Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:874

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:874, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/08/228592 / KG ZA 19-37


Bron: Rechtspraak

center
100
b6fda064-9a3e-4177-998d-aae828a73df5
2
13
image/png

center
100
20ab1bd2-174e-4354-b84d-d07ff85a3cdc
2
523
image/png


RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/228592 / KG ZA 19-37

Vonnis in kort geding van 13 maart 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,eiseres,advocaat mr. R.H. van Dijke te Zwolle,
tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,gedaagde,advocaat mr. H. Boven te Zwolle.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

ECLI:NL:RBOVE:2019:874:DOC
nl

center
100
b6fda064-9a3e-4177-998d-aae828a73df5
2
13
image/png

center
100
20ab1bd2-174e-4354-b84d-d07ff85a3cdc
2
523
image/png


RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/228592 / KG ZA 19-37

Vonnis in kort geding van 13 maart 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,eiseres,advocaat mr. R.H. van Dijke te Zwolle,
tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,gedaagde,advocaat mr. H. Boven te Zwolle.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

de dagvaarding

de akte overlegging productie (9) van 25 februari 2019 door [eiseres]

de akte overlegging producties (1-14) van 25 februari 2019 door [gedaagde]

de mondelinge behandeling

de pleitnota van [eiseres]

de pleitnota van [gedaagde]

de akte wijziging van eis.

1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2

2.1.
[eiseres] maakt onder andere gebrande suiker, koffiestroop en smaakversterkers voor de industrie en verschillende consumentenproducten.
2.2.
[eiseres] is sinds haar oprichting gevestigd in [plaats 1] . Een deel van de productie is door [eiseres] in de afgelopen periode verplaatst naar [plaats 2] .
2.3.
[gedaagde] is een achterkleinzoon van [A] , de oprichter van [eiseres] .
2.4.
[gedaagde] is de neef van de heer [B] , voormalig directeur van [eiseres] .
2.5.
In januari 2019 heeft [gedaagde] advertenties (van zijn hand) geplaatst in de Stentor en de Stadskoerier (hierna: de advertenties). De advertenties zijn inhoudelijk hetzelfde. In de advertenties schrijft [gedaagde] onder meer - voor zover van belang - het volgende:
“Uit de Stentor van 29-12-12:“ Soort water dat smaakt naar oud papier…TV Kassa
(…) In 1968 - na het overlijden van directeur [B] – vond een drietal accountants de directie van [eiseres] “heel erg eigenwijs”. Vervolgens deed [C] bijna geheel [eiseres] in de verkoop (dochterondernemingen, onroerende goederen), de bijna-liquidatie van het concern van mijn grootvader, alles ging in de verkoop behalve [eiseres] ’s Koffiestroop zelf en de steenfabriek van mijn grootvader in [plaats 3] . En nu verhuist [eiseres] Consumer’s naar [plaats 2] en blijft de productie van koffiestroop in [plaats 1] voor de zakelijke markt nog bestaan, het laatste nieuws is dat deze productie zelfs wordt uitgebreid door de [plaats 2] eigenaar van de fabriek aan de [straat] in [plaats 1] , van oorsprong nu circa 100 jaar oud. (…): bijna kaalslag van alles dat mijn grootvader heeft opgebouwd. (…)

[gedaagde] , januari 2019.

2.6.
Bij brief van 25 januari 2019 heeft de raadsman van [eiseres] , [gedaagde] - kort gezegd - gesommeerd een rectificatie te plaatsen van de advertenties in de Stentor en de Stadskoerier en het zich onthouden van het doen van negatieve uitlatingen over [eiseres] en haar voormalige directeuren in kranten en andere media. Voorts is [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade.
2.7.
[gedaagde] is niet overgegaan tot rectificatie.
3

3.1.
[eiseres] vordert na wijziging van eis - samengevat - voor zover uitvoerbaar voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot:
Primair

I. het binnen 14 dagen na de betekening van het vonnis plaatsen van de in het gewijzigde petitum onder I vermelde rectificatie in de Stentor en de Stadskoerier, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen rectificatie, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke is;
Subsidiair

het binnen 14 dagen na betekening van het vonnis plaatsen van de volgende rectificatie in de Stentor en de Stadskoerier:“”
op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke is

Primair en subsidiair

II. het zich onthouden van het doen van nieuwe negatieve mededelingen over [eiseres] en haar voormalig directeuren in kranten en andere media, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke is;
III. alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.

3.2.
Daartoe stelt [eiseres] het volgende. Met het plaatsen van de advertenties in de Stentor en de Stadskoerier en door het doen van deze uitlatingen heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] (artikel 6:162 BW). Zij maakt aanspraak op rectificatie ingevolge het bepaalde in artikel 6:167 lid 1 BW. [eiseres] heeft schade geleden en zal door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] nog schade lijden, voor welke schade [gedaagde] aansprakelijk is.
3.3.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
overwegingen

4

4.1.
[eiseres] heeft bij haar vorderingen in beginsel voldoende spoedeisend belang. Voor zover sprake is van een onrechtmatige mededeling die gerectificeerd zou moeten worden, dient dat immers zo spoedig mogelijk te gebeuren.
4.2.
In dit kort geding ligt de vraag ter beantwoording voor of in de door [gedaagde] geplaatste advertenties onrechtmatige uitingen staan in de zin van het bepaalde in artikel 6:162 BW op grond waarvan een rectificatie in de zin van artikel 6:167 lid 1 BW gerechtvaardigd is.
4.3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:167 BW kan een veroordeling tot rectificatie worden uitgesproken indien er sprake is van onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicaties van gegevens van feitelijke aard. Een dergelijke rectificatie vormt een bij wet (artikel 7 lid 3 Grondwet) en in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voorziene beperking op de vrijheid van meningsuiting. Bij de beoordeling of een rectificatie is aangewezen dient de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] te worden afgewogen tegen het recht van [eiseres] op de bescherming van haar eer en goede naam. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden.
4.4.
[eiseres] voert aan dat de eer en goede naam van [eiseres] wordt aangetast doordat [gedaagde] haar ten onrechte heeft beschuldigd van bepaalde feiten, zulks met het kennelijke doel om haar te schaden. De inhoud van de advertenties is onvolledig en onjuist. Op grond van de advertenties doet [gedaagde] - kort gezegd - ten onrechte voorkomen dat het met [eiseres] slecht zou gaan, er sprake zou zijn van een neerwaartse spiraal en dat de gedeeltelijke verhuizing van de productie van [plaats 1] naar [plaats 2] kan worden gezien als een smadelijke aftocht van [eiseres] uit [plaats 1] . Hierdoor wordt er schade toegebracht aan het handelsdebiet en onrust en wantrouwen veroorzaakt bij de werknemers van [eiseres] .
4.5.
[gedaagde] betwist - kort gezegd - dat de uitlatingen in de advertenties onjuist zijn en onrechtmatig jegens [eiseres] . Zo heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij nauw betrokken is bij de gemeenschap van [plaats 1] . In dat kader plaatst [eiseres] met regelmaat (kritische) advertenties over de lokale ontwikkelingen in [plaats 1] . Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [gedaagde] onder meer verwezen naar krantenartikelen waaruit blijkt dat hij zich op verschillende manieren inzet voor de gemeenschap en de belangen van [plaats 1] , waaronder het vaartoerisme en de werkgelegenheid. [gedaagde] stelt dat hij de ontwikkelingen bij [eiseres] kritisch volgt, omdat in het verleden keuzes zijn gemaakt door de (voormalige) directies van [eiseres] die - naar zijn mening - negatieve gevolgen hebben gehad voor [plaats 1] . De advertenties en de uitlatingen daarin zijn vermeld in het kader en de context van de historische gebeurtenissen bij [eiseres] , aldus [gedaagde] .
4.6.
De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat [gedaagde] met de uitlatingen in de advertenties er slechts melding van heeft gemaakt dat hij het - gelet op de historische gebeurtenissen bij [eiseres] - niet eens is met de gedeeltelijke verhuizing van de productie uit [plaats 1] naar [plaats 2] . Anders dan [eiseres] stelt, heeft [gedaagde] met het plaatsen van de advertenties en het doen van de uitlatingen daarin niet aangekondigd dat [eiseres] volledig verdwijnt uit [plaats 1] . Dat volgt niet uit de tekst van de advertenties. Integendeel, [gedaagde] schrijft letterlijk in de advertenties: “[gedaagde] heeft met zijn uitlatingen in de advertenties ook niet doen voorkomen dat het slecht zou gaan met [eiseres] en dat er sprake zou zijn van een neerwaartse spiraal, althans daarvoor heeft [eiseres] feiten noch omstandigheden aangevoerd die haar stelling kunnen onderbouwen. De gebruikte woorden in de titel van de advertenties “” is een negatieve kwalificatie, maar afgewogen tegen het belang van de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] niet dermate kwaadsprekend dat de aanduiding als onrechtmatig moet worden aangemerkt.De voorzieningenrechter stelt verder vast - voor zover zij dat kan beoordelen in het korte bestek van deze procedure - dat [gedaagde] alle uitlatingen in de advertenties heeft gedaan in de historische context van [eiseres] die volgens [gedaagde] mede steun vinden in door hem geraadpleegde bronnen. Blijkens de uitlatingen in de advertenties heeft [gedaagde] geen (directe) beschuldigingen jegens [eiseres] geuit, maar slechts een opinie gegeven dat de gedeeltelijke verhuizing van de productie van [plaats 1] naar [plaats 2] geen goede ontwikkeling is voor de gemeenschap van [plaats 1] en de onderneming [eiseres] . Bij zijn uitlatingen heeft [gedaagde] zich ook niet bediend van zware of nodeloos grievende bewoordingen of verdachtmakingen jegens [eiseres] . Hetzelfde geldt voor het aangehaalde citaat van een consumentenonderzoek uit 2012 van het televisieprogramma Kassa “”. Hoewel de voorzieningenrechter het met [eiseres] eens is dat dit citaat geheel losstaat van de inhoud van de advertentie en het een oud klantenonderzoek is dat wellicht geen recht doet aan de huidige kwaliteit van de chocolademelk van [eiseres] anno 2019, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat - gelet op de context van de advertenties en het feit dat het slechts een citaat is uit een onafhankelijk consumentenonderzoek en het niet eigen bewoordingen van [gedaagde] betreft - het opnemen van het ‘Kassa citaat’ in de advertenties niet onrechtmatig is.De door [eiseres] gestelde onjuiste weergave van de historische gebeurtenissen bij [eiseres] in de advertenties - wat daar ook van zij - kan thans verder niet worden beoordeeld door de voorzieningenrechter. Voor de in het geding gebrachte schriftelijke bronnen en de vaststelling wie het gelijk aan zijn of haar zijde heeft met betrekking tot de juistheid van de schriftelijke bronnen, is nader onderzoek noodzakelijk en dit gaat het bestek van een kort geding (ver) te buiten. Bovendien brengt eventuele onjuistheid nog niet zonder meer mee dat de betreffende uitlatingen ook als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd.
4.7.
De stelling van [eiseres] dat de uitlatingen in de advertenties over de voormalige directies van [eiseres] , waaronder de heer [B] , een direct negatief effect op [eiseres] hebben en daarmee dus onrechtmatig is jegens haar - hetgeen door [gedaagde] gemotiveerd is betwist - leidt niet tot een ander voorlopig oordeel. De heer [B] is al een geruime tijd niet meer betrokken als directielid en/of aandeelhouder bij [eiseres] zodat voorshands niet valt in te zien dat uitlatingen van [gedaagde] over de heer [B] onrechtmatig jegens [eiseres] zouden zijn.
4.8.
Gelet op al het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiseres] afwijzen.
4.9.
De voorzieningenrechter merkt tenslotte het volgende op. [gedaagde] vindt kennelijk dat bepaalde gemaakte keuzes die worden gemaakt door [eiseres] niet goed zijn voor [plaats 1] en [eiseres] . Dat mag hij vinden. Daarentegen heeft [eiseres] als onderneming de vrijheid om (strategische) keuzes te maken die zij goed acht in het belang van alle betrokken stakeholders van [eiseres] . Een objectieve maatstaf daarvoor is er niet. De voorzieningenrechter wil daarom benadrukken dat van belang is dat partijen onderling en in goede verstandhouding de dialoog voortzetten om te voorkomen dat [gedaagde] in de toekomst uitlatingen over [eiseres] zal doen die wel onrechtmatig zullen worden geoordeeld.
4.10.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:- griffierecht € 297,00- salaris advocaat Totaal € 1277,00
beslissing

5

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1277,00,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens - de Mug en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 13 maart 2019.