Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2020:1234

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 23-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 24-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2020:1234, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08-952072-19 en 08-910031-19 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummers 08-952072-19 en 08-910031-19 (P)Datum vonnis: 24 maart 2020
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1996 in [geboorteplaats] ,nu verblijvende in P.I. Achterhoek te Zutphen.

ECLI:NL:RBOVE:2020:1234:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummers 08-952072-19 en 08-910031-19 (P)Datum vonnis: 24 maart 2020
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1996 in [geboorteplaats] ,nu verblijvende in P.I. Achterhoek te Zutphen.
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 25 juni 2019, 13 september 2019, 5 december 2019, 25 februari 2020 en van 10 maart 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.J.L. de Valk en van hetgeen door verdachte en diens raadslieden mr. E.G.S. Roethof en mr. R.J.H. Titahena, advocaten te Amsterdam, naar voren is gebracht.
2

1. al dan niet samen met anderen en al dan niet met voorbedachte rade:3. openlijk geweld heeft gepleegd; 4. al dan niet samen met anderen en al dan niet met voorbedachte rade:primair: heeft geprobeerd [slachtoffer 4] van het leven te beroven;subsidiair: [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;5. vuurwapens en daarvoor geschikte munitie voorhanden heeft gehad.
De verdenking komt er in de zaak met parketnummer 08-952072-19 - na toelating van de vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging op 5 december 2019 in de zin van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) -, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven;subsidiair: [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht en/of heeft geprobeerd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;2. [slachtoffer 3] en/of anderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;
De verdenking komt er in de zaak met parketnummer 08-910031-19, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte een bewaarder in P.I. De Karelskamp heeft bedreigd.

Voluit luidt de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 08-952072-19 dat:

1Primairhij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 2 februari 2019, te Beckum, gemeente Hengelo (O), in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een vuurwapen een of meerdere kogels heeft afgevuurd in een hal van uitspanning [uitspanning] , alwaar voornoemde perso(o)(n)(en) (en andere perso(o)n(en)) zich bevonden, waardoor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] door (een) kogel(s) werden geraakt en/of getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiairhij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 2 februari 2019, te Beckum, gemeente Hengelo (O), in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een buikwond met darmperforatie, heeft toegebracht door met een vuurwapen een of meerdere kogels af te vuren in een hal van uitspanning [uitspanning] , alwaar voornoemde persoon (en andere perso(o)n(en)) zich bevond(en), waardoor die [slachtoffer 1] door (een) kogel(s) werd geraakt en/of getroffen;
en/of

hij op of omstreeks 2 februari 2019, te Beckum, gemeente Hengelo (O), in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen een of meerdere kogels heeft afgevuurd in een hal van uitspanning [uitspanning] , waardoor die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] door (een) kogel(s) werden geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij op of omstreeks 2 februari 2019, te Beckum, gemeente Hengelo (O), in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] en/of een of meer (andere) bezoekers van de bruiloft in [uitspanning] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (in de hal) met een (scherp) vuurwapen een of meer schoten af te vuren in de richting van die [slachtoffer 3] en/of die andere bezoeker(s) en/of (vervolgens) (buiten op de parkeerplaats) meermalen met dat (scherpe) vuurwapen in de lucht te schieten;
3hij op of omstreeks 2 februari 2019 te Beckum, gemeente Hengelo (O), in ieder geval in Nederland, openlijk, te weten, (in de hal) van [uitspanning] en/of op de parkeerplaats bij [uitspanning] , in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer perso(o)n(en), te weten een of meer bezoekers van een bruiloft, door te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of de trappen tegen, althans in de richting van, die bezoekers;
4Primairhij op of omstreeks 6 juni 2018, te Almelo, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een vuurwapen meerdere kogels in het (boven)lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geschoten, althans die [slachtoffer 4] met een of meer kogels in het lichaam heeft getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiairhij op of omstreeks 6 juni 2018, te Almelo, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 4] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten (perforatie)letsel aan de lever en/of maag en/of holle lichaamsaders en/of dunne darm en/of een schotwond in de rug heeft toegebracht, door met een vuurwapen meerdere kogels in het (boven)lichaam van die [slachtoffer 4] te schieten, althans door die [slachtoffer 4] met een of meer kogels in het lichaam te treffen;
5hij op of omstreeks -6 juni 2018 te Almelo en/of -2 februari 2019 te Beckum, gemeente Hengelo (O), (telkens) een (vuur)wapen van categorie II en/of categorie III en/of munitie van categorie II en/of categorie III voorhanden heeft gehad. De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
Voluit luidt de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 08-910031-19 dat:

hij op of omstreeks 19 april 2019 en/of 26 april 2019 te Almelo, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 5] (werkzaam als bewaarder in PI De Karelskamp) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toe te voegen op of omstreeks 19 april 2019: "Ik kom je op straat wel tegen, ik pak je dan wel, ik weet wie je bent", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of op of omstreeks 26 april 2019, meermalen, althans eenmaal: "Over vier, vijf jaar kom ik een keer vrij en dan zie ik je wel op straat en dan zijn de gevolgen voor jou. Ik pak je dan wel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
3

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte had opzet, in elk geval in voorwaardelijke zin, op de dood van anderen. Een beroep op noodweer komt verdachte niet toe nu hij zelf de confrontatie heeft gezocht en bovendien niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het met scherp schieten in een hal vol met bruiloftsgasten kan voor deze bezoekers als bedreigend worden opgevat en is dat ook, zodat ook feit 2 - in ééndaadse samenloop met feit 1 - bewezen kan worden geacht. Ten aanzien van feit 3 volgt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat verdachte door te slaan, schoppen, stompen en trappen in vereniging met zijn medeverdachten geweld heeft gepleegd tegen bezoekers van de bruiloft op een publiek toegankelijke plaats, zodat ook dit feit kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 4 volgt uit de feiten en omstandigheden dat verdachte de schutter is geweest die [slachtoffer 4] van een korte afstand meermalen heeft beschoten, dat verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer 4] en dat er sprake was van voorbedachte raad, zodat poging tot moord wettig en overtuigend bewezen kan worden.Verder is vast komen te staan dat verdachte op 6 juni 2018 en op 2 februari 2019 verschillende scherpe vuurwapens en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad, zodat ook feit 5 in het geheel bewezen kan worden verklaard. Tenslotte concludeert de officier van justitie in de zaak met parketnummer 08-910031-19 tot een bewezenverklaring van de bedreiging van de bewaarder in de PI, meermalen gepleegd.Wat betreft de onderbouwing van dit standpunt wordt kortheidshalve verwezen naar hetgeen daaromtrent door de officier van justitie in zijn op schrift gestelde requisitoir is verwoord.
4.2
Het standpunt van de verdediging

- primair vrijspraak van feit 1, het bewijs voor voorbedachte raad, (voorwaardelijk) opzet op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt, dan wel- subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging voor feit 1 primair en subsidiair bij honorering van het verweer tot (putatief) noodweer(exces);- ontslag van alle rechtsvervolging voor feit 2, nu de noodweersituatie voortduurde;- ten aanzien van feit 3 primair nietigheid van de dagvaarding nu er geen sprake was van openlijk geweld, subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging nu ook ten aanzien van dat feit sprake was van (putatief) noodweer; - vrijspraak van feit 4 primair en subsidiair wegens onvoldoende bewijs;- partieel vrijspraak van feit 5 gelet op de voor feit 4 bepleite vrijspraak;- referte ten aanzien van feit 5, voor zover dat ziet op het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie van categorie II/III op 2 februari 2019;
De verdediging heeft - kort en zakelijk weergegeven – in de zaak met parketnummer 08-952072-19 bepleit:
en in de zaak met parketnummer 08-910031-19: vrijspraak.Wat betreft de onderbouwing van dit standpunt wordt kortheidshalve verwezen naar hetgeen daaromtrent in de pleitaantekeningen is verwoord.
4.3
Het oordeel van de rechtbank



Ten aanzien van parketnummer: 08-952072-19

Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 2 februari 2019 was er in [uitspanning] gevestigd aan de [adres] ( [plaats 1] ) een feest ter gelegenheid van het huwelijk van [bruidegom] en [bruid] . Rond 23.00 uur waren er nog ongeveer 200 gasten aanwezig. [oom] , een oom van de bruidegom, was dronken. Zijn broers [slachtoffer 2] , [broer 1] en [broer 2] spraken [oom] daarop aan, waarna [slachtoffer 2] in gesprek raakte met verdachte. Er ontstond een woordenwisseling en worsteling tussen deze twee waarbij [slachtoffer 2] verdachte in een soort houdgreep nam en beiden op de grond terecht kwamen. Ook anderen raakten bij de vechtpartij betrokken. Verdachte bekent op enig moment binnen geschoten te hebben. Ook buiten heeft hij geschoten. In totaal zijn er veertien hulzen gevonden waarvan drie binnen en elf buiten. In de hal zijn fragmenten van kogelpunten aangetroffen. In een damesschoen (schoen van mevrouw [slachtoffer 6] ) is een kogelpunt aangetroffen. Als gevolg van het schieten zijn drie bruiloftsgasten gewond geraakt, te weten: [slachtoffer 1] , 71 jaar oud (buikwond met darmperforatie), [slachtoffer 2] , 50 jaar (beenwond en na operatie weer naar huis) en [slachtoffer 3] (33 jaar, schampschot aan de rug, kon na behandeling weer naar huis).Verdachte is langere tijd onvindbaar geweest.
Verklaring verdachte ter terechtzitting op 25 februari 2020

Verdachte heeft op de zitting van 25 februari 2020 verklaard dat hij, kort nadat hij de bruiloft had verlaten, is teruggekomen om afscheid te nemen van zijn nicht en moeder. Bij binnenkomst kreeg hij ruzie met mannen in de hal. Op een bepaald moment werd hij op de grond gelegd en om de hals gepakt. Ook werd hij getrapt en geslagen terwijl hij op de grond lag. Hij heeft, liggend op zijn buik, uit een tasje dat hij bij zich had een vuurwapen gepakt, het vuurwapen doorgeladen, is erin geslaagd op zijn hurken te gaan zitten en heeft toen drie keer in de richting van de grond geschoten om zichzelf te bevrijden van zijn belagers. Hij wist niet dat hij iemand had geraakt, dat was ook niet zijn bedoeling. De kogels moeten op de tegels in de hal zijn afgeketst. Buiten heeft hij nog enkele malen in de lucht geschoten omdat hij bang was dat hij achtervolgd werd. Hij is samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weggereden in een door [medeverdachte 2] gehuurde auto.
Feit 1 (poging moord dan wel doodslag op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] )

Vrijspraak voorbedachte raad

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is nodig dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een van tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Er dient sprake te zijn geweest van kalm beraad en rustig overleg aan de kant van de verdachte.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte een vooropgezet plan had om personen van het leven te beroven en dat hij heeft geschoten na kalm beraad en rustig overleg. De rechtbank vindt aldus voorbedachte raad niet bewezen en spreekt verdachte vrij van dat bestanddeel.

Opzet

Vast staat dat verdachte op korte afstand met een vuurwapen meerdere kogels heeft afgevuurd in de hal van [uitspanning] . Op dat moment bevonden zich in die hal veel bruiloftsgasten. Als gevolg van het schieten door verdachte zijn drie personen door een kogel geraakt. Verdachte heeft verklaard dat hij in de richting van de grond heeft geschoten en dat de kogels op de tegels in de hal moeten zijn afgeketst. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door met een vuurwapen meermalen te schieten in een (relatief) kleine ruimte waar zich op dat moment veel personen bevonden, minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van drie aldaar aanwezige personen door directe of indirecte inwerking van kogels op het lichaam, te weten: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Deze personen zijn ook geraakt door kogels uit het vuurwapen van verdachte.
Het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , is wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 (bedreiging)

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling, is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar zou kunnen worden mishandeld. Voor een veroordeling is niet vereist dat komt vast te staan dat bij de bedreigde daadwerkelijk de vrees voor aantasting van de persoonlijke vrijheid is opgewekt. Voldoende is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat zij in het algemeen geschikt is de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. Verdachte heeft in de hal van [uitspanning] en op de parkeerplaats geschoten. Daardoor is er een bedreigende situatie ontstaan voor de in de hal en op de parkeerplaats aanwezige personen en met name voor [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] was zowel binnen als buiten getuige van het schieten en is zelf ook ternauwernood ontsnapt aan ernstig letsel als gevolg van een afgeschoten projectiel. Buiten is hij weggedoken achter een auto na het zien van het afvuren van de eerste twee schoten. Hoewel [slachtoffer 3] dat niet met zoveel woorden heeft verklaard, kan uit deze omstandigheden worden afgeleid dat deze situatie voor hem zeer bedreigend moet zijn geweest. Datzelfde geldt ook voor [getuige 1] , die buiten op de parkeerplaats bij [uitspanning] stond toen hij schoten binnen hoorde en vervolgens een persoon naar buiten zag rennen. [getuige 1] hoorde die persoon roepen: ‘Ik maak jullie allemaal dood’ of woorden van gelijke strekking. Hij zag dat die persoon een wapen omhoog hield en toen hoorde [getuige 1] zes of zeven knallen waarna hij is weggerend. De verklaringen van [slachtoffer 3] en [getuige 1] houden de redengevende feiten en omstandigheden in om te komen tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.
Feit 3 (openlijk geweld)

Uit het dossier volgt dat er in de hal een vechtpartij is ontstaan tussen verschillende personen onder wie verdachte, waarbij personen geweld hebben gebruikt en anderen geprobeerd hebben de vechtenden te scheiden. Uit de bewijsmiddelen kan onvoldoende worden afgeleid wat de rol van verdachtes mededaders tijdens de vechtpartij is geweest en dat verdachte aldus samen met anderen geweld heeft gebruikt tegen personen. Nu het dossier onvoldoende bewijs bevat dat er binnen door verdachte samen met anderen geweld is gepleegd en het dossier ook onvoldoende bewijs bevat voor het op de parkeerplaats samen met anderen geweld plegen, spreekt de rechtbank verdachte van dit feit vrij.

Feit 4 (poging moord dan wel doodslag op [slachtoffer 4] )

Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 6 juni 2018 om 20.43 uur kwam bij de meldkamer van de politie Twente de melding binnen dat er in het ziekenhuis ZGT, Zilvermeeuw 1 te Almelo, een man met schotwonden op de eerste hulp was binnengebracht. Het slachtoffer bleek [slachtoffer 4] te zijn. Uit de medische informatie blijkt dat het slachtoffer twee keer is geraakt in zijn bovenlichaam, te weten onder een tepel en in de rug. Eén kogelpunt kon uit het lichaam verwijderd worden en is aan de politie ten behoeve van sporenonderzoek overhandigd. De andere kogel kon niet uit de wervelkolom worden gehaald omdat dit een te groot risico vormde. In de letselrapportage van forensisch arts S.D. Mensink van de GGD-Twente d.d. 8 november 2018 concludeert deze onder meer dat het letsel dat het slachtoffer opliep met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot zijn overlijden had kunnen leiden. Het medisch ingrijpen was noodzakelijk om zijn overlijden te voorkomen.
Uit het onderzoek volgt dat het schietincident omstreeks 20.20 uur heeft plaatsgevonden aan de [straat 1] ter hoogte van nummer [nummer 1] en dat er meerdere personen bij betrokken zijn geweest die na het schietincident zijn gevlucht. Naar aanleiding van de afgelegde getuigenverklaringen van onder andere [getuige 2] en [getuige 3] zijn camerabeelden van kort na het schietincident veiliggesteld waarop de vermoedelijk vier betrokkenen bij de schietpartij en hun vluchtroute via respectievelijk de [straat 2] (camera bedrijf [bedrijf 2] ) en de [straat 3] (camera nummer 24) (deels) te zien zijn/is.

Verdachte is de schutter

Uit de bewijsmiddelen volgt dat voornoemde vier betrokkenen, twee aan twee, kort na het schietincident (20.20 uur) langs de camera aan de [straat 2] (20.20.32 uur) renden. De [straat 2] is direct achter de plaats delict gelegen. Twee van de vier personen zijn kort daarna op de beelden van de camera aan de [straat 3] (20.22.23 uur) te zien. Uit een vergelijking van persoon 2, te zien op de beelden van de camera aan de [straat 3] , met persoon 3, te zien op de beelden van de camera aan de [straat 2] , blijken diverse overeenkomsten zoals de korte broek met de twee merkjes, het donker kleurige T-shirt en de slippers met de witte strepen aan de bovenzijde. Op de bewegende beelden van de camera aan de [straat 3] lijkt het alsof deze persoon in het donkerblauwe shirt "iets” onder zijn shirt vasthoudt. Getuigen verklaren dat een van de twee personen een (zwarte) doek in zijn handen heeft.
Naar aanleiding van het tonen van bovengenoemde beelden herkenden meerdere verbalisanten de hiervoor genoemde persoon in korte broek, donker kleurig shirt en gestreepte slippers als zijnde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1996.

Aan het slachtoffer zijn twee foto’s getoond, te weten een foto van de persoon in korte broek, donker kleurig shirt en gestreepte slippers en een foto van verdachte die is gemaakt bij de inverzekeringstelling.

Het slachtoffer heeft verdachte voor 100% herkend van de foto van de camera als de door hem in zijn aangifte omschreven 20 tot 25 jarige mollige Turkse jongen van ongeveer 1.65 m met kort zwart haar die op hem heeft geschoten. Hij heeft verdachte ook herkend van de foto van de ID-staat van verdachte.

De rechtbank leidt uit voorgaande bewijsmiddelen, welke zijn uitgewerkt in de bijlage bij dit vonnis, af dat verdachte de persoon is die op het slachtoffer [slachtoffer 4] geschoten heeft.

Vrijspraak voorbedachte raad

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is nodig dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een van tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Er dient sprake te zijn geweest van kalm beraad en rustig overleg aan de kant van de verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte een vooropgezet plan had om het slachtoffer van het leven te beroven en dat hij heeft geschoten na kalm beraad en rustig overleg. Op grond van de bewijsmiddelen kan niet worden uitgesloten dat verdachte en het slachtoffer elkaar min of meer toevallig tegenkwamen en onenigheid kregen over iets dat eerder was voorgevallen, waarbij verdachte een vuurwapen heeft getrokken en, na daarmee eerst te hebben gedreigd, op het slachtoffer heeft geschoten. De rechtbank vindt aldus voorbedachte raad niet bewezen en spreekt verdachte vrij van dat bestanddeel.

Opzet

Uit de medische gegevens blijkt dat het slachtoffer twee keer is geraakt. Er was één inschotwond aan de voorzijde van het lichaam en één inschotwond aan de rugzijde. Het letsel dat het slachtoffer als gevolg hiervan heeft opgelopen had met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot zijn overlijden kunnen leiden. Medisch ingrijpen was noodzakelijk om zijn overlijden te voorkomen. Door vanaf een korte afstand met een vuurwapen meermalen op het bovenlichaam van het slachtoffer te schieten, heeft verdachte opzet gehad op diens dood.
De onder 4 primair ten laste gelegde poging tot doodslag is wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5 (voorhanden hebben vuurwapens en munitie)

Op grond van het onderzoek aan patroonhulzen naar aanleiding van het incident op 2 februari 2019 is door de forensische recherche geconcludeerd dat deze hulzen van het merk blazer, type 9 mm Luger zijn en dat geschoten is met een semi-automatisch pistool, van het merk Glock of met een pistool van het merk Smith & Wesson. Genoemde semi-automatische pistolen zijn voorzien van sluitveren en behoeven enige kracht om de slede naar achter te bewegen om een patroon in de kamer te brengen. Als een patroon zich in de kamer bevindt, is het wapen "vuur gereed" en kan door de trekker naar achter te bewegen een schot worden afgevuurd. Het is nagenoeg onmogelijk om de slede van bovenstaande wapens met één hand naar achteren te bewegen. Het wapen is niet gevonden.
Bekentenis

Het onder 5(vul de feitaanduidingen in) tenlastegelegde is, voor zover dat ziet op de pleegdatum van 2 februari 2019, door de verdachte op de zitting van 25 februari 2020 bekend, terwijl door of namens verdachte geen vrijspraak is bepleit. (vul de feitaanduidingen in)Feit 5, voor zover dat ziet op het op 2 februari 2019 voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III en de daarvoor geschikte munitie van categorie III is bewezen.Verdachte heeft bij de politie op 21 maart 2019 (pagina 839) en ter terechtzitting op 25 februari 2020 verklaard dat het een pistool was waarmee hij op 2 februari 2019 heeft geschoten.
Ontkenning

Verdachte ontkent dat hij op 6 juni 2018 [slachtoffer 4] heeft geschoten en daarmee dus ook dat hij op 6 juni 2018 een vuurwapen voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht een poging tot doodslag op [slachtoffer 4] door verdachte gepleegd, bewezen. Voor het bewijs van het op 6 juni 2018 voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III en de daarvoor geschikte munitie van categorie IIII bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen waaruit kan worden opgemaakt dat er uit het lichaam van het slachtoffer (uit de linkerflank) een kogelpunt is verwijderd. Deze kogelpunt is niet onderzocht terwijl er ook geen hulzen zijn aangetroffen op de plaats delict. Daarnaast is op 8 november 2018 door de forensisch arts S.D. Mensink van de GGD-Twente een letselinterpretatie opgemaakt waarin wordt geconcludeerd dat de letsels met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn ontstaan door schottrauma. Het wapen is ook niet gevonden.Op grond van het voorgaande in onderling verband en samenhang met de verklaring van slachtoffer [slachtoffer 4] op 21 juni 2018 (pagina 388) dat hij zag dat verdachte schoot met een klein zwart wapen, 6 mm, en voorts in aanmerking genomen hetgeen hiervoor omtrent het bewijs van de betrokkenheid van verdachte bij feit 4 is overwogen, kan het niet anders dan dat verdachte op 6 juni 2018 een vuurwapen van categorie III en de voor dat vuurwapen geschikte munitie voorhanden heeft gehad. Het onder 5 ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III en de daarvoor geschikte munitie van categorie III acht de rechtbank daarom ook ten aanzien van de pleegdatum 6 juni 2018 bewezen.
Ten aanzien van parketnummer: 08-910031-19

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van aangever [slachtoffer 5] . Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuigen. De ten laste gelegde bedreiging is wettig en overtuigend bewezen.

4.4
De bewezenverklaring

In de bijlage bij dit vonnis heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Op grond van de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummer 08-952072-19, onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 3] en een andere bezoeker van de bruiloft in [uitspanning] , de onder feit 4 primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 4] , het onder feit 5 tenlastegelegde voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, meermalen gepleegd, en de onder parketnummer 08-910031-19 ten laste gelegde bedreiging, meermalen gepleegd, heeft begaan met dien verstande dat:

parketnummer 08-952072-19

5.hij op 6 juni 2018 te Almelo en op 2 februari 2019 te Beckum, gemeente Hengelo (O), telkens een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.
parketnummer 08-910031-19

hij op 19 april 2019 en 26 april 2019 te Almelo, [slachtoffer 5] (werkzaam als bewaarder in PI De Karelskamp) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toe te voegen op 19 april 2019: "Ik kom je op straat wel tegen, ik pak je dan wel, ik weet wie je bent", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en op 26 april 2019, meermalen: "Over vier, vijf jaar kom ik een keer vrij en dan zie ik je wel op straat en dan zijn de gevolgen voor jou. Ik pak je dan wel".
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

1. primairhij op 2 februari 2019, te Beckum, gemeente Hengelo (O), (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd in een hal van [uitspanning] , alwaar voornoemde personen zich bevonden, waardoor die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] door kogels werden geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. hij op 2 februari 2019, te Beckum, gemeente Hengelo (O), [slachtoffer 3] en een andere bezoeker van de bruiloft in [uitspanning] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door in de hal met een vuurwapen een of meer schoten af te vuren in de richting van die [slachtoffer 3] en vervolgens buiten op de parkeerplaats meermalen met dat vuurwapen te schieten;
4. primairhij op 6 juni 2018, te Almelo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen meerdere kogels in het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5

- de rits van de tas waarin zich het vuurwapen bevond te openen (dit terwijl hij zelf bovenop de tas lag),- het vuurwapen eruit te halen;- het vuurwapen ongezien door te laden, terwijl verdachte stelt met het gebruik van vuurwapens niet bekend te zijn (anders dan dat hij hierover films heeft gezien);- zich op te richten en het vuurwapen drie keer af te vuren.
Noodweerverweer in verband met parketnummer 08-952072-19, feit 1 en feit 2

Het standpunt van de raadsman

Ter terechtzitting heeft de raadsman - overeenkomstig zijn pleitnota - betoogd dat de verdachte, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van het feit komen, ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op (putatief) noodweer toekomt. Kort samengevat komt de onderbouwing erop neer dat verdachte ernstig belaagd is en geen andere mogelijkheid meer had dan te schieten om zijn lijf te redden. Verdachte is zelf ook gewond geraakt.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit strafbaar is en dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen. Verdachte is de agressor geweest, waardoor hem geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt.
Verwerping verweer

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte betrokken is geraakt bij een woordenwisseling tussen de gebroeders [slachtoffer 2 + 3] en bij de daarop gevolgde worsteling op de grond terecht is gekomen. Uit de verklaringen volgt ook dat verdachte die ten tijde van de woordenwisseling met de gebroeders [slachtoffer 2 + 3] nota bene een geladen vuurwapen bij zich droeg, zich daarvóór ongevraagd heeft bemoeid met een onderonsje tussen de gebroeders [slachtoffer 2 + 3] . Verdachte heeft verklaard dat hij naar de grond werd gewerkt en dat hij daar in bedwang werd gehouden en dat zijn situatie zo benard werd dat hij geen andere uitweg meer zag dan de uitweg die hij gekozen heeft, namelijk het afvuren van een vuurwapen.

De rechtbank vindt het bestaan van een noodweersituatie niet aannemelijk geworden. Uit de eigen verklaring van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte toen hij in zijn beweerdelijke benarde positie verkeerde (waarbij hij naar eigen zeggen klem gehouden werd en geen enkele uitweg meer had) erin is geslaagd om
Dat verdachte tot deze handelingen in staat was impliceert dat hij wel degelijk de mogelijkheid had om te handelen en dat laat zich niet rijmen met de stelling dat verdachte zich in een zo benarde positie bevond dat redelijkerwijs geen ander handelen meer mogelijk was. Daar komt bij dat het verdachte zelf was die zich in deze situatie heeft gebracht (cfr. Hoge Raad 22-03-2016 ECLI:NL:HR:2016:456 (Overzichtsarrest noodweer(exces) m.n. rechtsoverweging 3.1.2)). Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat het feit, dat verdachte na zijn bemoeienis met het onderonsje tussen de gebroeders [slachtoffer 2 + 3] naar de grond is gewerkt en in bedwang gehouden werd door [slachtoffer 2] door het been van verdachte klem te zetten, niet een rechtvaardigingsgrond oplevert voor het gebruik van een vuurwapen dat hij - volgens zijn eigen verklaring - ten tijde van de belaging nog moest doorladen alvorens daarmee te kunnen schieten. De verklaringen door diverse getuigen afgelegd bij de rechter-commissaris maken dit niet anders. De rechtbank acht deze verklaringen onbetrouwbaar nu zich in het dossier ook een uitgewerkt afgeluisterd telefoongesprek tussen verdachte en zijn moeder bevindt, waarin verdachte zijn moeder vraagt getuigen mede te delen wat zij moeten zeggen. Daarbij komt ook nog eens dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat verdachte (ernstig) gewond is geraakt door het (vermeende) geweld dat anderen jegens hem zouden hebben aangewend. Verdachte heeft zich na dit schietincident ook langere tijd onvindbaar gemaakt. Nog daargelaten dat de feitelijke toedracht in de weg staat aan het beroep op noodweer zoals hiervoor is overwogen, zou het beroep op noodweer ook verworpen moeten worden nu niet aannemelijk is geworden dat in de gegeven omstandigheden voldaan is aan het voor een geslaagd beroep op noodweer in acht te nemen subsidiariteits- en proportionaliteitsvereiste.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van (vul de feitaanduidingen in)de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 285, 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en in artikel 26 van de Wet wapens en munitie (WWM). Het bewezenverklaarde levert op:

In de zaak met parketnummer: 08-952072-19

feit 1 primair het misdrijf: poging tot doodslag, meermalen gepleegd;
feit 2het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, meermalen gepleegd
feit 4het misdrijf: poging tot doodslag;
feit 5 het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, WWM , begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,
en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, WWM, meermalen gepleegd (munitie).

In de zaak met parketnummer 08-910031-19

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
6

Parketnummer: 08-952072-19, feit 1

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de reactie van de verdachte niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet, de overschrijding van die grenzen het rechtstreekse gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging. De verdachte werd belaagd door de groep mensen die op hem aan het slaan en schoppen waren terwijl hij op de grond lag. Omdat hij vreesde voor zijn leven, meende hij door angst ingegeven te moeten handelen zoals hij heeft gedaan, namelijk door meermalen te schieten in de richting van de grond. Die schrik werd veroorzaakt door de - dreigende - ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Daarmee komt hem een geslaagd beroep op noodweerexces toe.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte strafbaar is en dat het beroep op noodweerexces dient te worden verworpen omdat geen sprake was van een noodweersituatie.
Beoordeling

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder de strafbaarheid van het bewezenverklaarde met betrekking tot het beroep op noodweer is overwogen, is de rechtbank met betrekking tot het beroep op noodweerexces van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat dat beroep niet kan slagen.Het verweer wordt verworpen.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de onder 1 primair bewezenverklaarde poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

7

7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zake van de door hem bewezen geachte feiten veroordeling van verdachte gevorderd tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren met aftrek van de tijd die reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.
7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd inhoudende dat, onder verwijzing naar uitspraken in soortgelijke gevallen, in de onderhavige strafzaak een straf dient te volgen die aanzienlijk lager is dan door de officier van justitie is gevorderd.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.
Feit(vul de feitaanduidingen in)en waarop de straf is(vul de feitaanduidingen in) gebaseerd

Verdachte heeft zich in een periode van ruim een half jaar meermalen schuldig gemaakt aan zeer ernstige feiten waarbij hij met een vuurwapen geschoten heeft. Verdachte heeft vier personen verwond, waarbij in elk geval bij één van hen potentieel dodelijk letsel is vastgesteld. Ook [slachtoffer 1] is ernstig gewond geraakt. Verdachte deinst er niet voor terug zelfs tijdens een bruiloftsfeest een vuurwapen te trekken en daarmee te schieten in een hal vol met bruiloftsgasten. Het is een wonder dat er geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Met zijn handelen heeft verdachte aangetoond geen enkel respect te hebben voor andermans leven. De schietincidenten hebben grote impact gehad op alle betrokkenen. Verdachte heeft een bruiloft abrupt doen eindigen en gasten in vertwijfeling en geschokt achtergelaten. Ook het slachtoffer [slachtoffer 4] heeft nog dagelijks te maken met de gevolgen hiervan. Tot op de dag van vandaag ondervinden hij en ook het slachtoffer [slachtoffer 1] klachten, pijn, ongemak en onzekerheid over volledig herstel als gevolg van het door de schotwonden opgelopen letsel. Dergelijke gewelddadige feiten, gepleegd met een vuurwapen in de openbare ruimte respectievelijk op de openbare weg, hebben niet alleen ingrijpende gevolgen voor de betreffende slachtoffers en de getuigen daarvan, maar zij vergroten ook onrust en het algemene gevoel van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, door na het eerste schietincident naar [land] te vluchten en zich na het tweede schietincident onvindbaar te maken voor politie en justitie.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur.(vul de feitaanduidingen in)
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van27 mei 2019(vul de feitaanduidingen in), waaruit blijkt dat de verdachte (vul de feitaanduidingen in)niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het rapport van het Pieter Baan Centrum van 13 november 2019. Verdachte heeft niet meegewerkt aan het onderzoek. Verdachte maakt op de onderzoekers een (laag) gemiddeld intelligente indruk. Door het ontbreken van een diagnostische conclusie en een eventuele doorwerking hiervan in de ten laste gelegde feiten, kan geen aanbeveling worden gedaan voor een interventie van gedragskundige aard. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de inhoud van een rapport van Reclassering Nederland van 20 februari 2020(vul de feitaanduidingen in). Omdat verdachte onvoldoende meewerkte aan de onderzoeken heeft de rapporteur geen adequate inschatting kunnen maken van de kans op recidive en het risico op letselschade. (vul de feitaanduidingen in)
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een forse vrijheidsbenemende straf noodzakelijk is, niet alleen om recht te doen aan de ernst van de feiten en aan het leed dat de slachtoffers is aangedaan, maar ook om te benadrukken dat dergelijk handelen absoluut onaanvaardbaar is en ter bescherming van de maatschappij. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens verhoogt het risico op levensbedreigende geweldsdelicten. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens. Gelet op het bewezenverklaarde is verdachte bereid geweest vuurwapens daadwerkelijk te gebruiken en legt hij de lat voor het gebruik niet hoog, waarbij hij de onaanvaardbare risico’s voor willekeurige burgers van dit gebruik, op de koop toe genomen heeft. Verdachte neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen en werkt niet mee aan rapportages die zouden kunnen bijdragen aan het verkleinen van de recidivekans in de toekomst.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren dient te worden opgelegd, met aftrek van de tijd die reeds door hem in voorarrest is doorgebracht.


8

8.1
De vordering van de benadeelde partijen

Voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, hebben zich de hierna vermelde personen op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partijen vorderen vergoeding van schade en veroordeling van verdachte tot betaling van (telkens) na te melden bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het feit is gepleegd.
Feit 1

[slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 44.890,43 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Op de zitting van 25 februari 2020 heeft de raadsvrouw mr. M. Zanting, advocaat te Borne, de vordering mondeling gewijzigd, in die zin dat thans een totaalbedrag van € 44.285,26 wordt gevorderd en op de zitting van 10 maart 2020 is dat nogmaals nader toegelicht. In het overzicht dat als bijlage bij de vordering is gevoegd is uitgegaan van een opname in het ziekenhuis van 35 dagen terwijl dit 32 dagen had moeten zijn. Van het eerder gevorderde bedrag moet dus een bedrag van € 605,17 worden afgetrokken. Het totaal bedrag aan gevorderde materiële schade bedraagt € 19.285,26.Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 25.000,- gevorderd.Voor wat betreft de onderbouwing van de gevorderde kosten verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de bijlagen die bij de vordering zijn gevoegd.
[slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 10.508,69 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Het totaal bedrag aan gevorderde materiële schade bedraagt € 3.008,69.Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 7.500,- gevorderd.Voor wat betreft de onderbouwing van de gevorderde kosten verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de bijlagen die bij de vordering zijn gevoegd.
Feit 2 en feit 3

[slachtoffer 6]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 10.859,41 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Het totaal bedrag aan gevorderde materiële schade bedraagt € 5.859,41. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 5.000,- gevorderd.Voor wat betreft de onderbouwing van de gevorderde kosten verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de bijlagen die bij de vordering zijn gevoegd.
Feit 4

[slachtoffer 4]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 60.918,-. te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Als vergoeding van reis- en proceskosten wordt een bedrag van € 371,- gevorderd. Het totaal bedrag aan gevorderde materiële schade bedraagt € 918,-. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 60.000,- gevorderd. Op de zitting van 25 februari 2020 heeft de raadsvrouw mr. C.M. Sent, advocaat te Amsterdam, bij akte haar eis vermeerderd met € 50.000,- ex artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) op het punt van verlies van verdienvermogen. Voor wat betreft de onderbouwing van de gevorderde kosten verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de bijlagen die bij de vordering zijn gevoegd.
8.2
Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

[slachtoffer 1]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade toewijsbaar is. Het gevorderde bedrag voor vergoeding van vliegtickets naar Turkije is geen rechtstreekse schade die is geleden door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij dient ten aanzien van dit deel van de vordering en ook ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor toekomstige kosten, niet ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van vergoeding van mantelzorg.
[slachtoffer 2]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade toewijsbaar is. Ook voor het overige kan de vordering worden toegewezen waarbij de officier van justitie zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vergoeding voor huishoudelijke hulp.
Feit 2 en feit 3

[slachtoffer 6]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding voor materiële schade aan de schoenen kan worden toegewezen. Vergoeding van toekomstig verlies aan arbeidsvermogen kan op dit moment niet worden beoordeeld. De benadeelde partij moet in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Wegens vergoeding van immateriële schade kan het bedrag naar redelijkheid en billijkheid worden bepaald op een bedrag tussen € 500,- en € 1.000,- .
Feit 4

[slachtoffer 4]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade toewijsbaar is. Het in dit stadium reeds toekennen van toekomstige kosten is niet aan de orde. De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ter zake van vergoeding van immateriële schade, waarbij hij opmerkt dat het gevorderde bedrag van € 60.000,- aan de hoge kant is.
Wettelijke rente en maatregel 36f Sr

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de te vergoeden schadebedragen dienen te worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf de pleegdatum. De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.3
Het standpunt van de verdediging

Tenslotte verzoekt de verdediging de rechtbank gebruik te maken van haar recht om te matigen.
Feit 1, 2, 3 en 4

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)Kort samengevat heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat:
-

primair de vorderingen van de benadeelde partijen, gelet op de gevoerde verweren, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard,

subsidiair dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding is; de vorderingen zijn complex omdat er ook sprake is van eigen schuld,

meer subsidiair de vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn met stukken en de hoogte van de bedragen wordt betwist.

8.4
Het oordeel van de rechtbank

- kosten huishoudelijke hulp, € 9.269,- volgens specificatie. De vordering is voldoende onderbouwd en er is genoegzaam gebleken dat sprake is van causaal verband tussen het schadeveroorzakende feit en de schade. De vordering is op dit punt bovendien onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van benadeelde is niet gebleken; - eigen risico € 385,-, als zijnde onweersproken;- ziekenhuisdaggeldvergoeding € 960,-, als zijnde onweersproken;- fysiotherapie € 385,-. De gestelde elf behandelingen zijn voldoende onderbouwd, terwijl de vordering op dit punt onvoldoende gemotiveerd weersproken is; - parkeerkosten partner 32 x € 9,- per dag, totaal € 288,-, als zijnde voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd weersproken; - reiskosten (vrouw) controle € 117,79 plus reiskosten partner 32 dagen € 968,45;- smartegeld tot een bedrag van € 15.000,-, als zijnde voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd weersproken.
- overige reiskosten (familieleden): tegenover de gemotiveerde betwisting onvoldoende feitelijk onderbouwd; - reis Turkije: tegenover de gemotiveerde betwisting is het causale verband onvoldoende feitelijk onderbouwd;- sta-op stoel: in het licht van de gemotiveerde betwisting is de noodzaak alsmede de gestelde hoogte van de post onvoldoende feitelijk onderbouwd;- smartegeld voor zover meer gevorderd dan de toegewezen € 15.000,- gelet op de omstandigheid dat namens verdachte een beroep is gedaan op eigen schuld aan de zijde van benadeelde en de vraag naar het bestaan daarvan nader onderzoek vergt.
- huishoudelijke hulp 50% à € 1.180,-; - eigen risico € 385,-;- reiskosten € 3,69;- smartegeld tot een bedrag van € 2.500,-. De rechtbank heeft acht geslagen op vergelijkbare zaken en de schade van benadeelde op dit punt geschat. Deze posten zijn voldoende onderbouwd en niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken.
- huishoudelijke hulp, vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing, terwijl deze post gemotiveerd weersproken is; - kleding (€ 850,-), vanwege het ontbreken van een genoegzame onderbouwing terwijl deze post gemotiveerd weersproken is en- smartegeld voor zover meer gevorderd dan de toegewezen € 2.500,-, gelet op de omstandigheid dat namens verdachte een beroep is gedaan op eigen schuld aan de zijde van benadeelde en de vraag naar het bestaan daarvan nader onderzoek vergt.
- ziekenhuiskosten € 868,- (31 dagen opname);- communicatiekosten € 50,-;- proceskosten € 371,- ;- smartegeld tot een bedrag van € 25.000,-. De rechtbank heeft acht geslagen op vergelijkbare zaken en de schade van benadeelde op dit punt geschat, de benadeelde partij zal op dit punt voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
- de op grond van art. 130 Rv ingediende vordering van € 50.000,- op het punt van verlies van verdienvermogen; - toekomstige kosten (fysio, etc. eigen risico en toekomstige opnames, verlies van verdienvermogen).
[slachtoffer 6] , niet-ontvankelijk

De vordering van [slachtoffer 6] heeft betrekking op het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde. Nu ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde de bewezenverklaring niet ziet op bedreiging van mevr. [slachtoffer 6] terwijl verdachte bovendien de tenlastegelegde bedreigingen heeft ontkend en er bijgevolg ook geen sprake kan zijn van het als ad informandum meenemen van de vordering van de benadeelde partij (art. 361, tweede lid onder b Sv), zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Datzelfde geldt voor zover de vordering ziet op de onder feit 3 tenlastegelegde openlijke geweldpleging nu verdachte van dat feit wordt vrijgesproken en aan hem geen straf of maatregel wordt opgelegd. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Feit 1 en feit 4

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder feit 1 en feit 4 bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] (feit 1) en [slachtoffer 4] (feit 4).
Gelet daarop beoordeelt de rechtbank de vorderingen als volgt.

[slachtoffer 1]

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] wordt als volgt toegewezen:
De benadeelde partij [slachtoffer 1] zal ten aanzien van meer of anders gevorderde schadeposten ter vergoeding van materiële en immateriële schade niet ontvankelijk worden verklaard. Dit gaat om de posten:

Nader onderzoek naar de gegrondheid van dit deel van de vordering(maak een keuze) en de omvang van de gevorderde schade zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van(maak een keuze) de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering derhalve slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[slachtoffer 2] .

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] wordt als volgt toegewezen:
De benadeelde partij [slachtoffer 2] zal ten aanzien van de volgende posten niet ontvankelijk worden verklaard:

Nader onderzoek naar de gegrondheid van dat deel van de vordering (maak een keuze)en de omvang van de gevorderde schade zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van(maak een keuze) de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering derhalve slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[slachtoffer 4]

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] wordt op de volgende onderdelen, als zijnde voldoende onderbouwd en bij het ontbreken van een (voldoende gemotiveerde) betwisting, als volgt toegewezen:
De benadeelde partij [slachtoffer 4] zal ten aanzien van meer of anders gevorderde schadeposten ter vergoeding van materiële schade niet ontvankelijk worden verklaard nu deze posten tegenover de gemotiveerde betwisting, onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd, te weten:

Nader onderzoek naar de gegrondheid van dat deel van de vordering (maak een keuze)en de omvang van de gevorderde schade zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van(maak een keuze) de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering derhalve slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De wettelijke rente

Gevorderd is per benadeelde, het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag telkens wordt vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, zoals hieronder in het dictum is opgenomen.
De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
9

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde artikelen en op artikel 57 Sr en artikel 55 WWM.

10

- verklaart niet bewezen dat verdachte de onder parketnummer 08-952072-19, onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord, meermalen gepleegd, het onder 3 tenlastegelegde en de onder 4 ten laste gelegde poging tot moord heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart bewezen dat verdachte de onder parketnummer 08-952072-19 onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, meermalen gepleegd, de onder 2 tenlastegelegde bedreiging, meermalen gepleegd, de onder 4 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, het onder 5 ten laste gelegde meermalen gepleegd en het onder parketnummer 08-910031-19 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;- verklaart niet bewezen wat aan verdachte ten aanzien van de onder het vorige gedachtestreepje genoemde bewezenverklaarde feiten meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
- veroordeelt verdachte tot een voor de duur van - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1): van een bedrag van (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2019);- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;- legt de op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit tot te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 360 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervalle