Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:4057

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 04-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:4057, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08.043348.19 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.043348.19 (P)Datum vonnis: 4 november 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,wonende in [woonplaats] , thans verblijvende: P.I. Zwolle, afdeling PPC, te Zwolle.

ECLI:NL:RBOVE:2019:4057:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.043348.19 (P)Datum vonnis: 4 november 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,wonende in [woonplaats] , thans verblijvende: P.I. Zwolle, afdeling PPC, te Zwolle.
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. van der Werff en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. T. Volckmann, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2

1- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of- zware mishandeling, en/ofdoor op Facebook een of meer bericht(en) te plaatsen en/of in dat/die bericht(en) de tekst te plaatsen dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] zal liquideren, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking en/of bij/in die/dat bericht(en) een foto van een dolk in te voegen;
2
3
4
5
6Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
De verdenking betreft kort en zakelijk weergegeven, de volgende feiten:
feit 1:

feit 2:

feit 3:

feit 4:

feit 5:

feit 6:

Voluit luidt de tenlastelegging, na wijziging op 9 juli 2019, aan verdachte, dat:

3

3.1.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Op grond van artikel 269, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vindt vervolging voor belediging niet plaats dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan. In het dossier bevindt zich wel een klacht van aangeefster [slachtoffer 5] , maar deze klacht is niet gedaan ter zake de ten laste gelegde belediging, aldus de raadsman.

Voorts heeft de raadsman zich ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de officier van justitie (deels) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Op grond van artikel 285b, tweede lid, Sr vindt vervolging voor belaging niet plaats dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan. Op grond van artikel 66 lid 1 Sr kan de klacht worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. De raadsman heeft aangevoerd dat de klacht is ingediend op 21 februari 2019 waardoor de klacht buiten de termijn van drie maanden valt.

De officier van justitie heeft gesteld dat [slachtoffer 5] op 13 februari 2019 klacht heeft gedaan van belediging. [slachtoffer 1] heeft op 13 november 2018 en op 21 februari 2019 klacht gedaan en daarmee de uitdrukkelijke wens van strafvervolging van verdachte te kennen gegeven. Daarmee is volgens de officier van justitie voldaan aan het klachtvereiste en is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan het klachtvereiste, zowel wat betreft [slachtoffer 5] als [slachtoffer 1] , aangezien zich in het dossier van beide aangeefsters klachtbrieven bevinden, die tijdig zijn gedaan. Hierdoor is genoegzaam komen vast te staan dat beide aangeefsters de uitdrukkelijke wens hadden dat het Openbaar Ministerie vervolging tegen verdachte zou instellen en daarmee is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

3.2
De overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen
_f93c00ae-7ed6-4141-8e4e-014400e6fea1

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de tekst van het bericht waarin [slachtoffer 1] zou worden bedreigd onvoldoende onderscheidende elementen bevat waaruit kan worden opgemaakt tot wie het bericht is gericht. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen stellen dat sprake is van een bedreigende situatie waardoor bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] de vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde kan de tekst van de berichten niet worden opgevat als een strafbare bedreiging, volgens de raadsman. Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat voor zover het Openbaar Ministerie ontvankelijk is ten aanzien van feit 6, het dossier onvoldoende overtuigend bewijs bevat.

4.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte onder 5 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Naast de aangifte bevat het dossier voor dit feit geen steunbewijs.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten als na te melden heeft begaan.

Voor dat oordeel is het volgende van belang.

4.3.1
Ten aanzien van feit 1

[slachtoffer 1] heeft op 20 februari 2019 aangifte gedaan van bedreiging door verdachte. Bij de aangifte bevonden zich de screenshots van de door verdachte geplaatste berichten op Facebook. Vervolgens heeft zij op 21 februari 2019 een klacht betreffende de bedreiging ingediend.Aangeefster heeft verklaard dat verdachte een bericht op Facebook heeft geplaatst met daarin de tekst: en en , met daarbij een foto van een dolk. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte in het bericht niet expliciet haar naam noemt, maar dat zij weet dat verdachte haar, [slachtoffer 3] en de familie van [slachtoffer 3] bedoelt. Zij heeft verklaard dat zij erg bang is voor haar eigen veiligheid en die van haar dochter. Uit onderzoek is gebleken dat de Facebook-berichten die aangeefster heeft aangeleverd afkomstig waren van het actieve Facebook-account van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij degene is geweest die de berichten op Facebook heeft geplaatst.De raadsman heeft aangevoerd dat de bedreiging niet expliciet tegen aangeefster gericht is. Anders dan de raadsman is rechtbank van oordeel dat de strekking van de bedreiging en de context waarin de bedreiging is gedaan, zoals die blijkt uit het politiedossier, van dien aard zijn, dat het voor aangeefster duidelijk was dat verdachte de bedreiging aan haar heeft gericht en is bij haar de redelijke vrees ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd werkelijkheid zou worden. Verdachte heeft overigens ook geen aannemelijk alternatief naar voren gebracht. De rechtbank komt gelet op het bovenstaande tot een bewezenverklaring voor het onder 1 ten laste gelegde, en verwerpt het verweer
4.3.2
Ten aanzien van feit 2

[slachtoffer 3] heeft op 20 februari 2019 aangifte gedaan en [slachtoffer 2] heeft op 21 februari 2019 aangifte gedaan van bedreiging door verdachte. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte, nadat hij haar in de supermarkt tegen was gekomen, haar buiten de supermarkt heeft opgewacht en vervolgens zijn vinger langs zijn keel haalde, terwijl hij haar boos aankeek. De verklaring van [slachtoffer 2] wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 3] . Daarnaast heeft [slachtoffer 2] een screenshot van het Facebook-bericht van verdachte bij haar aangifte gevoegd waarin staat: “ en en en en [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij in het dezelfde Facebook-bericht wordt bedreigd door verdachte: en “ Uit onderzoek is gebleken dat de Facebook-berichten die aangevers hebben aangeleverd afkomstig zijn van het actieve Facebook-account van verdachte. Beide aangevers hebben verklaard bang te zijn dat verdachte zijn bedreigingen waar zal maken. Naar het oordeel van de rechtbank is de inhoud van de Facebookberichten in combinatie met het gebaar dat verdachte maakte naar [slachtoffer 2] van dien aard, dat bij aangevers de redelijke vrees is ontstaan dat de misdrijven waarmee werd gedreigd werkelijkheid zouden worden. De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
4.3.3
Ten aanzien van feit 3

[slachtoffer 3] heeft op 22 november 2018 aangifte gedaan samen met zijn vader [slachtoffer 4] van bedreiging door verdachte, middels berichten op Facebook. Bij de aangifte heeft [slachtoffer 3] uitdraaien van de Facebookberichten gevoegd waarin onder andere staat: (uitdraai van 4 november 2018) en (uitdraai van 16 november 2018) en (datum uitdraai onbekend) en (uitdraai van 16 november 2018). Uit onderzoek bleek dat de uitdraaien afkomstig waren van het actieve Facebookaccount van verdachte. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij deze berichten heeft geschreven. Aangever heeft verklaard dat hij denkt dat verdachte zijn familie echt iets zal aandoen, omdat verdachte niet weet wat hij doet wanneer hij kwaad is, aldus aangever.De raadsman heeft aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte op Facebook niet kunnen worden opgevat als een bedreiging.
Anders dan de raadsman, komt de rechtbank tot het oordeel dat de inhoud van de Facebookberichten in combinatie met de context waarin deze berichten geplaatst zijn, welke context uit het dossier naar voren komt, van dien aard is, dat bij aangevers de redelijke vrees is ontstaan dat de misdrijven waarmee werd gedreigd door verdachte werkelijkheid zouden worden. De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit. De rechtbank verwerpt het verweer.

4.3.4
Ten aanzien van feit 4

[naam] , risico-coördinator van [instelling geestelijke gezondheidszorg] heeft op 8 november 2018 aangifte gedaan van bedreiging op Facebook door verdachte van de medewerker van [instelling geestelijke gezondheidszorg] : [slachtoffer 6] , op 31 augustus 2018. Bij de aangifte is een screenshot van het Facebookbericht gevoegd met daarin de tekst: [slachtoffer 6] heeft een verklaring afgelegd, onder meer inhoudend dat hij door de bedreigingen zeer geraakt en geïntimideerd is en de kans dat verdachte zijn bedreigingen waar zal maken als zeer groot inschat. Dat gevoel wordt mede ondersteund door de dreigende sfeer waarin de gesprekken plaatsvonden, die hij met verdachte heeft gevoerd als medewerker van [instelling geestelijke gezondheidszorg] . Uit onderzoek bleek dat het Facebookbericht afkomstig was van het Facebook-account van verdachte.De raadsman heeft aangevoerd dat de tekst van het Facebookbericht feitelijk en semantisch niet is op te vatten als een bedreiging. Naar het oordeel van de rechtbank is de inhoud van het Facebookbericht in combinatie met de context waarin dit bericht geplaatst werd van dien aard, dat bij aangever de redelijke vrees is ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd werkelijkheid zou worden. De rechtbank komt, gelet op het bovenstaande, tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit. De rechtbank verwerpt het verweer.
4.3.5
Ten aanzien van feit 6

[slachtoffer 1] heeft op 13 november 2018 aangifte gedaan van smaad/laster door verdachte. [slachtoffer 1] heeft op 21 november 2018 een klacht ingediend. Verdachte heeft gedurende de periode maart 2018 tot en met februari 2019 op Facebook berichten geplaatst met daarin foto’s en teksten waarin hij schrijft dat hij de vader van de dochter van [slachtoffer 1] is. Bij haar aangifte heeft [slachtoffer 1] screenshots gevoegd met berichten van 25 juli, 26 juli, 23 september, 23 oktober, 24 oktober en 4, 5, 9 en 10 november 2018. Op 19 februari 2019 heeft [slachtoffer 1] opnieuw aangifte gedaan, omdat het plaatsen van berichten op Facebook door verdachte nog niet was gestopt. Na onderzoek werden er op het Facebook-account van verdachte berichten over aangeefster en haar dochter aangetroffen van 19, 20 en 22 september, 20 oktober, 17 en 26 november, 9, 11 en 23 december 2018 en 1 en 3 januari 2019. Verdachte is meermalen door de politie aangesproken, maar is niet gestopt met het plaatsen van berichten op Facebook over [slachtoffer 1] en haar dochter.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Sr zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster.De rechtbank is van oordeel dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode veelvuldig en op een indringende en intensieve wijze berichten over aangeefster en haar dochter op Facebook heeft geplaatst. Verdachte heeft daardoor het normale leven van [slachtoffer 1] en haar dochter op een verwijtbare wijze beïnvloed en belemmerd. Door, ondanks pogingen van de politie het plaatsen van de berichten te laten stoppen, toch door te gaan met het plaatsen van berichten op Facebook, zijn de gedragingen van verdachte als wederrechtelijk en stelselmatig te kwalificeren en is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank is van oordeel dat het onder 6 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
4.4
De bewezenverklaring

1
23
4
6De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder de feiten 1, 2 ,3, 4 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

5

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1, 2 en 4

telkens het misdrijfbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
feit 3

het misdrijfbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd en met zware mishandeling
feit 6

het misdrijfbelaging
6

De officier van justitie heeft zich op basis van de bevindingen van de deskundigen op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en gevorderd dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft zich in zoverre aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van 5 juli 2019 waarin over verdachte is gerapporteerd door F. Verstraeten, psychiater. De psychiater heeft geconcludeerd dat ten tijde van het plegen van de strafbare feiten bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waarbij verder onderzoek nodig is om te kunnen differentiëren tussen een lichtverstandelijke beperking, cognitieve schade door amfetaminegebruik en zwakbegaafdheid. Tevens lijdt verdachte aan een ziekelijke stoornis, geclassificeerd als schizofrenie en een stoornis in het gebruik van amfetamine. Verdachte werd geheel gedreven door zijn psychose in combinatie met de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en hij zag door het ontbreken van ziekte-inzicht niet dat zijn middelengebruik zijn psychose verder versterkte, aldus de psychiater. De gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens hebben het gedrag van verdachte beïnvloed ten tijde van het ten laste gelegde. Daarom is door de psychiater geadviseerd om verdachte voor het ten laste gelegde volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de rapportage en het advies van drs. J. Yntema, GZ-psycholoog, die over verdachte heeft gerapporteerd in voornoemd Pro Justitia-rapport. Ook de psycholoog heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van schizofrenie en een stoornis in het gebruik van amfetamine en een stoornis in het gebruik van een hallocinogeen. De psycholoog beschrijft dat het afwezige ziektebesef en ziekte-inzicht van verdachte een cruciale rol speelt: voor hem bestonden ten tijde van de ten laste gelegde feiten slechts de voordelen van het drugsgebruik en voor hem was het veronderstelde vaderschap werkelijkheid. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren aanwezig ten tijde van het plegen van de strafbare feiten en kunnen verdachte derhalve niet worden toegerekend.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en de aanleiding van de bewezen geachte feiten, waarbij ten gevolge van de stoornissen en het gebruik van amfetamine sprake is van waanachtig, impulsief en bedreigend gedrag tegen de slachtoffers. Dit past in het beeld van verdachte dat wordt geschetst in het Pro Justitia-rapport. De rechtbank neemt dan ook de conclusies van de psycholoog en psychiater over en maakt het oordeel van de deskundigen tot het hare.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezen geachte feiten verdachte, gelet op grond van voornoemde rapportages, wegens een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet kunnen worden toegerekendDe rechtbank zal verdachte derhalve ontslaan van alle rechtsvervolging.

7

7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd met daarnaast de oplegging van een contactverbod met de aangevers op grond van artikel 38v Sr.

7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte overeenkomstig het advies van de gedragsdeskundigen op grond van het bepaalde in artikel 37 Sr voor de duur van één jaar te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis.

7.3
De gronden voor een straf of maatregel


Nu verdachte op de voet van artikel 39 Sr niet strafbaar wordt geacht en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ziet de rechtbank zich voor de vraag geplaatst of oplegging van een maatregel noodzakelijk is, en zo ja welke.

De psycholoog heeft in dit kader een behandeling geadviseerd, waarbij het middelengebruik en de schizofrenie de belangrijkste factoren zijn waar op gefocust dient te worden. Naast het verkrijgen en behouden van abstinentie zal de behandeling gericht zijn op de psychotische overtuigingen die aanzetten tot het stalkingsgedrag. Bovendien zal moeten worden onderzocht middels neuropsychologisch onderzoek of sprake is van disfunctioneren op cognitief gebied als gevolg van middelengebruik en/of psychosen.Verdachte heeft weliswaar in het verleden al een behandeling gehad betreffende zijn psychotische kwetsbaarheid, maar destijds lijkt onvoldoende ingezet te zijn op het voorkomen van stalkingsgedrag. De psycholoog heeft geadviseerd verdachte in een Forensische Psychiatrische Kliniek te plaatsen met toepassing van artikel 37 Sr en daarna, indien de behandelduur de maximale plaatsingsduur van de artikel 37-maatregel zou overschrijden, de behandeling eventueel met een rechterlijke machtiging voort te zetten. Het recidiverisico wordt thans, zonder behandeling, door de psycholoog als hoog ingeschat.
De psychiater heeft een behandeling geadviseerd waarbij verdachte goed wordt ingesteld op medicatie en zijn wanen worden behandeld met cognitieve gedragstherapie. De behandeling dient gericht te zijn op de stalking, de waan die de stalking onderhoudt en het middelengebruik. De psychiater adviseert deze behandeling op te leggen in het kader van artikel 37 Sr in een FPA of een FPK. De behandeling kan indien nodig, na afloop van de maximale plaatsingstermijn, worden voortgezet met een rechterlijke machtiging. De verwachting van beide deskundigen is dat de behandeling een periode langer dan een jaar zal vergen.

Ter terechtzitting heeft de psychiater verklaard dat de eerdere behandelingen niet nadrukkelijk waren gericht op het stalkingsgedrag, maar alleen op de bedreigingen. Dat betekent dat de behandeling in het verleden niet volledig is geweest, hetgeen mede kan verklaren waarom verdachte is gerecidiveerd. Omdat de behandeling op een wezenlijk onderdeel nog onvoldoende heeft plaats gevonden, terwijl de ervaringen met behandeling van stalkingsgedrag positief zijn, is volgens de psychiater de behandeling in het kader van een artikel 37 maatregel, eventueel gevolgd door een rechterlijke machtiging, toereikend.

De reclassering heeft in het rapport van 8 juli 2019 naar voren gebracht dat zij de visie van de beide deskundigen deelt dat een forensisch klinische behandeling noodzakelijk is. De reclassering betwijfelt echter of de maximale duur van één jaar van de maatregel van artikel 37 Sr (hierna: 37-maatregel of 37-plaatsing) afdoende is.

De officier van justitie heeft tbs en dwangverpleging gevorderd, juist omdat de plaatsingsduur van de 37-maatregel vermoedelijk niet lang genoeg zal zijn om het beoogde behandeltraject geheel te doorlopen. Tevens heeft zij erop gewezen dat een eerdere in 2013 opgelegde 37-plaatsing onvoldoende resultaat heeft gehad, getuige de ten laste gelegde feiten. Hoewel de rechtbank de zorgen van de officier van justitie begrijpt en deelt, zal zij niet overgaan tot oplegging van TBS met dwangverpleging. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het wettelijk systeem volgt dat TBS met dwangverpleging is voorbehouden voor die gevallen van ontoerekeningsvatbaarheid dan wel verminderde toerekeningsvatbaarheid, waarin de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van die maatregel eist. Met andere woorden, deze maatregel komt in beeld wanneer het gevaar niet op een andere manier kan worden afgewend of beteugeld.

In dit geval geven beide ingeschakelde deskundigen aan dat naar hun mening het gevaar kan worden beteugeld door verdachte in het kader van een 37-plaatsing te behandelen in een forensisch psychiatrische kliniek. In hun rapportages geven de deskundigen ook aan waardoor een eerdere 37-plaatsing niet heeft kunnen voorkomen dat verdachte is gerecidiveerd. Door de behandeling meer specifiek te richten op het voorkomen van stalkingsgedrag, verwachten de deskundigen dat een hernieuwde behandeling succesvoller zal zijn, dan de vorige 37-plaatsing in 2013.

De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen goed onderbouwd zijn en ook logisch volgen uit de bevindingen neergelegd in beide onderzoeksrapporten. De rechtbank is van oordeel dat, nu de deskundigen zowel in hun rapporten als ook ter zitting duidelijk hebben onderbouwd dat de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, eventueel gevolgd door een rechterlijke machtiging, een toereikende behandeling zullen vormen voor de geconstateerde risico’s op recidive, deze adviezen zullen worden gevolgd.

De rechtbank stelt vast dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor oplegging van de maatregel “plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis”.Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens waardoor de strafbare feiten niet aan hem kunnen worden toegerekend en de veiligheid van zichzelf, van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen is in het geding. Voorts is door twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over verdachte uitgebracht.
De rechtbank overweegt resumerend dat, hoewel verdachte eerder is behandeld voor zijn stoornissen, deze behandelingen niet gericht waren op zijn stalkingsgedrag. De rechtbank ziet de noodzaak van klinische behandeling binnen een hoog beveiligd kader in en de rechtbank acht op grond van genoemde adviezen, de maatregel tot plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis dan ook passend en geboden.

De rechtbank overweegt tot slot dat wanneer na het verstrijken van één jaar nog onvoldoende resultaat van de behandeling is gebleken is en het recidiverisico nog niet substantieel is verminderd, om een rechterlijke machtiging kan worden verzocht.

De rechtbank zal gelasten dat verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 37 Sr in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar.

Ten aanzien van het eveneens gevorderde contactverbod overweegt de rechtbank dat er een reëel recidiverisico is en is van oordeel dat dat risico zoveel mogelijk moet worden ingeperkt. De rechtbank zal dan ook een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten en ter beveiliging van de maatschappij. De maatregel behelst een contactverbod, direct of indirect, ook inhoudende het plaatsen van berichten op social media, over of gericht tegen de volgende personen:

Met dit contactverbod beoogt de rechtbank dat genoemde personen rust krijgen in hun leven en dat de kans op recidive voor verdachte wordt verminderd. Het contactverbod geldt voor de duur van vijf jaar en aan verdachte zal voor iedere overtreding van het contactverbod een vervangende hechtenis voor de duur van drie dagen worden opgelegd, met een maximum van 60 dagen.

-

[slachtoffer 1] ;

[dochter slachtoffer 1] ;

[slachtoffer 3] ;

[slachtoffer 4] ;

[slachtoffer 5] ;

[slachtoffer 6] ;

[slachtoffer 2] .

8

8.1
De vorderingen van de benadeelde partijen

- kosten DNA-test € 189,00- Eigen risico zorgverzekering € 280,44Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 780,00 gevorderd.
[slachtoffer 1]

[slachtoffer 2]

8.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gevorderd dat beide vorderingen in zijn geheel kunnen worden toegewezen. De vorderingen zijn deugdelijk onderbouwd met stukken en verwijzen wat betreft de immateriële schade naar vergelijkbare zaken.

8.3
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de beide vorderingen op grond van de bepleite vrijspraak dan wel niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

8.4
Het oordeel van de rechtbank

8.4.1
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten 1 en 6 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De vordering is inhoudelijk niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schadepost, betrekking hebbende op de kosten van de DNA-test kan worden toegewezen, omdat aangeefster deze kosten niet zou hebben gemaakt als verdachte haar niet had belaagd. Ook de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering zijn voor toewijzing vatbaar.
De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat [slachtoffer 1] immateriële schade heeft geleden, hetgeen ook is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen. [slachtoffer 1] heeft daarin de impact van de ten laste gelegde feiten waaronder de gevoelens van angst en stress bij haar dochter en haarzelf treffend beschreven. De rechtbank beziet deze onderbouwing in het licht van de vaststelling dat het een schending van de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij betreft en daarmee een rechtstreekse aantasting in haar persoon. De rechtbank acht, rekening houdend met de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, een vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 780,00 redelijk en billijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 780,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 21 februari 2019.
8.4.2
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De vordering is inhoudelijk niet betwist. De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden, nu zij op het voegingsformulier haar gevoelens van angst, onrust en stress heeft beschreven. De rechtbank beziet deze onderbouwing in het licht van de vaststelling dat het een schending van de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij betreft en daarmee een rechtstreekse aantasting in haar persoon. De rechtbank acht, rekening houdend met de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, een vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 310,00 redelijk en billijk en zal genoemd bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2019.

8.5
De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 1 en 6 is toegebracht en jegens benadeelde partij [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 2 is toegebracht.

10

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 36f, 37, 38v en 57 Sr. Alle artikelen zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

11

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezenverklaarde en ;
- gelast dat verdachte wordt geplaatst in een voor de duur van - vijf jaren
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt drie dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 60 dagen.
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (feit 1 en feit 6): van een bedrag van (twaalfhonderdnegenenveertig euro en vierenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2019. - veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;- legt de op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten 1 en 6 tot te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2019 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 22 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (feit 2) van een bedrag van (driehonderdtien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2019; - veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;- legt de op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feit 2 tot te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2019 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 6 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

feit 1, 2 en 4

telkens het misdrijf:
feit 3

telkens het misdrijf:
feit 6

het misdrijf:
strafbaarheid verdachte

maatregel

schadevergoeding

ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1]

ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2]

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. F.C. Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2019.

Buiten staat

mr. F.C. Berg en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
-

[slachtoffer 1] ;

[dochter slachtoffer 1] ;

[slachtoffer 3] ;

[slachtoffer 4] ;

[slachtoffer 5] ;

[slachtoffer 6] ;

[slachtoffer 2] .

_f93c00ae-7ed6-4141-8e4e-014400e6fea1
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met registratienummer PL0600-2019074381. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

_3389b088-1ab2-43c7-8691-38026c76172c
2

Proces-verbaal van aangifte met bijlagen van [slachtoffer 1] van 20 februari 2019 (PL0600-2019077602-1), pagina 126 tot en met 131.

_0446a2b0-5a09-4523-98c6-ebc2625b03a8
3

Proces-verbaal ontvangst klacht van [slachtoffer 1] van 21 februari 2019 (PL0600-2019077606-10), pagina 131 en 132.

_fcd591f5-e6d0-46b4-88d6-661e09c93a0e
4

Proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2019 (PL0600-2019077602-9), pagina 121 tot en met 125.

_40cb3cf3-c471-4eba-9c24-4f06e7d5c1ad
5

Proces-verbaal van aangifte met bijlagen van [slachtoffer 3] van 22 november 2018 (PL0600-2019527139-1), pagina 133 tot en met 137.

_51f0362b-5d32-48d7-992d-a5a2118edc20
6

Proces-verbaal van aangifte met bijlagen van [slachtoffer 2] van 21 februari 2019 (PL0600-2019079200-1), pagina 138 tot en met 141.

_712a4d15-c73d-4114-a811-a4f3d874c489
7

Proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2019 (PL0600-2019077602-9), pagina 121 tot en met 125.

_3af098ee-451d-424e-bce2-602dd6a9281c
8

Proces-verbaal van aangifte met bijlagen van [slachtoffer 3] van 20 februari 2019 (PL0600-2019078034-1), pagina 62 tot en met 83.

_d15bfafc-0bde-4a59-bad1-097269d8d340
9

Proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2019, (PL0600-2018505147-6), pagina 92 tot en met 103.

_fe84a3ee-0a26-4fd5-8f13-ec70d8845145
10

Proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 januari 2019 PL0600-2018505147-4), pagina 104 tot en met 112.

_79385f00-ebf7-4696-aedc-b7347b2d41c0
11

Proces-verbaal van aangifte met bijlagen van [naam] van 8 november 2018 (PL0600-2019505147-1), pagina 21 tot en met 25.

_a9d5ce24-98bd-4aa4-ac47-86d82c1c38f0
12

Proces-verbaal van verhoor getuige van [slachtoffer 6] van 8 november 2018 (PL0600-2019505147-2, pagina 26 tot en met 29.

_0f544413-5d3a-4c33-ac6b-7506c295faaa
13

Proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2019, (PL0600-2018505147-6), pagina 92 tot en met 103.

_324f1a44-37cf-41ee-b789-7f244e03ea8b
14

Proces-verbaal van aangifte met bijlagen van [slachtoffer 1] van 13 november 2018 (PL0600-2018434606-1), pagina 35 tot en met 47.

_53161384-5d1f-4ea7-a427-f39c995eecad
15

Proces-verbaal ontvangst klacht van [slachtoffer 1] van 13 november 2018 (PL0600-2019077606-3), pagina 49 en 50.

_1390a9f3-aab3-4bbb-b151-074e7e91efbc
16

Proces-verbaal van aangifte met bijlagen van [slachtoffer 1] van 20 februari 2019 (PL0600-2019077602-1), pagina 126 tot en met 130.
_bde5b958-9929-4e96-a8e7-2c0eafa0e2e3
17

Proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2019, (PL0600-2018505147-6), pagina 92 tot en met 103.