico te verlagen. De TBS-maatregel wordt door de kliniek nog altijd als passend en noodzakelijk gezien ter zekerstelling van de maatschappelijke veiligheid en de kliniek adviseert gelet op het voorgaande de maatregel met dwangverpleging voor de duur van twee jaar te verlengen.

Het rapport van de psychiater houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in. Betrokkene heeft sinds bijna dertig jaar in meer of mindere mate klachten/symptomen van psychose, angst, depressie en manie. Hij is adequaat behandeld, maar er is helaas sprake van een partiële remissie van de symptomen en onder invloed van relatief kleine stressfactoren, al zijn die niet altijd aan te wijzen, decompenseert betrokkene psychotisch en qua stemming. Het huidige niveau van functioneren is volgens de psychiater maximaal haalbaar. Om dit niveau te handhaven is het huidige beveiligings- en zorgniveau noodzakelijk. Om in aanmerking te komen voor begeleid verlof zal betrokkene meer autonomie aan moeten kunnen. Binnen de huidige setting is het recidiverisico laag, maar als betrokkene snel stappen zou gaan zetten (wat gezien is toen hij manisch was) decompenseert hij psychotisch en is hij weer terug bij af. Zonder het huidige kader is het recidiverisico hoog. De psychiater geeft aan dat al enkele jaren een behandelplafond is bereikt, en dat het huidige beleid voortgezet dient te worden, met eventueel andere, aanvullende, medicatie. De psychiater geeft in overweging om een proefsessie EMDR met betrokkene te doen, wellicht in overleg met een tertiair psychotraumacentrum. De psychiater beoordeelt het risicomanagement van de kliniek als adequaat en hij stelt dat een hoog individueel beveiligingsniveau geïndiceerd zal blijven. Het advies van de psychiater is om de maatregel met twee jaar te verlengen.

Het rapport van de psycholoog houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in. Betrokkene is een zachtaardige man die in stabiele perioden niet geneigd is tot agressie. In periodes van ontregeling verliest hij de greep op zichzelf en kan hij – al dan niet in opdracht van stemmen – vanuit angst en achterdocht overgaan tot fysiek geweld. Deze ontregeling wortelt in zijn psychiatrische problematiek die helaas behandelresistent is gebleken. Complicerend bij betrokkene is dat ontregelingen in korte tijd kunnen ontstaan en tot onberekenbaar en gevaarlijk gedrag kunnen leiden. Dit heeft binnen het kader van de maatregel tot herhaalde recidive geleid. Het recidive gevaar is ondanks jarenlange behandeling en de coöperatieve opstelling van betrokkene onverminderd hoog als de beschermende context weg zou vallen. Dit geldt zowel voor de korte als de lange termijn. Betrokkene is volgens de psycholoog oprecht gemotiveerd geweld te voorkomen, maar heeft hierover in psychotische of eufore periodes geen controle. De achterdocht ligt dicht onder de oppervlakte, waardoor bij iedere kleine ontregeling het delictgevaar direct toeneemt. Ondanks zorgvuldig maatwerk van de kliniek is het de afgelopen jaren niet gelukt om de afzonderingsmaatregel af te bouwen en is betrokkene nooit langer dan vier uur zijn kamer uit. Betrokkene heeft periodes dat hij beter functioneert, maar die zijn kort en broos. Afschalen van het hoge beveiligingsniveau is onder deze omstandigheden niet verantwoord. Vooralsnog staat de begeleiding van betrokkene in het teken van het zo stabiel mogelijk functioneren, zonder nieuwe incidenten. De kliniek slaagt er (met intensieve begeleiding) goed in dit evenwicht te bewaren en de praktijk zal uitwijzen of betrokkene de komende jaren enige vooruitgang kan boeken, waardoor aan afschaling van het beveiligingsniveau zou kunnen worden gedacht. De psycholoog geeft op grond van het voorgaande het advies de maatregel met twee jaar te verlengen.

Ter zitting heeft de deskundige gemeld dat er ten opzichte van de schriftelijke rapportage geen wezenlijke veranderingen zijn. De laatste maanden is betrokkene redelijk stabiel. De suggestie van EMDR is uitvoerig besproken binnen de kliniek. Uiteindelijk was de conclusie dat EMDR voor betrokkene geen optie is, aangezien de klachten psychotisch van oorsprong zijn. In het geval van betrokkene is EMDR daardoor geen veilige behandeloptie.

Gelet op het hetgeen hierboven uiteen is gezet is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt verlengd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.

De rechtbank ziet onvoldoende grond voor een verlengingstermijn van één jaar, zoals door de raadsman van betrokkene is bepleit. De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat, indien aannemelijk is geworden dat de behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging met een jaar, de terbeschikkingstelling in beginsel verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren. De rechtbank stelt vast dat niet te verwachten is dat binnen een jaar gronden aanwezig zullen zijn die een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege rechtvaardigen, mede gelet op de informatie die volgt uit de diverse rapportages en de verklaring van de deskundige ter zitting.

De rechtbank begrijpt de wens van betrokkene om met een jaar te verlengen om enig perspectief te hebben, maar een verlenging van de terbeschikkingstelling met deze termijn zou bij betrokkene in dit geval ten onrechte de verwachting kunnen wekken dat er binnen het jaar gronden aanwezig zouden kunnen zijn die een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege mogelijk kunnen maken. De rechtbank acht hierbij met name van belang dat het recidiverisico buiten het huidige kader onverminderd hoog blijft en hoewel geprobeerd wordt de kwaliteit van leven voor betrokkene te verbeteren, heeft betrokkene de huidige beveiligende en begeleidende setting nog altijd nodig om delictvrij te blijven.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat de kliniek binnen de komende twee jaar geen mogelijkheden tot resocialisatie en behandeling van de risicofactoren ziet, zal de rechtbank de terbeschikkingstelling wederom met twee jaren verlengen.

beslissing

5

De rechtbank verlengt de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege van met .

Aldus gegeven door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. D.E. Schaap en mr. A.J. de Loor, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Ham-Kolk als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020.

De griffier is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.