Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:3252

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 13-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:3252, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08-950301-15


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-950301-15Datum vonnis: 13 september 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1956 in [geboorteplaats] ,wonende te [woonplaats] .

ECLI:NL:RBOVE:2019:3252:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-950301-15Datum vonnis: 13 september 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1956 in [geboorteplaats] ,wonende te [woonplaats] .
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 oktober 2018, 8 april 2019 en 30 augustus 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.E.M. Doedens en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.F. Speijdel, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.
2

- een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 1] B.V. en [medeverdachte 1] (DOC-170) en/of- een salarisspecificatie over de maand februari 2014 (DOC-103) en/of - een salarisspecificatie over de maand maart 2014 (DOC-104) en/of - een salarisspecificatie over de maand april 2014 (DOC-105) en/of - een salarisspecificatie over de maand mei 2014 (DOC-106) en/of - een salarisspecificatie over de maand juni 2014 (DOC-107) en/of - een salarisspecificatie over de maand juli 2014 (DOC-108) en/of - een salarisspecificatie over de maand augustus 2014 (DOC-109)
- zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig(e) feit(en) te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of valselijk heeft/hebben doen opmaken, zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken,
- een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 1] B.V. en [medeverdachte 1] (DOC-170) en/of- een salarisspecificatie over de maand februari 2014 (DOC-103) en/of - een salarisspecificatie over de maand maart 2014 (DOC-104) en/of - een salarisspecificatie over de maand april 2014 (DOC-105) en/of - een salarisspecificatie over de maand mei 2014 (DOC-106) en/of - een salarisspecificatie over de maand juni 2014 (DOC-107) en/of - een salarisspecificatie over de maand juli 2014 (DOC-108) en/of - een salarisspecificatie over de maand augustus 2014 (DOC-109)
- zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van
- een of meer geldbedrag(en) tot een bedrag van EUR 10.000, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld heeft wie de rechthebbende(n) op bovenomschreven voorwerp(en) is/was of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, en/of
- een of meer geldbedrag(en) tot een bedrag van EUR 10.000,
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

primair:

zich in de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juli 2015, samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door een arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties valselijk op te maken, met het oogmerk om derden te misleiden.
subsidiair:

zich in de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juli 2015, samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door een vals opgemaakte arbeidsovereenkomst en vals opgemaakte salarisspecificaties af te leveren, terwijl hij wist of moest vermoeden dat deze waren bestemd om derden te misleiden.
feit 2:

zich in de periode van 26 juni 2014 tot en met 28 juli 2015, samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een geldbedrag van € 10.000,00.
Voluit luidt de tenlastelegging ten aanzien van verdachte dat:

1
Primair

hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juli 2015, in Almelo en/of ergens anders in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] en/of een of meer andere rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

bestaande dat valselijk opmaken uit het opzettelijk - in strijd met de waarheid - in/op die arbeidsovereenkomst (doen) vermelden dat - zakelijk weergegeven - [medeverdachte 1] per 1 februari 2014 in dienst treedt bij [bedrijf 1] B.V. als verkoper en een salaris van EUR 3.924,54 ontvangt en/of in/op die salarisspecificatie(s) (doen) vermelden dat er - zakelijk weergegeven - een loonbetaling heeft plaatsgevonden van [bedrijf 1] B.V. aan [medeverdachte 1] en/of dat [medeverdachte 1] 160,33 uur per maand heeft gewerkt;
Subsidiair

hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juli 2015, in Almelo en/of ergens anders in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf 2] , althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd,

enig(e) feit(en) te dienen - terwijl, hij, verdachte, en/of [bedrijf 2] wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren om het als echt en onvervalst te gebruiken, bestaande dat afleveren hierin dat hij, verdachte, de hiervoor genoemde arbeids-overeenkomst en/of een of meer van de hiervoor genoemde salarisspecificatie(s) heeft verstrekt aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , en bestaande de valsheid hierin dat opzettelijk - in strijd met de waarheid - in/op die arbeidsovereenkomst was vermeld dat - zakelijk weergegeven - [medeverdachte 1] per 1 februari 2014 in dienst treedt bij [bedrijf 1] B.V. als verkoper en een salaris van EUR 3.924,54 ontvangt en/of in/op die salarisspecificatie(s) was vermeld dat er - zakelijk weergegeven - een loonbetaling heeft plaatsgevonden van [bedrijf 1] B.V. aan [medeverdachte 1] en/of dat [medeverdachte 1] 160,33 uur per maand heeft gewerkt.
2hij, op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 26 juni 2014 tot en met 28 juli 2015, in Almelo en/of ergens anders in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 2] , althans alleen,
Sub a van
Sub b

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat de/het bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (deels) afkomstig was/waren uit enig(e) (in het buitenland gepleegde) misdrij(f)(ven).
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde (mede-)plegen van valsheid in geschrift zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van 2 jaar, en dat verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie betoogd dat – hier kort weergegeven – het (mede-)plegen door verdachte volgt uit de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , de verklaring van de getuige [getuige] , verklaringen van verdachte zelf en ten slotte uit de inhoud van getapte telefoongesprekken die verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gevoerd, kort na aanvang van het opsporingsonderzoek van de FIOD, op 28 juli 2015 en 17 augustus 2015.Verdachte wist dat er in werkelijkheid geen sprake was van een arbeidsrelatie en dat de door hem opgemaakte arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties op naam van de medeverdachte [medeverdachte 1] door die [medeverdachte 1] slechts zouden worden gebruikt voor het doen van een hypotheekaanvraag terwijl, na mogelijke verstrekking van een hypotheek, [medeverdachte 1] dat geld zou gaan aanwenden voor een heel ander doel dan voor een woning, aldus de officier van justitie.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd, kort weergegeven:

Het dossier bevat geen dan wel onvoldoende overtuigend bewijs om te concluderen dat bij verdachte sprake was van wetenschap van de valsheid van stukken en een oogmerk op misleiding van derden. Weliswaar heeft de medeverdachte [medeverdachte 2] ten aanzien van verdachte belastend verklaard, echter, deze - inmiddels overleden - medeverdachte wilde daarmee mogelijk zijn eigen straatje schoonvegen. De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] en getuige [getuige] alsook de inhoud van de tapgesprekken zijn onvoldoende concreet en overtuigend om te oordelen dat bij verdachte sprake was van hiervoor bedoelde wetenschap.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman verzocht de vordering tot vrijspraak van de officier van justitie te volgen.

4.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Zij overweegt daartoe het volgende.

Aan verdachte wordt onder 1 primair en subsidiair verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede-)plegen van valsheid in geschrift.

Om te komen tot een bewezenverklaring van het plegen van valsheid in geschrift op grond van artikel 225 Sr is allereerst het opzet op de valsheid van de ten laste gelegde documenten vereist. Daarnaast is - ten aanzien van lid 1 - vereist: voldoende bewijs voor aanwezigheid van een oogmerk om die stukken als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken of - ten aanzien van lid 2 - : het afleveren of voorhanden hebben van, vals opgemaakte, document(en) waarvan de verdachte weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dat/die document(en) is/zijn bestemd ter misleiding van en gebruik door derden.
Verdachte heeft verklaard dat hij de arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties in kwestie daadwerkelijk, op verzoek van [medeverdachte 1] , had opgemaakt. Hij betwist dat hij ten tijde van het opmaken van deze stukken heeft geweten dat de inhoud ervan niet overeenstemde met de werkelijkheid en om die reden vals waren. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende overtuigend bewijs bevat, om buiten redelijke twijfel vast te kunnen stellen dat bij verdachte sprake was van wetenschap ten aanzien van de valsheid van de documenten en een oogmerk om derden te misleiden, dan wel dat sprake was van wetenschap of een vermoeden dat de door hem, verdachte, afgeleverde documenten waren bestemd ter misleiding van derden. Immers, [medeverdachte 1] heeft erkend dat hij samen met [medeverdachte 2] een consultancyovereenkomst valselijk had opgemaakt en dat hij valselijke salarisspecificaties had gebruikt om, kort gezegd, daar zelf financieel beter van te worden; hiervoor is hij door deze rechtbank reeds veroordeeld. Maar [medeverdachte 1] heeft niet ook gezegd dat verdachte wist dat de door verdachte opgestelde arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties in kwestie vals waren. [medeverdachte 2] heeft bij de politie in belastende zin voor [medeverdachte 1] verklaard en daarnaast verteld dat ‘verdachte op de hoogte was van de situatie van [medeverdachte 1] ’, maar wat hij daarmee precies bedoelde heeft hij verder niet uitgelegd en is ook anderszins niet duidelijk geworden. Verder bevat het dossier geen feiten en omstandigheden op basis waarvan zonder redelijke twijfel kan worden geconcludeerd dat de beschuldiging doel treft. Het afgeluisterde telefoongesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op 17 augustus 2015 (Doc-084) neemt die twijfel evenmin weg.
Uit het vorenstaande volgt dat verdachte voor het onder 1 primair én subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is de rechtbank - evenals de officier van justitie - van oordeel dat verdachte eveneens moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

beslissing

5

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en hem daarvan ;

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. H. Vegter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.