Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:4058

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 04-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:4058, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB 19/1696


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSELuitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1696

[verzoeker]

verzoeker,
en

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen

verweerder.

ECLI:NL:RBOVE:2019:4058:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSELuitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1696

[verzoeker]

verzoeker,
en

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen

verweerder.
procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2019 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om hand-havend op te treden tegen activiteiten op het terrein van voormalig tuincentrum De Esch te Tubbergen met bijbehorende percelen deels toegewezen.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2019. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met procedurenummer 19/1647.Verzoeker is verschenen, bijgestaan door [naam 1] Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.M. Stokreef,M.E. Maathuis en T.G.J. Notkamp. In de zaken wordt apart uitspraak gedaan.
Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Bij brief van 3 mei 2019 heeft verzoeker verweerder gevraagd handhavend op
3. Verzoeker stelt dat in strijd met provinciaal beleid op de Tubbergse Esch te Tubbergen grondverplaatsingen, stortingen van vervuilde respectievelijk esgrondvreemde
te treden tegen alle activiteiten op het terrein van voormalig tuincentrum De Esch met bijbehorende percelen: het dumpen van vreemde grond, afval, gruis en tuinafval, het graven of spitten, vrachtverkeer, buitensporige activiteiten ten behoeve van winst van een ondernemer (gebruik van 2 groene loodsen als distributiecentrum voor kerstbomen), lichtmasten en verlichting op het terrein, geluidsoverlast, grond- en bodemonderzoek, gebruik van bestrijdingsmiddelen, het niet openbaar toegankelijk zijn (hanteren van openingstijden/afsluiting met hek) en het verbouwen van kluithoudende gewassen. Verder wordt gevraagd het in 2017 vastgestelde provinciaal beleid met betrekking tot Enkeerdgronden, stuwwallen en esgronden te handhaven.
Bij besluit van 6 juni 2019 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat hij geen belang-hebbende is met betrekking tot de percelen met nummers 9043, 9049, 9051, 0162, 0163, 9042, 8167. Verweerder acht verzoeker wel belanghebbend voor wat betreft de overige percelen. Verzoeker heeft tegen het besluit van 6 juni 2019 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 augustus 2019 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om handhaving deels toegewezen in de vorm van een last onder dwangsom van dezelfde datum opgelegd aan [naam 2] en [naam 3] te Haaksbergen om uiterlijk1 oktober 2019 de opslag van grond/puin op perceel L 7219 te verwijderen en verwijderd te houden. Tevens is op 29 augustus 2018 een last onder dwangsom opgelegd aan [naam 4] te Reutum om uiterlijk 1 april 2020 de opslag van grond op perceel L 9042 te verwijderen en verwijderd te houden.Deze lasten zijn gebaseerd op onderzoek door verweerder en voor wat betreft milieuaspecten door de Omgevingsdienst Twente.
grond, het poten van kluitgebonden gewassen en opslag van betonblokken plaatsvinden. Verweerder treedt volgens verzoeker hiertegen niet adequaat op. Hiermee verliezen de esgronden hun oorspronkelijke waarde en staat de weg vrij om een bestemmingsplan-wijziging door te voeren ten behoeve van woningbouw.
De voorzieningenrechter laat in het midden of verweerder verzoeker terecht slechts voor een deel van de percelen behorende bij het voormalige tuincentrum belanghebbend acht. Daarover loopt een aparte procedure. Van belang is dat het verzoek van verzoeker samen met het verzoek van [naam 5] in de zaak 19/1647 alle percelen behorende bij het voormalig tuincentrum betreffen.
4.1
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter schiet het bestreden besluit van 28 augustus 2019 te kort. Onduidelijk is wat verweerder en de Omgevingsdienst Twente bij hun controles op het terrein hebben aangetroffen en hoe dit in het licht van de aanvraag van verzoeker juridisch geduid moet worden. De aanvraag van verzoeker blijft ten onrechte grotendeels onbesproken.
4.2
Dit (motiverings-)gebrek kan echter bij een besluit op bezwaar worden hersteld en leidt nog niet tot de noodzaak om een voorlopige voorziening te treffen.
5.1
Een voorlopige voorziening betreft een noodmaatregel die met spoed getroffen moet worden, omdat de uitkomst van de bezwarenprocedure niet kan worden afgewacht.
5.2
De voorzieningenrechter constateert dat verweerder handhavend is opgetreden tegen de opslag van grond/puin op perceel L 7219 en de opslag van grond op perceel L 9042.
Verzoeker en [naam 5] hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt, dat de begunstigingstermijn voor het verwijderen van de op perceelL 9042 opgeslagen grond (tot 1 april 2020) niet kan worden afgewacht.De enkele niet nader onderbouwde stelling dat omwonenden last hebben van stuifzand is daartoe onvoldoende.
Wat betreft de grond en het puin (en hout) op perceel L 7219 is de begunstigingstermijn van 1 oktober 2019 inmiddels verstreken. De grond en het puin zijn niet verwijderd. Er is bezwaar aangetekend tegen de last. Het is aan verweerder om vervolgstappen te nemen. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat deze vervolgstappen niet kunnen worden afgewacht.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het afgraven van grond en het leggen van betonblokken op perceel L 7219 niet illegaal is, nu het vigerende bestemmingsplan “Tubbergen Buitengebied 2016” op dit perceel verhardingen tot 2.500 m2 en afgravingen tot 40 cm toestaat. De voorzieningenrechter acht dit standpunt vooralsnog niet onjuist.
5.3
Wat betreft mogelijke andere illegale activiteiten op de percelen L 7219 en L 9042 en de andere percelen behorende bij het voormalig tuincentrum, heeft verweerder ter zitting aangegeven, dat zij wekelijks controles houdt en indien nodig zal optreden tegen geconstateerde overtredingen. De voorzieningenrechter ziet geen grond hieraan te twijfelen.
5.4
Al met al is de voorzieningenrechter niet gebleken van een (dreigende) overtreding die een spoedig optreden nodig maakt en met betrekking waartoe de uitkomst bezwaren-procedure niet kan worden afgewacht.
5.5
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de grondverplaatsingen op de percelen behorende bij het voormalig tuincentrum in strijd zijn met het sinds 2017 geldende provincie beleid (visie). De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat het toe te laten gebruik van de gronden is geregeld in het bestemmingsplan “Tubbergen Buitengebied 2016”. Daarin is te lezen wat er wel of niet mag. Beleid van de provincie – wat daarvan in dit geval ook zij – stelt een bestaand bestemmingsplan niet buiten werking. Een provinciale visie biedt verweerder ook geen grondslag tot handhaving.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.