Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:4502

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-12-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 02-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:4502, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is ak_19 _ 855


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSELuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers,het college van burgemeester en wethouders van Twenterand, verweerder,
Zittingsplaats Zwolle
gemachtigde: E.B. Keijzer,
gemachtigde: mr. W.E.M. Klostermann.

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/855

en

ECLI:NL:RBOVE:2019:4502:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSELuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers,het college van burgemeester en wethouders van Twenterand, verweerder,
Zittingsplaats Zwolle
gemachtigde: E.B. Keijzer,
gemachtigde: mr. W.E.M. Klostermann.
Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/855

en

procesverloop

Procesverloop

Bij brief van 12 februari 2019 heeft verweerder eisers bericht dat de door de gemeente gemaakte kosten voor het opruimen van sloopafval bij eisers in rekening worden gebracht. Daarbij is verzocht om de bijgevoegde factuur (€61.773,17) vóór 1 april 2019 te voldoen.

Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 april 2019, verzonden 4 april 2019, heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2019.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat verweerder eisers er meermaals op heeft aangesproken dat zij er voor dienden te zorgen dat het ongesorteerde bouw- en sloopafval dat is vrijgekomen bij de sloop van hun woning op het perceel [adres] te [woonplaats] , zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk maandag 23 juli 2018, zou worden afgevoerd. In een emailbericht van 20 juli 2018 is verder aangegeven dat indien het ongesorteerde bouw- en sloopafval niet op 23 juli 2018 zou zijn afgevoerd of eisers geen overeenkomst konden tonen dat het ongesorteerde bouw- en sloopafval zo spoedig mogelijk door een afvalinzamelaar zou worden afgevoerd, de gemeente Twenterand op kosten van eisers voor de afvoer zou zorgdragen. Nadat is geconstateerd dat het ongesorteerde bouw- en sloopafval niet was afgevoerd heeft verweerder op 25 juli 2018 aan [bedrijf] B.V. te [plaats] opdracht gegeven om het ongesorteerde bouw- en sloopafval dat aanwezig is binnen het perceel [adres] te [woonplaats] af te voeren.
2. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de factuur niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangezien de factuur niet is gericht op het in leven roepen van enig publiekrechtelijk rechtsgevolg maar moet worden gezien in verband met de privaatrechtelijke rechtsverhouding die tussen eisers en de gemeente is ontstaan.
3. In artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank. Uit het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb volgt dat pas beroep kan worden ingesteld als eerst bezwaar is gemaakt.
4. De rechtbank stelt vast dat de bezwaren van eisers tegen de factuur met name zien op het ontbreken van schriftelijk stukken, de daardoor ontstane onduidelijkheid of sprake is van een bestuursdwang of een last onder dwangsom, de begunstigingstermijn en het feit dat het kostenverhaal slechts in een email is gemeld en niet vooraf op schrift is gesteld.
5. Nu het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard moet het daartegen gerichte beroep ongegrond worden verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Bij brief van 12 februari 2019 heeft verweerder de gemaakte kosten ad € 61.773,17 bij eisers in rekening gebracht.

Het daartegen door eisers ingediende bezwaar is voorgelegd aan de Commissie bezwaarschriften (de Commissie). Op 26 maart 2019 heeft de Commissie verweerder geadviseerd het bezwaar niet- ontvankelijk te verklaren, waarna verweerder conform heeft besloten.

In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt een “besluit” gedefinieerd als een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is publiekrechtelijk van aard indien het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens wet geschapen grondslag. Een rechtshandeling is privaatrechtelijk van aard wanneer het bestuursorgaan een bevoegdheid hanteert die krachtens het burgerlijk recht ook door een niet-bestuursorgaan kan worden gebruikt.
De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht heeft besloten dat de factuur niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

De rechtbank stelt vast dat, naar verweerder ook opmerkt in het verweerschrift, er voor het verhaal van de kosten geen publiekrechtelijke grondslag is aangezien nimmer sprake is geweest van een overtreding als bedoeld in artikel 5:21, onder a, van de Awb. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder, nadat is gewezen op de in het Bouwbesluit en de regeling Bouwbesluit opgenomen voorwaarden ten aanzien van sloop en de afvoer daarvan, herhaald dat er geen overtredingen zijn vastgesteld. Door verweerder is om die reden ook geen bestuursdwangbesluit genomen. Het factureren van de opruimkosten van het bouw- en sloopafval betreft dan ook geen bevoegdheid die de gemeente ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens wet geschapen grondslag, maar betreft een bevoegdheid die krachtens het burgerlijk recht ook door een niet-bestuursorgaan kan worden gebruikt. De stelling van verweerder, dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, van de Awb, zodat daartegen geen beroep – en bezwaar – kan worden ingesteld, is derhalve juist. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft geacht.
Of en in hoeverre aan de opdracht tot verwijderen van het sloopafval door [bedrijf] een overeenkomst, of zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gesteld mogelijk een vorm van zaakwaarneming, ten grondslag ligt, is niet een vraag die de bestuursrechter kan en mag beantwoorden.

beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.