Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2020:122

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 16-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2020:122, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08-952178-17 (P) en klaagschriftnummer 18/562


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-952178-17 (P) en klaagschriftnummer 18/562Datum vonnis: 16 januari 2020
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,wonende te [adres 1] .

ECLI:NL:RBOVE:2020:122:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-952178-17 (P) en klaagschriftnummer 18/562Datum vonnis: 16 januari 2020
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,wonende te [adres 1] .
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 juni 2017, 24 augustus 2017, 2 november 2017, 18 januari 2018, 10 april 2018, 24 april 2018, 6 november 2018, 8 november 2018 en 12 december 2019. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 9 januari 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Leusink en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. I.A. Groenendijk, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren is gebracht.

2

- heeft/hebben verdachte(n) zich voorzien van tiewraps en/of mokers en/een tas
- (vervolgens) heeft/hebben verdachte(n) door middel van het gebruik van (een) (zogenaamde) moker(s), althans door middel van het gebruik van (een) hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en) een of meer ruit(en) van de (achter)deur van voornoemde woning ingeslagen en/of

- (vervolgens) heeft/hebben verdachte(n) (daarbij) die [aangeefster] (met (zeer) veel kracht) (meermalen) in/op/tegen haar gezicht geslagen /gestompt,

- heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die andere perso(o)n(en) zich naar voornoemde woning begeven en/of

- (vervolgens) heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die andere perso(o)n(en) door middel van het gebruik van (een) (zogenaamde) moker(s), althans door middel van het gebruik van (een) hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en) een of meer ruit(en) van de

- (vervolgens) heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die andere perso(o)n(en) zich naar/in de slaapkamer van voornoemde [aangeefster] begeven en/of,

- (vervolgens) heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die andere perso(o)n(en) die [aangeefster] (met kracht) bij haar borstkas (vast)gegrepen en/of

- (vervolgens) heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die andere perso(o)n(en) (daarbij) die [aangeefster] (met (zeer) veel kracht) (meermalen) in/op/tegen haar gezicht geslagen/gestompt,

- mokers en/of kabelbinders aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die andere perso(o)n(en) te verschaffen en/of

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die andere perso(o)n(en) naar en/of van de afgesproken plek te vervoeren van waaruit men naar de woning van die [aangeefster] is vertrokken en/of

- zich verdekt heeft opgesteld onder de carport behorende bij de woning gelegen aan de [adres 3] en/of

- terwijl [aangever 1] zich in de richting van zijn auto begeeft, onder de carport vandaan is gekomen met een pistool in de hand en/of

- (vervolgens) op een afstand van hooguit enkele meters van die [aangever 1] het pistool gericht heeft gehouden op die [aangever 1] en daarbij heeft gezegd/geroepen:

- (vervolgens) tegen die [aangever 1] heeft gezegd/geroepen dat de tas met geld op de grond gezet moest worden en die [aangever 1] daarna achteruit moet gaan;

- zich verdekt heeft opgesteld onder de carport behorende bij de woning gelegen aan de [adres 3] en/of

- terwijl [aangever 1] zich in de richting van zijn auto begeeft, onder de carport vandaan is gekomen met een pistool in de hand en/of

- (vervolgens) op een afstand van hooguit enkele meters van die [aangever 1] het pistool gericht heeft gehouden op die [aangever 1] en daarbij heeft gezegd/geroepen:

- (vervolgens) tegen die [aangever 1] heeft gezegd/geroepen dat de tas met geld op de grond gezet moest worden en die [aangever 1] daarna achteruit moet gaan;

- zich verdekt heeft opgesteld onder de carport behorende bij de woning aan de [adres 3] en/of

- terwijl [aangever 1] zich in de richting van zijn auto begeeft, onder de carport vandaan komt met een pistool in de hand en/of

- (vervolgens) op een afstand van hooguit enkele meters van die [aangever 1] het pistool gericht heft gehouden op die [aangever 1] en daarbij heft gezegd/geroepen: “dit is een overval! Geld, geld, geld” en/of

- (vervolgens) tegen die [aangever 1] heeft gezegd/geroepen dat de tas met geld op de grond gezet moest worden en die [aangever 1] daarna achteruit moet gaan,

- dat die [aangever 1] in het bezit zou zijn van een groot geldbedrag en/of

- zich verdekt heeft opgesteld onder de carport behorende bij de woning aan de [adres 3] en/of

- terwijl [aangever 1] zich in de richting van zijn auto begeeft, onder de carport vandaan komt met een pistool in de hand en/of

- (vervolgens) op een afstand van hooguit enkele meters van die [aangever 1] het pistool gericht heft gehouden op die [aangever 1] en daarbij heft gezegd/geroepen:

- (vervolgens) tegen die [aangever 1] heeft gezegd/geroepen dat de tas met geld op de grond gezet moest worden en die [aangever 1] daarna achteruit moet gaan, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 02 februari 2017 tot en met 03 februari 2017 te Warnsveld, gemeente Zutphen, in elk geval in Nederland,

- dat die [aangever 1] in het bezit zou zijn van een groot geldbedrag en/of

De verdenking komt er, na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging van 2 november 2017 en na wijziging van de tenlastelegging van 6 november 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan:
feit 1 primair:

feit 1 subsidiair:

feit 2 primair:

feit 2 subsidiair:

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van (de nacht van) 30 januari 2017 tot en met (op) 31januari 2017, in de gemeente Raalte, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een woning, gelegen aan [adres 2] ) weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde

[aangeefster] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers:

(vervolgens) heeft/hebben verdachte(n) zich naar/in de slaapkamer van voornoemde [aangeefster] begeven en/of

(vervolgens) heeft/hebben verdachte(n) die [aangeefster] (met kracht) bij haar borstkas (vast)gegrepen en/of

SUBSIDIAIR,

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van (de nacht van) 30 januari 2017 tot en met (op) 31januari 2017, in de gemeente Raalte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen/geld, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of

voornoemde onbekende perso(o)n(en) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangeefster] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers:

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 29 januari 2017 tot en met 31januari 2017, in de gemeente Raalte en/of de gemeente Zutphen, in elk geval in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

-aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die andere perso(o)n(en)te vertellen dat er een groot geldbedrag in de woning lag van die [aangeefster] en/of

2:

hij op of omstreeks 03 februari 2017 te Warnsveld, gemeente Zutphen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg, ter hoogte van [adres 3] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

30.000,- euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om hij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

of zijn mededader

of

hij op of omstreeks 03 februari 2017 te Warnsveld, gemeente Zutphen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg ter hoogte van [adres 3] met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van 30.000,- euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte of zijn mededader

subsidiair:

een onbekend gebleven persoon op of omstreeks 03 februari 2017 te Warnsveld, gemeente Zutphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 30.000,- euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan 3. [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven persoon en/of zijn mededaders en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan andere deelnemers van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat de onbekende gebleven persoon:

of

(een) onbekend gebleven persoon op of omstreeks 03 februari 2017 te Warnsveld, gemeente Zutphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 30.000,- euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven persoon en/of zijn mededaders en/of aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat de onbekend gebleven persoon:

De rechtbank constateert dat in de wijziging van de tenlastelegging van 6 november 2018 achter de woorden “het onder 1 ten laste gelegde” het woord "primair" is weggevallen. De rechtbank zal dit woord inlezen.

naar voornoemde woning begeven en/ofterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid(achter) deur van voornoemde woning ingeslagen en/of -tegen die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die andere perso(o)n(en) te zeggen op welke locatie in de woning van die [aangeefster] gezocht moest worden;“dit is een overval! Geld, geld, geld” en/of“dit is een overval! Geld, geld, geld” en/ofbij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 02 februari 2017 tot en met 03 februari 2017 te Warnsveld, gemeente Zutphen, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door aan voornoemde onbekend gebleven persoon te vertellen:-hoe laat en op welke locatie die [aangever 1] met het grote geldbedrag naar buiten zou lopen vanuit zijn woning;“dit is een overval! Geld, geld, geld” en/ofopzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door aan voornoemde onbekend gebleven persoon te vertellen:-hoe laat en op welke locatie die [aangever 1] met het grote geldbedrag naar buiten zou lopen vanuit zijn woning.
3

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie integrale vrijspraak gevorderd. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat uit de belastende verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , de OVC gesprekken, het DNA van verdachte op de mokers en de historische verkeersgegevens van zijn telefoon kan worden afgeleid dat verdachte een essentiële rol bij de uitvoering van de woningoverval heeft gespeeld. De rol van verdachte bij de voorbereiding en verdere uitvoering van dit delict is zodanig geweest dat sprake is van medeplegen. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte de overval zelf heeft gepleegd.De herkenning van verdachte als de dader door aangever [aangever 1] is dubieus en verdachte bevond zich ten tijde van de overval zeer waarschijnlijk in Assen. De aanwijzingen in het dossier dat verdachte de tipgever van deze overval zou zijn worden niet concreet door andere bewijsmiddelen ondersteund, aldus de officier van justitie
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde integraal moet worden vrijgesproken omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe heeft zij ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De door medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen zijn onbetrouwbaar en kunnen daarom niet als bewijs worden gebezigd: zij zijn medeverdachten en zijn pas gaan verklaren naar aanleiding van de verklaringen van verdachte. Hun verklaringen zijn op elkaar afgestemd. Op grond van de overige bewijsmiddelen kan enkel worden vastgesteld dat verdachte mokers heeft aangeschaft en dat hij in de betreffende nacht naar Diepenveen heen en weer is gereden, zonder dat hij wetenschap van de (te plegen dan wel gepleegde) inbraak had. Gelet hierop is van medeplegen of medeplichtigheid geen sprake. Voor zover toch geoordeeld zou worden dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad dan is hoogstens sprake van medeplichtigheid aan diefstal aangezien opzet van verdachte op het geweld niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Verdachte is ten tijde van de overval op een darttoernooi in Assen geweest. De verdenking dat verdachte de overvaller zou zijn is enkel gebaseerd op de verklaring van aangever [aangever 1] , maar die heeft wisselende verklaringen over het signalement van deze overvaller afgelegd. Dat verdachte informatie aan de overvaller zou hebben verstrekt en op die wijze medeplichtig is geweest blijkt uit de dossierstukken onvoldoende.
4.3
Het oordeel van de rechtbank




Overweging met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank stelt op grond van de aangifte van [aangeefster] (verder: aangeefster), een haar betreffende letselbeschrijving, een beschrijving van camerabeelden rond de woning van aangeefster en de verklaringen van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het volgende vast.

Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn samen met twee andere – onbekend gebleven- personen in de nacht van zondag 29 januari 2017 op maandag 30 januari 2017 naar de woning van aangeefster aan [adres 2] te Raalte gegaan. Zij hadden een tas en twee mokers bij zich. Met deze mokers is een ruit van de woning ingeslagen, waarna medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en één van de onbekend gebleven personen de woning zijn binnengegaan op zoek naar geld. De inbraak is bij een poging tot diefstal gebleven aangezien er geen buit is gemaakt.

De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen voorts vast dat aangeefster tijdens de inbraak in haar slaapkamer is geconfronteerd met één persoon, die haar daar toen, terwijl zij in bed lag, heeft mishandeld door haar bij haar borstkas vast te grijpen en haar met kracht meermalen tegen het gezicht te stompen. Vaststaat dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en een derde persoon de woning zijn binnengegaan, maar welke van deze personen geweld tegen aangeefster heeft gepleegd kan bij gebreke van een duidelijk signalement op grond van de aangifte niet worden vastgesteld. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben ieder in hun verklaring ontkend zelf geweld te hebben gebruikt en wijzen de derde – onbekend gebleven – persoon aan als degene die het geweld tegen aangeefster heeft gepleegd. Het dossier bevat geen aanwijzingen voor het tegendeel, zodat van de juistheid van deze verklaringen moet worden uitgegaan.

Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn bij vonnissen van 22 november 2018 (parketnummers 08-952137-17en 08-953048-16) door de rechtbank voor poging tot diefstal met geweld veroordeeld.

De rechtbank ziet zich in onderhavige zaak voor de vraag gesteld of verdachte een strafbare rol bij deze poging tot diefstal met geweld heeft gehad en zo ja welke. Zij overweegt daaromtrent als volgt.

De rol van verdachte:

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft in zijn verhoor bij de politie op 7 april 2017, over de rol van verdachte, kort gezegd, verklaard dat verdachte hem op zaterdag 28 januari 2017 heeft gevraagd of hij mee wilde gaan om een inbraak te plegen, dat deze inbraak op zondag moest gaan gebeuren, dat er dan ook anderen waren.Verder heeft verdachte, volgens [medeverdachte 2] , tegen hem gezegd dat verdachte [medeverdachte 1] ook had gevraagd maar dat die nog twijfelde. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] moesten op zondag aan verdachte laten weten of zij het zouden doen, aldus [medeverdachte 2] .Zondagmiddag hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gezegd dat zij mee zouden gaan. Volgens [medeverdachte 2] heeft verdachte tegen hem gezegd dat de bewoners in Spanje met vakantie waren en dat in de woning een buffetkast met veel geld aanwezig was, minimaal een ton. Verdachte had [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] instructie gegeven om deze buffetkast op te tillen. In de wand achter de kast zou het geld verstopt zijn. [medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat verdachte zei dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die zondag 29 januari 2017 om 24:00 uur bij hem moesten zijn. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn toen bij verdachte in de auto gestapt en naar Deventer gereden. Daar hebben zij enige tijd gewacht tot drie andere personen arriveerden in een Volkswagen Golf. Deze personen hadden bivakmutsen op hun hoofd. Verdachte en één van de drie andere personen zijn in Deventer gebleven. Verdachte en deze andere persoon hadden alles geregeld. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn in het voertuig gestapt en – samen met twee andere personen – naar Raalte gereden. Daar hebben zij ingebroken en vervolgens zijn zij in hetzelfde voertuig teruggereden naar Diepenveen, waar het voertuig in brand is gestoken. Vervolgens zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met verdachte mee naar diens huis in Zutphen gereden, aldus [medeverdachte 2] .
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in zijn verhoor bij de politie op 18 mei 2017, over de rol van verdachte, kort gezegd, verklaard dat verdachte met (het plan voor) de overval bij [medeverdachte 2] is gekomen, dat [medeverdachte 2] vervolgens [medeverdachte 1] heeft gevraagd, dat [medeverdachte 1] op zondag heeft ingestemd en dat verdachte daar ook bij was. Verdachte zei dat er geen mensen thuis waren en gaf de instructie dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een raam moesten inslaan en een kast moesten weghalen. Hieronder zou een extra zijwand zitten met daarin een geldbedrag tussen de € 100.000,-- en € 200.000,--. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens bij verdachte in de auto gestapt en naar Deventer gereden. In de auto heeft verdachte hen ieder een moker gegeven. In Deventer stond een Mercedes met drie andere personen. Deze personen hadden mutsen op en handschoenen aan. [medeverdachte 1] zag verdachte als contactpersoon met hen. De buit zou achteraf met zijn zessen in de woning van verdachte worden verdeeld. In Deventer hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte enige tijd gewacht en met hun auto rondjes gereden, totdat de drie andere personen een Volkswagen Golf hadden gestolen. Op een gegeven moment zijn zij in Deventer naar een andere parkeerplaats gereden waar de Volkswagen Golf stond. Verdachte zei dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in deze Golf moesten stappen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn in het voertuig gestapt en – samen met twee andere personen – naar Raalte gereden. Daar hebben zij ingebroken en vervolgens zijn zij in hetzelfde voertuig teruggereden naar Diepenveen, waar het voertuig in brand is gestoken. Na een stukje lopen zagen zij verdachte en de bestuurder van de Mercedes. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een andere jongen zijn bij verdachte in de auto gestapt. De andere jongen is later naar de Mercedes overgestapt. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens met verdachte in de auto naar Zutphen gereden. Na een tussenstop bij de woning van ene [naam 1] zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de woning van verdachte gegaan. Daar kreeg [medeverdachte 1] een doekje voor zijn bloedende knie, aldus de verklaring van [medeverdachte 1] .
Verdachte heeft in zijn verklaringen bij de politie en ter terechtzitting iedere betrokkenheid bij de inbraak in Raalte ontkend. Hij heeft, kort gezegd, verklaard dat [naam 2] hem had gevraagd om 2 mokers en tiewraps te kopen omdat [naam 2] ging verbouwen en iets moest ophangen. Verdachte heeft deze mokers en tiewraps op 29 januari 2017 om 16:51 uur bij de [bouwmarkt] in Zutphen gekocht en aan [naam 2] gegeven. Verdachte is die zondag 29 januari 2017 om 24:00 uur alleen naar Deventer gereden om wat te eten. Later in de nacht belde [naam 2] dat hij ergens bij Deventer met autopech stond en dat verdachte hem bij een benzinepomp bij Diepenveen moest komen ophalen. Verdachte is daar vervolgens heen gereden en heeft daar enige tijd gewacht. Vervolgens is terug naar huis gereden omdat hij [naam 2] niet heeft kunnen vinden. Verdachte ontkent dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] die nacht bij hem in de auto hebben gezeten.
Het verweer: onbetrouwbaarheid verklaringen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] :

De rechtbank geeft de verdediging toe dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] pas belastend over verdachte zijn gaan verklaren nadat verdachte een belastende verklaring over hen heeft afgelegd. Daarom valt niet uit te sluiten dat de door hen afgelegde verklaringen over de rol die verdachte had negatief zijn beïnvloed. Mede gelet hierop heeft de rechtbank met de nodige voorzichtigheid naar de door hen afgelegde verklaringen gekeken en de door hen afgelegde verklaringen enkel voor het bewijs gebruikt voor zover deze worden ondersteund door objectieve aanknopingspunten dan wel de verklaringen van verdachte zelf of zijn partner, getuige [getuige 1] . De rechtbank heeft hierbij de historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte mede in aanmerking genomen.
Beoordeling:

Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben beiden verklaard dat verdachte hen op 30 januari 2017 rond 00:00 uur van Zutphen naar Deventer heeft gebracht alwaar zij op een afgesproken plek de drie andere personen, die voorzien waren van bivakmutsen, hebben ontmoet. Deze verklaringen worden ondersteund door de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van verdachte waaruit blijkt dat deze telefoon op 30 januari 2017 om 00:23 uur een telefoonmast aan de [adres 7] te Gorssel heeft aangestraald, zijnde een plaats tussen Zutphen en Deventer. De verklaring die verdachte hiervoor ter terechtzitting heeft gegeven, namelijk dat hij ’s nachts alleen naar Deventer is gereden om daar een broodje te gaan eten, acht de rechtbank in het licht van overige bewijsmiddelen, mede gezien het gegeven dat verdachte hier eerst ter terechtzitting over verklaarde, ongeloofwaardig.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte in de auto mokers aan hem en medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gegeven. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van verdachte zelf, die heeft verklaard dat hij op 29 januari 2017, op verzoek van [naam 2] , om 16:51 uur twee mokers bij de [bouwmarkt] in Zutphen heeft gekocht. De verklaring van verdachte, dat hij deze mokers aan [naam 2] heeft gegeven omdat hij zou moeten verbouwen, is in tegenspraak met de verklaring van verdachte dat hij zich onder druk gezet voelde om de mokers te kopen, en acht de rechtbank ook verder niet aannemelijk geworden. Voor de juistheid van deze bewering bevat het dossier geen enkel steunbewijs.
Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben verklaard dat zij na de inbraak naar Diepenveen zijn gereden, waar de vluchtauto in brand is gestoken, en dat verdachte hen vervolgens met zijn auto naar Zutphen heeft gebracht. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat op 30 januari 2017 omstreeks 3.30 uur aan [adres 19] te Diepenveen twee brandende voertuigen zijn aangetroffen, waaronder een Volkswagen Golf. Dit tijdstip correspondeert met de historische gegevens van de mobiele telefoon van verdachte die om 3.11 uur een telefoonmast aan [adres 4] te Diepenveen heeft aangestraald. De verklaring die verdachte hiervoor ter terechtzitting heeft gegeven, namelijk dat [naam 2] hem had gebeld dat hij met autopech in Diepenveen stond, en dat verdachte daar die nacht naar toe is gereden maar [naam 2] toen niet heeft gevonden, acht de rechtbank in het licht van overige bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden.
Verder hebben medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verklaard dat zij, nadat zij door verdachte naar Zutphen waren gebracht, nog in de woning van verdachte zijn geweest. Deze verklaringen worden ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] , de partner van verdachte, die heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die nacht in haar en verdachtes woning zijn geweest en dat hun verwondingen daar door haar zijn verbonden.

Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank als vaststaande feiten aan dat verdachte mokers aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft verschaft, dat verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de afgesproken plek heeft vervoerd van waaruit de overvallers naar de woning van aangeefster [aangeefster] zijn vertrokken en dat verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] na de overval ook weer heeft opgehaald bij de plek waar de auto in brand was gestoken. Voor alle redengevende feiten en omstandigheden die tot deze slotsom leiden heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven die de redengevendheid zou kunnen ontzenuwen.
De overige in de tenlastelegging opgesomde feitelijkheden acht de rechtbank, bij gebrek aan steunbewijs buiten de enkele verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , niet overtuigend bewezen.

Voor wat betreft de vraag hoe het aandeel van verdachte in het geheel der gebeurtenissen moet worden gekwalificeerd, geldt het volgende.

Medeplegen:

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden , bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Zoals hiervoor overwogen leidt de rechtbank uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting af dat verdachte de mokers aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft verschaft, dat hij hen naar de afgesproken plek heeft vervoerd van waaruit de overvallers naar de woning van aangeefster [aangeefster] zijn vertrokken en dat hij verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] na de overval ook weer heeft opgehaald bij de plek waar de auto in brand was gestoken.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan het onder 1 ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. De grotere initiërende en leidende rol die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in hun verklaringen aan verdachte toedichten, wordt, behalve door hun verklaringen, niet door enig bewijs ondersteund. De rechtbank laat hun verklaringen, vanwege de hiervoor genoemde te betrachten terughoudendheid, in zoverre buiten beschouwing, waardoor naar het oordeel van de rechtbank verdachte’s afwezigheid bij de uitvoering niet zodanig gecompenseerd wordt door diens rol in de voorbereiding dat van medeplegen kan worden gesproken. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid.

Medeplichtigheid:

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict).
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn/verschaffen van gelegenheid en middelen als (voorwaardelijk) opzet op het hier het ten laste gelegde gronddelict, te weten poging tot diefstal, met geweld, in vereniging.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het gezamenlijke plan van verdachte en medeverdachten was gericht op het plegen van een woninginbraak in de nacht van zondag 29 januari 2017 op maandag 30 januari 2017.De rechtbank overweegt dat de kans dat een bewoner 's nachts in zijn of haar woning aanwezig is, in het algemeen zeer groot is. Daaruit volgt dat de kans dat bij een inbraak in een woning in de nachtelijke uren een confrontatie met die bewoner zal plaatsvinden en zal uitmonden in het gebruik van enig geweld naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is. De kans dat een dergelijke confrontatie in geweld eindigt, wordt bovendien nog verhoogd wanneer de inbreker onder invloed van alcohol en/of drugs de woning betreedt, zoals medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] beiden hebben gedaan. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] blijkt dat hij ‘behoorlijk in de olie was geraakt’ en uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat hij cocaïne had gesnoven. Dit moet voor verdachte tijdens het de autorit kenbaar zijn geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het gezamenlijke plan om – met drie personen, waarvan twee met een moker in de hand ’s nachts in te breken in een woning een zeer waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag dat een confrontatie met de bewoner zou plaatsvinden en dat die zou uitmonden in het gebruik van enig geweld tegen die bewoner. Een niet op juistheid geverifieerde bewering dat één van de mededaders zou hebben gezegd dat de bewoners niet thuis zouden zijn, omdat deze in Spanje zouden zitten, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte van dit plan heeft geweten. Hij heeft immers zelf de mokers verschaft en in de nacht van de overval aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verstrekt. De rechtbank neemt voorts als vaststaand aan dat voorafgaand en tijdens de rit naar Deventer door verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is gesproken over de te plegen overval. Vanwege de te betrachten terughoudendheid bij het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] neemt de rechtbank slechts niet als vaststaand aan dat verdachte daarbij een initiërende en leidende rol heeft gespeeld.
Niet is gebleken dat verdachte en zijn medeverdachten onderzoek hebben gedaan of de bewoner daadwerkelijk niet thuis was en niet is gebleken waarop het lichtvaardige vermoeden van verdachte de bewoners niet thuis waren op is gebaseerd. Ook is niet gebleken van nadere afspraken om geweld te voorkomen. Dit getuigt van een grote mate van onverschilligheid ten aanzien van de kans dat zich een gewelddadige confrontatie zal voordoen en impliceert dat een dergelijke gewelddadige confrontatie ook door verdachte “op de koop toe werd genomen”.
Uit de bewijsmiddelen volgt daarmee dat de medeverdachten onder invloed van middelen samen in de nachtelijke uren naar de woning van aangeefster zijn gegaan, dat zij met fors geweld met mokers een ruit hebben ingeslagen en dat zij vervolgens de woning zijn binnengegaan. Verdachte heeft hen mokers verschaft en heeft hen in zijn auto vervoerd.

De rechtbank leidt uit voornoemde omstandigheden af dat verdachte zich niet alleen bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans op een confrontatie met de bewoonster waarbij geweld zou worden toegepast, maar dat hij die kans door aldus te handelen ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet niet slechts op de inbraak, maar mede op het plegen van geweld gericht was en dat hij als medeplichtige kan worden aangemerkt ten aanzien van de door één van de mededaders gepleegde geweldshandelingen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit als na te melden wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het in onder 2 ten laste gelegde feit:

Aangever [aangever 1] heeft aangifte gedaan dat hij op vrijdag 3 februari 2017 door een man met een pistool is beroofd van een tasje waarin twee enveloppen met in totaal € 30.000,-- handelsgeld zat. Aangever heeft op 3 februari 2017 verklaard dat hij die dag om 6:35 uur zijn woning aan de [adres 3] heeft verlaten en dat er, toen hij in de richting van zijn voor de deur geparkeerde auto liep, een persoon achter een kast onder de carport vandaan kwam. Deze persoon richtte een pistool op hem en zei: “Dit is een overval. Geld, geld, geld., op de grond”. Aangever heeft hierop het tasje op de grond gelegd. De overvaller heeft het tasje doorzocht en is hiermee weggerend. Aangever is nog achter de overvaller aangerend maar kon hem niet bijhouden. Aangever beschreef de overvaller als een persoon van ongeveer 1.85 meter lang met een dun, mager postuur. De overvaller liep houterig en was naar schatting tussen de 30 en 35 jaar oud. Aangever kon de handen en het gezicht van de overvaller niet zien omdat deze met iets waren bedekt.
Op 6 februari 2017 heeft aangever bij de politie verklaard dat hij de overvaller aan zijn doen en laten, en zijn verdraaide stem, heeft herkend als verdachte (de neef van aangever). Aangever heeft verder verklaard dat verdachte en diens vader [naam 3] ( [naam 3] , de broer van aangever) als enigen wisten dat aangever op 3 februari 2017 zijn woning ’s- ochtends vroeg met dit geldbedrag zou verlaten.
Op 8 februari 2017 heeft de politie een anonieme brief ontvangen waarin staat dat verdachte de overval in Warnsveld heeft gepleegd.

Op 8 februari 2017 heeft aangever in zijn verhoor verklaard dat verdachte en zijn vader op 1 februari 2017 met hem naar Duitsland zijn geweest, dat toen is afgesproken dat zij op 3 februari 2017 omstreeks 6:30 uur weer zouden vertrekken en dat toen ook over het geldbedrag van € 30.000,-- is gesproken dat aangever die ochtend zou meenemen. Aangever heeft in dit verhoor verder verklaard dat verdachte eruit ziet als hoe hij de dader heeft omgeschreven. Aangever beschreef de overvaller in dit verhoor als lang, rond de 1.95 á 2 meter, rond de 110 kilo en een breed postuur.
Getuige [getuige 2] heeft in haar verhoor op 23 maart 2017 verklaard dat zij van haar vriendin [getuige 3] heeft gehoord dat [getuige 3] van haar man [getuige 4] heeft gehoord dat verdachte de opdracht tot het plegen van de overval had gegeven. Getuige [getuige 3] heeft in haar verhoor op 23 maart 2017 verklaard dat zij van haar vriend [getuige 4] van mensen uit Zutphen heeft gehoord dat verdachte opdracht heeft gegeven om de overval te plegen. Getuige [getuige 4] heeft tijdens zijn verhoor op 1 maart 2017 bij de politie verklaard dat hij van niets weet.
Op 24 april 2017 zijn gesprekken die tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en zijn familie zijn gevoerd in de PI de Marwei te Leeuwarden opgenomen met behulp van een Opname Vertrouwelijke Communicatie (OVC).In één van deze gesprekken heeft medeverdachte [medeverdachte 2] onder meer verklaard: “”. Naar aanleiding van een opmerking van zijn zwager [naam 4] heeft medeverdachte [medeverdachte 2] in één van deze gesprekken verder verklaard: “” (…).
Verdachte heeft van aanvang af ontkend dat hij bij deze beroving betrokken is geweest. Hij heeft verklaard dat hij op het moment van de beroving op een darttoernooi in Assen was en dat hij ook nooit iemand heeft benaderd om deze beroving te plegen

Getuige [getuige 5] heeft in zijn verhoor op 30 maart 2017 verklaard dat verdachte op donderdag met eigen vervoer in Assen is aangekomen, dat verdachte vrijdag met de rest van de jongens in een busje naar het darttoernooi in Assen is gegaan en dat verdachte op zaterdagochtend nog wel weg is geweest.

Het oordeel van de rechtbank:

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen objectieve aanknopingspunten (zoals bijvoorbeeld forensisch bewijs) bevat aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die de overval heeft gepleegd.
Het bewijs dat verdachte op de plaats delict aanwezig is geweest steunt enkel op de verklaring die aangever [aangever 1] heeft afgelegd en diens herkenning van verdachte.Met deze verklaringen dient echter behoedzaam te worden omgegaan omdat aangever wisselende verklaringen heeft afgelegd over het signalement van de overvaller waarvan hij het gezicht niet heeft gezien. Bovendien was het donker. Hierdoor is de identificatie van verdachte naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betrouwbaar, temeer nu niet valt uit te sluiten dat aangever verdachte heeft herkend op basis van andere omstandigheden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte de persoon is geweest die de overval zelf heeft gepleegd.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte nauw en bewust met de onbekende pleger van de overval heeft samengewerkt dan wel aan deze overval op enige wijze medeplichtig is geweest. Ook deze vragen moeten ontkennend worden beantwoord. Op grond van de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld wat de rol van de verdachte bij de overval is geweest en of verdachte daarbij een rol heeft gehadDat een aantal getuigen zeggen te hebben gehoord dat verdachte tipgever van de overval is geweest kan niet tot een bewezenverklaring leiden, omdat de uiteindelijke bron van deze beweringen onbekend is gebleven terwijl er evenmin concreet steunbewijs voor deze beweringen voorhanden is. Het dossier bevat met andere woorden onvoldoende aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling dat de verdachte daar op enigerlei wijze een strafbare rol in heeft gespeeld. Daarbij komt dat verdachte een alibi heeft gegeven, dat door een getuige wordt ondersteund..
De rechtbank komt gelet op het hiervoor overwogene tot een integrale vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.

4.5
De bewezenverklaring

1. subsidiair:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of meerdere onbekend gebleven personen in de periode van 30 januari 2017, in de gemeente Raalte, tezamen en in vereniging, ter uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld, toebehorende aan [aangeefster] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld tegen voornoemde [aangeefster] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken,

- zich naar voornoemde woning heeft/hebben begeven en

- door middel van het gebruik van mokers, een ruit van de deur van voornoemde woning heeft/hebben ingeslagen en

- zich naar de slaapkamer van voornoemde [aangeefster] heeft/hebben begeven en,

- die [aangeefster] bij haar borstkas heeft/hebben vastgegrepen en,

- die [aangeefster] met kracht meermalen tegen haar gezicht heeft/hebben gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 29 januari 2017 tot en met 31 januari 2017, in de gemeente Raalte en de gemeente Zutphen, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft door

- mokers aan die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te verschaffen en

- die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de afgesproken plek te vervoeren van waaruit men naar de woning van die [aangeefster] is vertrokken.

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:
Medeplichtigheid aan poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het onder 1 bewezen verklaarde feit.

7

7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en negen maanden met aftrek van voorlopige hechtenis.

7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om bij een eventuele veroordeling te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, alsmede een lange voorwaardelijke straf, eventueel aangevuld met een werkstraf. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op de omstandigheden dat hij zich heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden, dat verdachte het zeer ernstig vindt wat er is gebeurd en zwaar onder de indruk is van het gebezigde geweld. Voorts heeft de raadsvrouw erop gewezen dat verdachte de kleinste rol heeft gehad, dat het door verdachte ondergane elektronisch toezicht een vrijheidsbeperkende maatregel is en dat de voorgevel van zijn woonhuis er na zijn verhoor bij de rechter-commissaris met explosieven uit is geblazen.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een poging tot diefstal met geweld uit een woning, Dit betreft een ernstig misdrijf waarvoor in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige jaren op zijn plaats is. De nietsvermoedende, slapende bewoonster is overvallen midden in de nacht; haar is daarbij fors geweld is aangedaan. Door het handelen van de medeverdachten is de fysieke integriteit van het slachtoffer in ernstige mate geschonden. Daarnaast hebben de medeverdachten in de woning de inboedel in de woning vernield, hetgeen van weinig respect voor andermans eigendommen getuigt. Het behoeft geen betoog dat feiten als het onderhavige grote impact hebben op het psychisch welbevinden van slachtoffers, doordat het gevoel van veiligheid in de eigen woning ernstig wordt aangetast.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij de medeverdachten dit misdrijf heeft vergemakkelijkt door de medeverdachten mokers te verschaffen en hen te vervoeren. Verdachte heeft kennelijk gehandeld met uitsluitend eigen (financieel) gewin voor ogen, en zonder zich op dat moment rekenschap te geven van de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer. Door zijn handelen, het vervoer van de medeverdachten naar de plek vanaf waar zij richting de plaats delict konden gaan en het voorzien in hamers die gebruikt werden bij het misdrijf heeft hij zijn medeverdachten gefaciliteerd in de uitvoering van hun daad.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf verder gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 24 september 2018 waaruit onder meer blijk dat verdachte in het verleden meermaals onherroepelijk is veroordeeld, onder meer tot werkstraffen en onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor onder meer hennepteelt, mishandeling en bedreiging.

De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging verder rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de inhoud van de Pro Justitia rapportage d.d. 13 oktober 2017. In deze rapportage heeft de deskundige, mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog, geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van intellectuele capaciteiten op licht verstandelijk beperkt niveau. Er is geen ziekelijke stoornis van de geestvermogens en geen persoonlijkheidsproblematiek geconstateerd. Verdachte kan complexe situaties en de gevolgen van zijn handelen niet goed overzien.Omdat niet inzichtelijk is geworden in hoeverre er een verband bestaat tussen de beperkingen van verdachte en het ten laste gelegde heeft de deskundige zich onthouden van het doen van een uitspraak over de mate van toerekenbaarheid. De kans op herhaling wordt door de deskundige als nauwelijks verhoogd ingeschat.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 31 oktober 2018 en een voortgangsverslag van de reclassering d.d. 28 november 2018. In laatstgenoemd rapport is vermeld dat verdachte alle afspraken met de reclassering goed nakomt en dat de reclassering geen meerwaarde ziet in het opleggen van nieuw toezicht omdat de reclassering verdachte al twee jaar in toezicht heeft en er geen hulpvraag is.

Verdachte heeft 403 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Inmiddels is verdachte al een jaar en bijna negen maanden (sinds 26 april 2018), op vrije voeten nadat hij is geschorst uit de voorlopige hechtenis. Gebleken is dat verdachte sindsdien niet met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verdachte lijkt al geruime tijd een stabiel leven te leiden en heeft afstand genomen van zijn eerdere netwerk. Hierboven is de ernst van het feit en de rol van de verdachte beschreven. Deze rol, die zich “beperkt” tot de medeplichtigheid aan het feit maakt dat de rechtbank tot een andere, lagere strafoplegging komt dan bij de medeverdachten. Daarbij betrekt de rechtbank mede hetgeen hierboven is beschreven over de persoon van de verdachte en zijn beperkte cognitieve capaciteiten en vermogen om complexe situaties en de gevolgen van zijn handelen in te schatten. Dit beschouwend komt de rechtbank tot de conclusie dat het thans niet opportuun is dat verdachte opnieuw naar de gevangenis moet. Wel acht de rechtbank een fors voorwaardelijk strafdeel op zijn plaats, niet zozeer vanwege het herhalingsgevaar, de reclassering schat dit immers in als nauwelijks verhoogd, maar om uitdrukking te geven aan de ernst van het feit. Omdat verdachte al langere tijd onder (elektronisch) toezicht heeft gestaan, zal de rechtbank de proeftijd beperken tot een periode van twee jaren.

Al met al ziet de rechtbank aanleiding aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 900 dagen, waarvan 497 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

7.4
Het inbeslaggenomen voorwerp, klaagschriftnummer 18/562

Op 31 juli 2018 heeft mr. I.A. Groenendijk namens verdachte een klaagschrift ingediend bettreffende een op grond van artikel 94a Sv gelegd beslag op de Opel Agila met kenteken [kenteken] van verdachte.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 12 december 2019 verklaard dat zij dit in beslag genomen voertuig aan verdachte terug zal geven.

Gelet hierop zal de rechtbank verdachte/klager in het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaren.

8

[bedrijf] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 30.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit het bij de gewapende overval gestolen geld.

[aangever 1] heeft zich eveneens als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.800,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit bedrag wordt wegens immateriële schade gevorderd.

De rechtbank overweegt dat deze vorderingen betrekking hebben op het onder 2 ten laste gelegde feit. Nu verdachte van dit feit wordt vrijgesproken en aan hem geen maatregel wordt opgelegd, zal de rechtbank deze benadeelde partijen op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

9

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 48 en 49 Sr.

beslissing

10

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 en onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;- verklaart dat het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde;
- veroordeelt verdachte tot een voor de duur van - bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van , tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:- stelt als dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat de benadeelde partijen [bedrijf] en [aangever 1] (feit 2) in het geheel niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, en dat deze benadeelde partijen deze vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
- De rechtbank verklaart verdachte/klager in zijn klaagschrift (nummer 18/562) niet-ontvankelijk.
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

1.
2.

8.
De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

feit 1

strafbaarheid verdachte

straf

schadevergoeding

de inbeslaggenomen voorwerpen

opheffing bevel voorlopige hechtenis

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Haar, voorzitter, en mr. M. Melaard en mr. F. van der Maden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2020.

Mr. K. Haar is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen.

Met betrekking tot feit 1:

Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 12 december 2019, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven: Ik heb mokers gekocht. In de nacht van 29 januari 2017 op 30 januari 2017 werd ik door iemand gebeld.Ik ben met de auto naar deze persoon toegereden.
Een proces-verbaal van verhoor aangeefster [aangeefster] d.d. 30 januari 2017, voor zoverinhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster, p. 65, 66: Ik doe aangifte van (poging) diefstal met geweld. Ik ben overvallen in mijn woning, Ik weet op dit moment niet of er iets is weggenomen, Ik lig nu in het ziekenhuis omdat ik in mijn gezicht geslagen ben. Ik heb een heel dik blauw oog, gebroken neus en mijn hele lichaam doet zeer.Op maandag 30 januari 2017 lag ik ’s nachts in bed te slapen en ging de slaapkamerdeur open. Ikweet niet hoe laat het was. Op het moment dat ik hiervan schrok stond ik ook al naast mijn bed en werd ik gegrepen door iemand bij mijn borstkas. Hij zei niets, het enige wat hij heeft gedaan is slaan. De man sloeg mij op mijn gezicht. Hij sloeg mij met zijn vuist. Hij heeft mij tussen mijn bed en een klein kastje, dat aan het einde van het bed staat, geslagen. Terwijl ik hier lag ging hij weg. Ik ben nog een tijdje blijven liggen totdat het langere tijd stil bleef. Ik ben vervolgens de slaapkamer uitgelopen en naar de voordeur gelopen, de straat op. Ik heb hier om hulp geroepen. Ik ben rechtstreeks naar de voordeur gelopen, ik durfde de andere kant in de woning niet op. Ik wist niet wat er gebeurd was. Ik ben niet op andere plekken in de woning geweest.Ik heb maar 1 persoon in de slaapkamer gezien.
Ik heb overal sloten op zitten, voorkant, achterkant, camera’s. De camera’s staan altijd aan, dag en nacht. Alles wordt opgenomen. Ik geef toestemming om deze beelden te gebruiken voor het onderzoek.

3.Een schriftelijk stuk, te weten een letselrapportage betreffende [aangeefster] , opgemaakt door W. Duijst, forensisch arts d.d. 30 januari 2017, voor zover inhoudende, p.76-79: Mevrouw [aangeefster] is op 30-01-2017 in de Isala Klinieken onderzocht.
Toedracht:

Behandeling: .
Klachten:

Letselbeschrijving:

HoofdAan de binnenzijde van de linker oogkas samen met de bovenste en onderste oogleden is een paars-rode zwelling zichtbaar van 3x3 cm die doorloopt tot op de neus. He