Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2020:1245

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 26-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2020:1245, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08-760149-18 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08-760149-18 (P)Datum vonnis: 26 maart 2020
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1984 [geboorteplaats] ,wonende te [plaats] ,nu verblijvende in de P.I. Vught, BPG te Vught.

ECLI:NL:RBOVE:2020:1245:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08-760149-18 (P)Datum vonnis: 26 maart 2020
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1984 [geboorteplaats] ,wonende te [plaats] ,nu verblijvende in de P.I. Vught, BPG te Vught.
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 december 2018 en 12 maart 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Leusink-van Dijk en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. M.A. Prins, advocaat te 's-Hertogenbosch, naar voren is gebracht.
2

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte alleen of met een ander door middel van braak gereedschap uit een geparkeerde auto heeft gestolen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 12 september 2018 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, in/uit een aan de [adres 1] geparkeerd staande auto, gereedschap, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
3

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op de terechtzittingen van 11 december 2018 en 12 maart 2020 op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de tenlastegelegde diefstal, waarbij sprake was van braak en inklimming, samen met een ander heeft gepleegd. Dat volgt uit het feit dat de inbraak werd gezien door getuigen en volgt uit de omstandigheid dat verdachte kort na de inbraak werd aangetroffen in de nabijheid van bosjes waarin zich het gestolen gereedschap bevond. Daarnaast blijkt met name uit het door het NFI opgemaakte rapport dat het zeer waarschijnlijk is dat de op de kleding van verdachte aangetroffen glassplinters afkomstig zijn van een raam, van de bestelbus waaruit het gereedschap was gestolen.

4.2
Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman is verdachte, die bekendheid geniet onder de plaatselijke politie en daarom al op voorhand verdacht is, zonder wettige bewijsmiddelen en dus ten onrechte voor het onderhavige feit aangehouden. De vrouwelijke getuige heeft het over een kleiner persoon dan verdachte en geeft ook overigens een vaag signalement. De mannelijke getuige heeft herhaald wat de vrouw heeft gezien. Wanneer naar aanleiding van dit incorrecte en onvolledige signalement de politie gaat zoeken, zien zij verdachte fietsen. De politie vindt verderop in de bosjes gestolen gereedschap, maar heeft niet gezien door wie het gereedschap daar is neergelegd. Verdachte heeft een jas in de bosjes gevonden die hij aangetrokken heeft en waarop wat glasscherven worden gevonden. De glasscherven kunnen dus niet aan hem gelinkt worden. Daarbij biedt de kwalificatie van het NFI dat het “zeer waarschijnlijk” is dat het glas bij de bestelbus hoort waar is ingebroken, onvoldoende zekerheid. Gelet hierop moet verdachte van het feit worden vrijgesproken.

4.3
Het oordeel van de rechtbank
_5dc0e071-78d8-4fcd-bd89-4431f3cf95a3

- ongeveer 1.70 cm lang - normaal postuur - zwarte hoody met capuchon - zwarte broek. De persoon die achter de bus stond wordt als volgt omschreven:- zwarte hoody met capuchon - donkere broek- fietste op een fiets met rode krantenbezorgtassen.
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op 12 september 2018 verklaarde de getuige [getuige] , die aan de [adres 1] te Hengelo (O) woont, dat zij die dag omstreeks 02:38 uur een harde knal hoorde. Zij liep daarop naar het balkon van haar woning, keek naar buiten en zag een witte bus in een parkeervak staan. Zij verklaarde verder dat zij zag dat er een persoon door de achterruit hing van de bus terwijl de benen er nog uitstaken; er stond achter de bus nog een persoon. Zij belde 112 en zag vervolgens dat de beide personen hard weg renden in de richting van de [adres 2] . Zij vroeg haar man aan de andere kant uit het raam te kijken; hij zag vervolgens twee personen wegfietsen in de richting van de [adres 3] en zag dat zij linksaf de [adres 3] op gingen. De persoon die half in de bus hing wordt door de getuige als volgt beschreven:
[slachtoffer 1] deed mede namens [slachtoffer 2] aangifte van inbraak in zijn bestelbus die, tussen 11 september 2018 ’s-avonds en de volgende ochtend 12 september 2018, afgesloten aan de [adres 1] te Hengelo (O) stond. De achterruit van de bus was volgens aangever ingeslagen – er lag veel glas op de grond – en er was een DeWalt gereedschapskist met gereedschap erin gestolen.

Naar aanleiding van de melding van getuige [getuige] voornoemd om 02.38 uur rijden politieagenten in hun surveillanceauto op 12 september 2018 direct naar de [adres 3] in Hengelo (O) en zien zij een persoon op een fiets met donkere kleding en een capuchon over zijn hoofd. Bij het zien van verbalisanten verhoogt de fietser zijn snelheid. Verbalisanten zetten met de auto de achtervolging in, verliezen hem korte tijd uit het zicht en gaan te voet verder. Bij een flat in de buurt is een bosperceel, waar zij een fiets aantreffen. Direct daarop houdt een andere verbalisant verdachte aan. Verdachte is op dat moment bezweet en buiten adem. Nadat verbalisanten daarna de route die verdachte zojuist had afgelegd nagaan, vinden zij de gestolen gereedschapskisten in de bosjes. Ook werd er een vers bandenspoor aangetroffen dat over het gras richting [adres 3] voerde. Tevens werd er in die bosjes een witte handschoen, een breekijzer, een bahco, een kniptang en een zwarte snelbinder gevonden. Op een van de gereedschapskisten werd glas aangetroffen.

Wanneer bij verdachte de transportboeien worden afgedaan en een verbalisant hem fouilleert, vallen er stukjes glas uit zijn kleding (sweater en joggingbroek). Overigens heeft verdachte noch destijds bij de politie noch ter terechtzitting van 11 december 2018 gesteld dat hij de jas die hij toen aanhad, in de bosjes had gevonden, zodat de rechtbank dit verweer als ongeloofwaardig terzijde legt.Die stukjes glas en de jas worden onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut. Twee hypothesen worden onderzocht, te weten: hypothese 1; één of meer van de onderzochte glassporen op de jas en de glassplinters die vielen uit de kleding van de verdachte zijn afkomstig van de gebroken ruit(en) van de bedrijfsbus. Hypothese 2: alle onderzochte glassporen op de jas en de glassplinters die vielen uit de kleding van de verdachte zijn afkomstig van (een) willekeurig andere ruit(en). Na uitvoerig onderzoek komt de deskundige tot de volgende conclusie: de bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 12 september 2018 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met één ander, uit een aan de [adres 1] geparkeerd staande auto, gereedschap, dat toebehoorde aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededadermisdrijf heeft/hebben verschaft en/ofheeft/, verbreking
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf:diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
6

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7

7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het bewezen verklaarde feit de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar. Volgens de officier van justitie is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 38m, eerste lid, Sr aan de oplegging van de ISD-maatregel worden gesteld. De officier van justitie heeft er daarnaast op gewezen dat verdachte in deze zaak niet heeft willen meewerken aan de totstandkoming van een reclasseringsadvies of enig ander onderzoek naar zijn persoon. Alleen binnen het kader van een ISD-maatregel kan daarom mogelijk tot een plan van aanpak worden gekomen dat mogelijk tot gedragsverandering bij verdachte en in ieder geval tot bescherming van de maatschappij leidt.
7.2
Het standpunt van de verdediging

Nu verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 18 juni 2019, waarbij ISD was opgelegd, is het volgens de raadsman, nu dit hoger beroep nog loopt, niet zinvol om thans weer een ISD-maatregel op te leggen.

7.3
De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Bewezen is verklaard dat verdachte op 12 september 2018 samen met een ander een achterruit van een bestelauto heeft kapot gemaakt, naar binnen is geklommen en vervolgens gereedschap uit de bestelauto heeft gehaald en meegenomen. Bij het plegen van deze diefstal heeft verdachte zich laten leiden door zijn persoonlijke behoeften en geldelijke gewin en heeft hij laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Het plegen van dergelijke brutale autokraken leidt in het algemeen tot schade, overlast en grote ergernis bij slachtoffers. Ook in deze zaak is aanzienlijke schade geleden, aangezien verdachte met een ander de achterruit van de bestelbus heeft vernield en gereedschap heeft weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat de brutale en onverschillige wijze waarop verdachte bij de autokraak te werk is gegaan hem mede valt aan te rekenen. Dat klemt te meer nu verdachte vaker voor vermogensdelicten is veroordeeld tot onder meer onvoorwaardelijke gevangenisstraffen, maar dat hij zich blijkbaar niets aantrekt van de in die straffen besloten liggende waarschuwing.

De op te leggen straf of maatregel

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een hoog recidiverisico bij verdachte. Verschillende pogingen tot begeleiding hebben bij hem niet het gewenste effect gehad. Het opleggen van een (al dan niet deels voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf, biedt de maatschappij onvoldoende beveiliging tegen het strafbare handelen van de verdachte. Hoewel de door de reclassering geadviseerde ISD-maatregel als een uiterst middel moet worden beschouwd, dient vanuit het oogpunt van beveiliging toch te worden bekeken of de oplegging van een ISD-maatregel gerechtvaardigd en zinvol is.

De rechtbank realiseert zich dat verdachte eerder bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 18 juni 2019 (parketnummer 08-043019-19) is veroordeeld tot een ISD-maatregel. Tegen dit vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld: daarin is thans nog geen arrest gewezen en daarmee is het ongewis of in deze zaak de ISD maatregel bevestigd zal worden. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m Sr stelt aan het opleggen van een ISD-maatregel. Het bewezen verklaarde feit is een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan dit feit ten minste driemaal wegens een misdrijf veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, zijn de betreffende straffen of maatregelen – wat betreft het onvoorwaardelijke deel daarvan – geheel ten uitvoer gelegd en moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel.
Op 26 februari 2020 heeft de reclassering over verdachte gerapporteerd. Hij heeft niet met de reclassering willen praten of op andere wijze mee willen werken, zoals volgens rapporteur ook de afgelopen zes jaar het geval was. Rapporteur constateerde dat verdachte op 15 mei 2019 in de PI in Grave een delict pleegde en van de PI in Vught heeft hij vernomen dat verdachte meerdere keren drugs heeft ingevoerd en dat hij personeel heeft bedreigd en vernielingen in zijn cel heeft aangericht. Ook is er twee keer drugs op zijn cel gevonden. Het lukt verdachte schijnbaar niet – zo concludeert rapporteur - om zich in een gestructureerde omgeving als de PI te gedragen conform de regels van die PI. Om die reden zou verdachte inmiddels verblijven op de BPG (Beheers Problematische Gedetineerde-afdeling). In een eerdere adviesrapportage werd aangegeven dat het aannemelijk is dat de verdachte drugs gebruikt en die mening deelt de rapporteur nu de PI in Vught heeft laten weten dat op de cel van verdachte twee keer drugs is gevonden. Verder wordt door de reclassering vermoedt dat er bij verdachte sprake is van persoonlijkheids-problematiek en wellicht ook andere psychische stoornissen. Verdachte weigert echter ook om met gedragsdeskundigen in gesprek te treden, waardoor het hier ontbreekt aan harde informatie. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar nog steeds passend en geboden. Nu niet zeker is of het eerdere vonnis van 18 juni 2019 (parketnummer 08-043019-19) onherroepelijk zal worden verklaard zal de rechtbank deze maatregel opnieuw aan verdachte opleggen. Mocht het eerdere vonnis van 18 juni 2019 wel onherroepelijk worden verklaard dan zal bij de tenuitvoerlegging van dat vonnis deze uitspraak dienen te worden betrokken, ter voorkoming van de niet bedoelde situatie dat verdachte twee maal achtereenvolgens dezelfde maatregel dient te ondergaan.
8

8.1
De vordering van de benadeelde partij

- ruit vervangen € 259,99;- achterklep uitdeuken en spuiten € 700,--;- belettering aanbrengen € 250,--.
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.209,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
8.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij inclusief de wettelijke rente dient te worden toegewezen.

8.3
Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman is alleen de glasschade onderbouwd en komt uitsluitend die post voor vergoeding in aanmerking, terwijl de vordering overigens niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

8.4
Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit (mede) rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost van de glasschade is niet betwist en is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 259,99, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.De onder de posten “achterklep uitdeuken en spuiten ad € 700,-- en belettering aanbrengen ad € 250,--" opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.
De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5
De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op het artikel 38n Sr.

beslissing

10

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
- legt op aan verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de tijd van twee jaren;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] : van een bedrag van € 259,99 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september 2018) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;- legt de op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit en tot te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september 2018 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2] , voor een deel van € 950,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

strafbaarheid verdachte

maatregel

schadevergoeding

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. A.M. Rikken en mr. T.M. van Wanrooij, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2020.

Buiten staat

Mrs. Bos en Van Wanrooy zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
_5dc0e071-78d8-4fcd-bd89-4431f3cf95a3
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district Twente, met registratienummer PL0600-2018411410. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
_501cb2d7-3717-4221-9c79-092e51f74b46
2

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 12 september 2018 (pagina’s 8 en 9).

_65877eb5-c50a-4862-bd35-40c9a93dec9d
3

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 12 september 2018 (pagina’s 6 en 7).

_7a1cb79f-12b9-46b2-9718-ad0a118f8f18
4

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2018 (pagina’s 10 en 11). Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2018 (pagina’s 12 en 13). Proces-verbaal van aanhouding d.d. 12 september 2018 (pagina 22).

_1a23a705-ee53-4425-9317-d2f5c47b55ce
5

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 mei 2020 (separaat opgemaakt onder proces-verbaalnummer PL0600-2018411410-31).

_fe15c69b-cf9f-4c78-84b6-7b38822cd512
6

Rapport NFI d.d. 28 mei 2019.