Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:883

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 14-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:883, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08/760186-18 en 15-184637-16 (vord.tul)


Bron: Rechtspraak

Rechtbank Overijssel
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummer(s): 08/760186-18 en 15-184637-16 (vord.tul) Datum vonnis: 14 maart 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ,nu verblijvende in P.I. Vught.

ECLI:NL:RBOVE:2019:883:DOC
nl

Rechtbank Overijssel
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummer(s): 08/760186-18 en 15-184637-16 (vord.tul) Datum vonnis: 14 maart 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ,nu verblijvende in P.I. Vught.
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie J.H.D. Onna en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. S.O. Roosjen, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2

- op die [slachtoffer 1] is/zijn af gelopen en die [slachtoffer 1] een klap en/of slag met gebalde vuist op zijn kaak, althans in/op zijn gezicht heeft/hebben gegeven en/of - die [slachtoffer 1] een duw in zijn rug heeft/hebben gegeven, althans tegen zijn lichaam en/of - meermalen, in ieder geval éénmaal dreigend tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich al dan niet tezamen en in vereniging met een ander, schuldig heeft gemaakt aan diefstal met (bedreiging van) geweld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 30 juli 2018 te Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een winkelpand en/of bedrijfspand gelegen aan [straat 1] , één of meerdere pakje(s) sigaretten en/of doosje(s) sigaren, althans rookwaren en/of één of meerdere kraslo(o)t(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , eigenaar van [tabakszaak] , heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader tezamen en in vereniging, althans alleen:
heeft/hebben gezegd 'handen omhoog, geen politie bellen', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
3

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte het feit ontkent en dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

4.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van het dossier en de bewijsmiddelen onder meer vast dat op 30 juli 2018 verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] (hierna ook: de medeverdachte ) in de winkel van aangever [slachtoffer 1] (hierna: aangever) is geweest. Aangever heeft onder meer verklaard dat die middag twee mannen in de winkel kwamen en dat hij naar de deur is gegaan om die dicht te doen. Toen aangever terugliep kreeg hij een klap tegen zijn kaak en daarna een harde duw waardoor hij het magazijn in struikelde. Vervolgens zag aangever dat één van de mannen achter hem aan het magazijn in kwam. Aangever hoorde dat deze man tegen de getuige [slachtoffer 2] (hierna: de getuige), die ook in de winkel was, riep: “handen omhoog, geen politie bellen, want ik ga toch naar Rotterdam”. Bij de politie heeft de medeverdachte onder meer verklaard dat hij verdachte pas kort kende en dat zij voor de dag van de overval al twee dagen samen harddrugs hadden gebruikt. Op de dag van de overval dronken hij en verdachte s’middags samen bier en op enig moment werd besloten om een winkel te overvallen. De medeverdachte kan zich niet herinneren wie van hen die beslissing nam. Vervolgens zijn de medeverdachte en verdachte naar de winkel van aangever gegaan. In de winkel heeft de medeverdachte aangever een klap in het gezicht gegeven en daarna sigaretten en krasloten weggenomen.In het relaas proces-verbaal wordt gerelateerd over beelden die afkomstig zijn uit de bewakingscamera van de winkel van aangever. Op de beelden is onder meer te zien dat verdachte en de medeverdachte kort voor de overval langs de winkel lopen en gelijk terug komen lopen en de winkel in gaan. Bij de politie en de raadkamer van de rechtbank heeft de verdachte onder meer verklaard dat hij samen met de medeverdachte de winkel in is gegaan en dat hij de deur van de winkel dicht heeft gedaan. Vervolgens zag verdachte dat aangever door de medeverdachte in het gezicht werd geslagen. Volgens verdachte is hij, omdat hij aangever wilde beschermen tegen de medeverdachte, achter aangever aan gelopen naar een ruimte achter in de winkel. In die ruimte was de getuige aanwezig. Omdat verdachte de getuige wilde beschermen en bang was dat zij op een alarmknop zou drukken, heeft hij tegen haar gezegd dat hij haar handen wilde zien. Verdachte zag ondertussen dat de medeverdachte achter de toonbank liep. Op het moment dat verdachte zag dat de medeverdachte niet meer in de winkel was, is hij ook uit de winkel vertrokken. Getuige [slachtoffer 2] heeft onder meer verklaard dat zij op de camerabeelden van de winkel zag dat er twee mannen de winkel in kwamen, dat één van de mannen de deur dicht wilde doen en dat aangever naar de deur liep. Kort daarna zag zij dat aangever de ruimte in kwam waar zij aanwezig was. Vervolgens zag zij een man achter aangever aanlopen. In een reactie om aangever te beschermen is zij voor de man gaan staan. Vervolgens hoorde zij de man zeggen: “ik wil je handen zien, ik wil je handen zien” en “hij mag daar niet weg”. In de winkel zag de getuige de andere man heen en weer bewegen en daarna de winkel uitgaan. De getuige hoorde verder dat de man die bij haar stond tegen haar zei: “geen politie, absoluut geen politie, als je de politie erbij haalt, komen wij terug, wij komen uit Rotterdam”. Daarna is de man de winkel uit gegaan. Verdachte werd door getuige [getuige] herkend als de man die tegen hem had opgeschept dat hij een overval gepleegd had waarbij het slachtoffer geslagen was.
De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever en de getuige ten aanzien van het geweld en de bedreiging met geweld. Verdachte heeft enige dagen samen met [medeverdachte] opgetrokken en harddrugs gebruikt en toen is het plan ter sprake gekomen. De verklaring van de verdachte dat hij er niets mee te maken had en niet wist wat zijn mededader van plan was acht de rechtbank ongeloofwaardig. Uit niets blijkt dat verdachte “overvallen” werd door wat zijn medeverdachte deed en verdachte heeft zich ook op geen enkele wijze gedistantieerd van de acties van de medeverdachte of iets ondernomen om de overval ongedaan te maken. De verklaring van verdachte dat hij aangever en de getuige heeft willen beschermen, acht de rechtbank eveneens ongeloofwaardig. De gedragingen van verdachte in samenhang met de dreigende uitlatingen laten aan duidelijkheid niets te wensen over; verdachte heeft daarmee willen voorkomen dat de politie werd gealarmeerd. Verdachte heeft er op die manier voor gezorgd dat zijn mededader en hij met de buit konden wegkomen en konden vluchten.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de diefstal met geweld en bedreiging. Dat niet alle (gewelds)handelingen door verdachte zelf zijn begaan, maakt dat oordeel niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijdrage van verdachte aan de gezamenlijk uitgevoerde diefstal met geweld en bedreiging met geweld, van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen.

De rechtbank is aldus van oordeel dat op grond van voorgaande overwegingen in samenhang met de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld.

4.4
De bewezenverklaring

- op die [slachtoffer 1] is/zijn afgelopen en die [slachtoffer 1] een slag met gebalde vuist op zijn kaak, heeft/hebben gegeven en - die [slachtoffer 1] een duw in zijn rug heeft/hebben gegeven, en - meermalen tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd 'handen omhoog, geen politie bellen', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 30 juli 2018 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander, in een winkelpand gelegen aan [straat 1] , meerdere pakjes sigaretten en meerdere krasloten, toebehorende aan [slachtoffer 1] , eigenaar van [tabakszaak] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader
De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 310 en 312 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
7

7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals die in het reclasseringsadvies van 15 februari 2019 zijn geformuleerd. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat de verdachte bezig was zijn leven op de rails te krijgen in Noord-Holland met de hulp van het Leger des Heils. De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

7.3
De gronden voor een straf of maatregel

- het uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 30 januari 2019;
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft samen met een ander een sigarenwinkel overvallen. Verdachte en de medeverdachte zijn de sigarenwinkel binnen gegaan en hebben sigaretten en krasloten weggenomen. Tegen aangever is fysiek geweld gebruikt en daarnaast zijn er dreigende uitlatingen gedaan waardoor een bedreigende situatie ontstond. Het spreekt voor zich dat de overval voor de slachtoffers zeer beangstigend moet zijn geweest. Hiervan blijkt ook uit de aangifte en de getuigenverklaring.

Niet alleen heeft verdachte materiële schade veroorzaakt, het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een overval nog gedurende langere tijd lichamelijk en/of psychische gevolgen van het gebeurde kunnen ondervinden. Dit geldt temeer wanneer er geweld wordt gebruikt. Daarnaast maakt een dergelijk feit een ernstige inbreuk op de rechtsorde en nemen de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving hierdoor toe. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij niet stil heeft gestaan bij de angst die bij de slachtoffers teweeg is gebracht en geen respect heeft gehad voor de persoonlijke en lichamelijk integriteit van de slachtoffers.

De rechtbank heeft als strafverzwarende omstandigheden laten meewegen dat de overval gepleegd is in vereniging, dat sprake is van een vooropgezet plan en dat sprake is van een kwetsbaar slachtoffer.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

Uit de documentatie blijkt onder meer dat verdachte meermalen met politie en justitie in aanraking is gekomen, onder meer voor gelijksoortige vermogensdelicten en delicten met een geweldscomponent. Verdachte liep in verband met een eerdere veroordeling nog in een proeftijd. Desondanks heeft dit hem er niet van weerhouden om een nieuw strafbaar feit te plegen.

Uit het trajectconsult blijkt onder meer dat bij de verdachte forse aanwijzingen worden gezien voor persoonlijkheidsproblematiek en verslavingsproblematiek. Dit is vergelijkbaar met de problematiek zoals beschreven in de diverse rapportages die over hem zijn opgemaakt en waarvan al gedurende zijn hele volwassen leven sprake is. De problematiek van de verdachte lijkt niet wezenlijk veranderd. De verdachte heeft diverse (verplichte) behandelingen en resocialisaties ondergaan, waarvoor hij resistent is gebleken. Het valt nu wel te overwegen de route waarvoor hij op dit moment wel gemotiveerd lijkt te zijn een kans te geven. Er is wel sprake van dat verdachte zijn mogelijkheden overschat en dat hij zijn valkuilen onderschat. Het probleembesef schiet tekort en hij is behoorlijk zelfbepalend en rigide in zijn denken, waardoor hij zich maar moeizaam zal laten sturen en structureren. Deze coaching heeft hij echter wel nodig. Het is derhalve met dit traject wel de vraag in hoeverre verdachte voldoende bereid is en blijft de noodzakelijke begeleiding te accepteren.
Uit het reclasseringsadvies blijkt onder meer dat verdachte al jaren te kampen heeft met verslavingsproblematiek en psychische problemen. Vanaf 2011 probeert verdachte stabiliteit aan te brengen in zijn leven. Tot op heden is het verdachte nog niet gelukt om abstinent te blijven van verdovende middelen, stabiele huisvesting te vinden en het ontbreekt hem om die reden dan ook al aan voldoende financiële middelen en een zinvolle dagbesteding. Omdat verdachte een ontkennende verdachte is, is het voor de reclassering lastig om een inschatting te maken op welke manier de criminogene factoren invloed hebben gehad op het delictgedrag. Ten tijde van het feit gebruikte verdachte veelvuldig harddrugs. In het verleden heeft verdachte zich niet opengesteld voor behandeling of begeleiding. Verdachte geeft op dit moment aan gemotiveerd te zijn voor interventies vanuit de reclassering. Hij wil zich vooral richten op het regelen van praktische zaken, zoals huisvesting, financiën en dagbesteding. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank acht de oplegging van een aanzienlijke gevangenisstraf passend en geboden gelet op de ernst van het feit. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan rekening gehouden met het advies van de reclassering. Gezien de persoon van verdachte en de inhoud van de rapporten heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte langdurige begeleiding en verdere hulpverlening nodig zal hebben om de kans op recidive te doen verminderen.

Alle omstandigheden in deze zaak in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat van de op te leggen vrijheidsstraf een deel voorwaardelijk moet worden opgelegd om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan die voorwaardelijke straf zal de rechtbank de voorwaarden koppelen zoals die zijn geadviseerd door de reclassering.

De rechtbank is verder van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er - gelet op de persoonlijkheid van verdachte, de aard van het bewezen verklaarde feit en het ingeschatte recidiverisico - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van een of meer personen.

-

het trajectconsult van het NIFP van 7 december 2018, opgemaakt door A.G.M. Weenink, gz-psycholoog;

het advies van Reclassering Nederland/GGZ-Iriszorg van 15 februari 2019, opgemaakt door M.I. de Wilde, reclasseringswerker.

8

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 5 december 2016, gewezen door de politierechter te Alkmaar, parketnummer 15-184637-16 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie heeft tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gevorderd.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

9

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e en 27 Sr.

beslissing

10

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;- stelt als dat de verdachte:- zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclasseringsinstelling meldt (nader te bepalen, afhankelijk van de uiteindelijke woonomgeving, bij voorkeur Leger des Heils Noord-Holland). De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren; - zich ambulant laat behandelen door de verslavingszorg (of een soortgelijke zorgverlener), te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. - verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;- geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt middels urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;- geen alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit alcoholverbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest); - op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met de heer [slachtoffer 1] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod; - draagt deze reclasseringsinstelling (nader te bepalen, afhankelijk van de uiteindelijke woonomgeving) op om toezicht te houden op de naleving van en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;- gelast de van de bij vonnis van de politierechter te Alkmaar van 5 december 2016 met parketnummer 15/184637-16 voorwaardelijk opgelegde voor de duur van.
4.
De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

s

straf

Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Schaap, voorzitter, mr. M.M. Lorist en mr. C. Verdoold, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2019.
Buiten staat

mr. D.E. Schaap en mr. C. Verdoold zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2018347678. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , namens [tabakszaak] , van 2 augustus 2018, pagina’s 76 t/m 78, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:
Ik ben eigenaar van [tabakszaak] , gevestigd aan [straat 1] te Enschede. Afgelopen maandag 30 juli 2018, omstreeks 15.15 uur kwamen er twee mannen mijn zaak binnen. Ik liep naar de deur toe en deed deze weer open. Toen ik bij de toonbank was aangekomen kreeg ik een harde vuistslag van de man in het grijze shirt in mijn gezicht tegen mijn linker kaak. Ik voelde hevige pijn, werd duizelig en had het gevoel dat ik moest overgeven. Ik kreeg onmiddellijk daarop een harde duw en struikelde het magazijn in dat achter de toonbank is gelegen. Toen ik bij de keuken stond, zag ik dat de man met het zwart T-shirt het magazijn in kwam, (…). Later kwam ik er achter dat ik goederen miste uit de winkel die deze mannen gestolen moeten hebben. Ik mis pakjes sigaretten en krasloten
2.Het proces-verbaal Dossier Relaas, van verbalisant [verbalisant 1] , van 27 november 2018, pagina’s 4 t/m 7, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:
In augustus 2018 werd onder de naam EEMS een onderzoek opgestart in verband met een overval op [tabakszaak] , gelegen aan [straat 1] te Enschede. In de aangifte wordt gesproken over [straat 1] te Enschede. Dit is het adres waar het aangever [slachtoffer 1] woonachtig is. Op de beelden was te zien dat deze twee mannen de winkel voorbij liepen en gelijk terug kwamen lopen. Er was te zien dat de twee mannen naar de ingang van de winkel liepen en vervolgens de winkel betraden.

3.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] , van 3 augustus 2018, pagina’s 80 t/m 83, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:
Op maandag 30 juli 2018 was ik in de sigarettenwinkel van een vriend van mij genaamd [slachtoffer 1] . Op de camerabeelden zag ik er dat 2 mannen de winkel binnen kwamen. Ik zag dat één van deze mannen de toegangsdeur achter zich dicht wilde doen, maar dit lukte hem niet goed omdat het pootje onderaan de deur bleef hangen. Ik zag dat [slachtoffer 1] opstond en de ruimte van de winkel binnen liep. Op de camerabeelden zag ik dat [slachtoffer 1] naar de toegangsdeur liep om deze weer goed open te doen. Ik hoorde [slachtoffer 1] ondertussen zeggen: "Mag die deur open". Op de camerabeelden zag ik dat [slachtoffer 1] zich omdraaide en richting de toonbank liep. Na één of twee tellen hoorde ik achter mij dat [slachtoffer 1] de ruimte bij mij binnen kwam. Ik zag dat er een man achter [slachtoffer 1] aan wilde lopen en ik weet niet waardoor, maar ik voelde gelijk dat er iets niet goed zat. In een reactie om [slachtoffer 1] te beschermen ben ik voor de man gaan staan zodat ik hem de toegang belemmerde om het keukentje in de lopen waar [slachtoffer 1] was. De man zei tegen mij: "Ik wil je handen zien, ik wil je handen zien" en "Hij mag daar niet weg". De man stond heel dichtbij mij, ik schat zo'n 30 cm bij mij vandaan. Ik had nog wel zicht op de camerabeelden en ik zag een hoofd achter de toonbank heen en weer bewegen. Dat was de andere man. Ik zag dat de man achter toonbank erachter weg kwam en de winkel uitliep. De man die voor mij stond liep nu ook bij mij weg richting het winkelruimte. Hij draaide zich nog even om en zei tegen mij: "Geen politie, absoluut geen politie, als je de politie erbij haalt komen wij terug. Wij komen uit Rotterdam". [slachtoffer 1] vertelde dat hij een harde klap tegen zijn hoofd had gehad.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , van 3 augustus 2018, pagina’s 86 t/m 87, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:
[slachtoffer 1] verklaarde dat hij toen hoorde dat één van de mannen tegen de buurvrouw van [slachtoffer 1] , die ook in de winkel was, zei: 'Handen omhoog, geen politie bellen, want ik ga toch naar Rotterdam!'.

5.Het proces-verbaal van verhoor van de strafraadkamer van de Rechtbank Overijssel van 5 december 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Ik ben samen met [medeverdachte] in die sigarenwinkel geweest. Toen we de winkel in gingen, vroeg [medeverdachte] aan mij of ik de deur achter mij dicht wilde doen. Dat heb ik toen gedaan. Ik zag [medeverdachte] aangever op zijn gezicht slaan. Ik ben dicht bij die vrouw gaan staan. Ik was bang dat zij de alarmknop in zou drukken..

6.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, van 20 november 2018, pagina’s 21 t/m 23, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Ik zag dat de man nadat hij een klap tegen zijn hoofd had gekregen naar een ruimte achter de winkel liep. Ik ben achter de man aangelopen. Ik ben naar de opening gelopen naast de toonbank. Ik heb tegen de vrouw gezegd dat ik haar handen wilde zien omdat ik bang was dat ze op de alarmknop zou drukken of iets. Ik heb wel gezien dat [medeverdachte] achter de toonbank van de sigarenzaak liep maar kon niet zien wat hij daar aan het doen was. Later toen we elkaar buiten nog spraken had hij het erover dat hij rookwaren had weggenomen.
7.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , van 21 augustus 2018, pagina’s 70 t/m 72, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Ik heb het gedaan. Ik had daarvoor al twee dagen doorgehaald met pep, cocaïne en drank. Met mijn mededader samen. Ik weet niet of het zijn beslissing was of mijn beslissing om dat te gaan doen. Ik weet nog dat mijn mededader drinken wilde halen. Dat was het plan om het te doen. Maar het gebeurde in een keer. We liepen langs coffeeshop [naam] en daarna langs de sigarenboer, dit is op de hoek van [straat 2] te Enschede. We liepen daar nu naar binnen Ik weet dat ik naar binnenliep, de man van de winkel gaf ik met mijn rechterplatte hand een klap. Ik weet dat ik sigaretten pakte, achter de balie, het waren van allerlei merken en ik weet niet hoeveel pakjes. Ik zag nog een rol krasloten en heb er vier vanaf gehaald en meegenomen. Ik zag die mededader achter mij aanlopen Ik liep richting het centrum. Daar zag ik mijn mededader weer achter mij lopen. We zijn weer naar het pleintje gegaan.

8.Het proces-verbaal tonen foto’s van verbalisant [verbalisant 4] , van 8 oktober 2018, pagina’s 105 t/m 108, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:
Op 9 augustus 2018 heeft de getuige [getuige] op het politiebureau te Enschede gesproken met collega [verbalisant 5] . Collega [verbalisant 5] liet [getuige] 4 foto's zien van een persoon. [getuige] beaamde dat hij op deze foto's de [verdachte] zag die tegen hem had opgeschept dat hij een overval gepleegd had en dat het slachtoffer geslagen was.

-

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

-

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:het misdrijfdiefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

-

veroordeelt verdachte tot een voor de duur van , , met een proeftijd van drie jaren;

bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de straf tenzij de rechter later anders mocht gelasten:

stelt als dat de verdachte:

-

beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, ;

bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf