Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:3246

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 12-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:3246, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08-730438-18 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-730438-18 (P)Datum vonnis: 12 september 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,wonende aan [adres] .

ECLI:NL:RBOVE:2019:3246:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-730438-18 (P)Datum vonnis: 12 september 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,wonende aan [adres] .
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 maart 2019, 23 mei 2019, 27 juni 2019 en 29 augustus 2019.

Op verzoek van de raadsman, mr. A.L. Rinsma, advocaat te Maastricht, van 19 augustus 2019, is de last tot toevoeging ingetrokken, omdat verdachte zich niet langer door een advocaat wilde laten bijstaan.

Ter terechtzitting van 29 augustus 2019 is de zaak inhoudelijk behandeld buiten aanwezigheid van verdachte.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.H. de Weert.

2

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 12 oktober 2018 tot en met 21 november 2018

te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, althans (elders) in Nederland, [slachtoffer 1] (indirect, via de directeur van de PI) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (schriftelijk) dreigend de woorden toe te voegen "Als ik dan toch net zoals sommige gevangenen op hun einddatum op straat word gegooid is [slachtoffer 1] van de gemeente en/of [slachtoffer 2] nog niet jarig. Ik zoek ze direct op, snij hun strot door, laat ze verzuipen in hun eigen bloed of ik geef ze een Texaanse begrafenis", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2

hij in of omstreeks de periode van 12 oktober 2018 tot en met 21 november 2018 te Westzaan, gemeente Zaanstad en/of te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland,

althans (elders) in Nederland, [slachtoffer 2] (indirect, via de directeur van de PI) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] (schriftelijk) dreigend de woorden toe te voegen "Als ik dan toch net zoals sommige gevangenen op hun einddatum op straat word gegooid is [slachtoffer 1] van de gemeente en/of [slachtoffer 2] nog niet jarig. Ik zoek ze direct op, snij hun strot door, laat ze verzuipen in hun eigen bloed of ik geef ze een Texaanse begrafenis", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.2
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe, onder verwijzing naar de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, het volgende.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben aangifte gedaan van bedreiging met de dood. In de aangiftes verklaren zij dat zij op de hoogte zijn geraakt van een brief die verdachte geschreven heeft aan de directeur van de penitentiaire inrichting (hierna: PI) waar verdachte op dat moment verbleef. De directeur van de PI heeft deze brief doorgezonden naar de gemeente Steenwijkerland waar [slachtoffer 1] werkzaam was. Verdachte heeft verklaard dat hij deze brief heeft geschreven en bedreigingen heeft geuit naar de aangeefsters.

Gelet op de aard van de bedreigingen en de context waarin deze werden gedaan – verdachte schreef de brief op het moment dat hij op korte termijn weer op vrije voeten zou komen en er bij hem grote frustratie was dat er nog geen huisvesting voor hem was geregeld – kon bij de bedreigden de redelijke vrees ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen ook daadwerkelijk zou uitvoeren. Door deze brief met zeer dreigende woorden te richten aan de directeur van de PI om aandacht te vragen voor zijn situatie en gelet op de indringende wijze waarop de bedreigingen zijn geuit, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bedreigingen terecht zouden komen bij degene op wie ze betrekking hadden en dat bij hen de redelijke vrees zou ontstaan dat hij zijn bedreigingen ook daadwerkelijk zou uitvoeren.

4.3
De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.hij in de periode van 12 oktober 2018 tot en met 21 november 2018 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, [slachtoffer 1] indirect, via de directeur van de PI heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] schriftelijk dreigend de woorden toe te voegen: "Als ik dan toch net zoals sommige gevangenen op hun einddatum op straat word gegooid is [slachtoffer 1] van de gemeente en/of [slachtoffer 2] nog niet jarig. Ik zoek ze direct op, snij hun strot door, laat ze verzuipen in hun eigen bloed of ik geef ze een Texaanse begrafenis";
2.hij in de periode van 12 oktober 2018 tot en met 21 november 2018 te Westzaan, gemeente Zaanstad, [slachtoffer 2] indirect, via de directeur van de PI heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] schriftelijk dreigend de woorden toe te voegen:"Als ik dan toch net zoals sommige gevangenen op hun einddatum op straat word gegooid is [slachtoffer 1] van de gemeente en/of [slachtoffer 2] nog niet jarig. Ik zoek ze direct op, snij hun strot door, laat ze verzuipen in hun eigen bloed of ik geef ze een Texaanse begrafenis".
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

feit 2

het misdrijf:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

6

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7

7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 162 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals die zijn voorgesteld door de reclassering in het reclasseringsadvies van 21 augustus 2019 en met aftrek van de tijd die verdachte voor deze zaak in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2
De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Het volgende is daarbij van belang.

Verdachte heeft aan twee slachtoffers zeer ernstige bedreigingen geuit in indringende bewoordingen. Het is de verdachte aan te rekenen dat hij door zijn handelen hulpverleners – die zich juist bekommerden om zijn welzijn – op onheuse en agressieve wijze heeft bejegend en dat hij deze bedreigingen instrumenteel en weloverwogen heeft ingezet om er zelf iets mee te bereiken. De bedreigingen hebben ontwrichtend gewerkt op de levens van de slachtoffers. De bedreigingen werden ook, mede tegen de achtergrond van zijn strafblad, dermate serieus opgevat, dat zij hebben geleid tot de voorlopige hechtenis van verdachte.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 juli 2019 volgt dat verdachte in 2016 onherroepelijk is veroordeeld wegens verkrachting, vrijheidsberoving en bedreiging. De rechtbank houdt hiermee rekening in strafverzwarende zin. Verdachte is destijds veroordeeld tot onder meer een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met onder andere de bijzondere voorwaarde dat hij zich ambulant zou laten behandelen. Verdachte heeft het voorwaardelijk strafdeel in detentie doorgebracht en niet meegewerkt aan behandeling.

Op 27 november 2018 heeft de reclassering gerapporteerd dat het risico op recidive als hoog werd ingeschat en er geen mogelijkheden waren deze risico’s te beperken. Van belang werd geacht dat bij de huidige delicten mogelijk sprake is geweest van dezelfde problematiek als waarvoor verdachte in 2016 behandeld had moeten worden. Verdachte is in februari 2019 opnieuw multidisciplinair onderzocht. Hij weigerde echter zijn medewerking aan het onderzoek. Door de gedragsdeskundigen is in overweging gegeven om verdachte in het Pieter Baan Centrum te laten observeren. Psychiater/psychoanalyticus T.W.D.P. van Os heeft daarbij in het rapport van 24 februari 2019 overwogen dat verdachte de ernst van de feiten niet lijkt in te zien, hetgeen de kans dat hij het nog een keer doet vergroot. Forensisch psycholoog P.E. Geurkink, gezondheidszorg en forensisch psycholoog, heeft in het rapport van 18 februari 2019 overwogen dat mogelijk sprake is van psychopathologie die ook bij de eerdere feiten waar hij voor is veroordeeld een rol heeft gespeeld.
In mei 2019 heeft verdachte alsnog meegewerkt aan het opstellen van een multidisciplinaire rapportage. Op 27 mei 2019 heeft psychiater/psychoanalyticus T.W.D.P. van Os gerapporteerd en op 19 juni 2019 heeft forensisch psycholoog P.E. Geurkink gerapporteerd. Beide deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een autisme spectrum stoornis en gehechtheidsproblemen. Bij extra druk kunnen zich actieve symptomen van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) voordoen. Zowel de psycholoog als de psychiater adviseren de feiten volledig aan verdachte toe te rekenen, omdat hij diverse gedragsalternatieven ter beschikking had en een andere keuze had kunnen maken. Verdachte heeft het ten laste gelegde weloverwogen ingezet, beseffend dat dit grote gevolgen kan hebben. Het was zijn bedoeling om mensen wakker te schudden en dat heeft ook iets opgeleverd. De psychiater overweegt dat verdachte een man is met een gebruiksaanwijzing die rechtlijnig op zijn spoor kan blijven zitten en daardoor in moeilijkheden kan komen in interacties met anderen. Dat is onderdeel van zijn autisme en niet behandelbaar. De belangrijkste risicovoorkomende/-beperkende factor lijkt erin te zijn gelegen dat het voor verdachte duidelijk moet zijn waar hij aan toe is. Het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst wordt door de psychiater als laag ingeschat. Ook de psycholoog schat de kans op recidive in als laag, met de kanttekening dat deze kans matig is als verdachte alleen in de maatschappij moet functioneren.

Naar aanleiding van het persoonlijkheidsonderzoek heeft de reclassering op 21 augustus 2019 opnieuw gerapporteerd. In dit rapport meldt H. Last, reclasseringswerker, dat het recidiverisico wordt ingeschat als laag-gemiddeld. Het risico op letselschade wordt ingeschat als laag. Op het vlak van gedragsverandering zal weinig winst te behalen zijn. Wel is van groot belang dat verdachte een stabiele en gestructureerde leefsituatie heeft omdat maatschappelijke teloorgang het recidiverisico verhoogt. De reclassering ziet vooralsnog mogelijkheden om verdachte te ondersteunen in het vinden en behouden van een stabiele leefsituatie.

De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd rechtvaardigen dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van de tijd die verdachte voor dit feit in voorarrest heeft doorgebracht, is passend en geboden. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen ruimte voor oplegging van een al dan niet voorwaardelijke straf die die duur te boven gaat.

8

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op het artikel 57 Sr.

9

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde;
- veroordeelt verdachte tot een voor de duur van ; - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

1. Ik doe aangifte van bedreiging met de dood, gepleegd te Steenwijk, binnen de gemeente Steenwijkerland. Op 20 november 2018 kwamen er signalen uit de PI dat [verdachte] bedreigingen had geuit richting mij. De gemeente kwam in het bezit van een brief die hij op 12 oktober 2018 heeft geschreven waarin onder meer de volgende bedreiging aan mijn persoon staat: ‘Als ik dan toch net zoals sommige gevangenen op hun einddatum op straat word gegooid is [slachtoffer 1] van de gemeente en/of [slachtoffer 2] nog niet jarig. Ik zoek ze direct op, snij hun strot door, laat ze verzuipen in hun eigen bloed of ik geef ze een Texaanse begrafenis. Ik heb niets meer te verliezen. Mijn leven is op 31-jarige leeftijd al over. Jullie keuze.’ Ik voel mij ernstig bedreigd door deze brief en ik ben ook bang voor mijn familie en collega’s. Ik weet via de PI dat hij deze brief heeft geschreven.
2. Ik doe aangifte van bedreiging met de dood, gepleegd te Westzaan, binnen de gemeente Zaanstad. Op woensdag 21 november 2018 ontving ik een telefoontje van [slachtoffer 1] van de gemeente Steenwijk. Zij had een brief ontvangen van [verdachte] waarin zij en ik werden bedreigd. Hij ondertekent de brief met zijn naam en vervolgt met een PS, welke de volgende tekst bevat: ‘Als ik dan toch net zoals sommige gevangenen op hun einddatum op straat word gegooid is [slachtoffer 1] van de gemeente en/of [slachtoffer 2] nog niet jarig. Ik zoek ze direct op, snij hun strot door, laat ze verzuipen in hun eigen bloed of ik geef ze een Texaanse begrafenis. Ik heb niets meer te verliezen. Mijn leven is op 31-jarige leeftijd al over. Jullie keuze.’ Ik zal u de brief mailen. Ik voel me bedreigd door deze brief, ik ben bang dat hij de daad bij het woord voegt.
3. Wij spraken over de gedetineerde [verdachte] en de bedreigingen die hij had geuit in een brief die hij aan de directie van de PI had gestuurd. [naam 1] , directrice van de PI Zaanstad, verklaarde mij het volgende. De datum boven de brief is 12 oktober 2018. Ik heb de brief waarin [verdachte] de bedreigingen uit tegenover onder andere een medewerkster van de gemeente Steenwijkerland op 20 november 2018 verzonden aan [naam 2] van de gemeente Steenwijkerland. Ik vond deze bedreigingen zo dat ik de bedreigde personen het recht wilde geven aangifte tegen [verdachte] te doen.”
4. Ik heb de brief naar de directeur gestuurd. Als ik de bedreigingen niet had geuit, had ik nu op straat gestaan.
De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

feit 1

het misdrijf:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

feit 2

het misdrijf:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

strafbaarheid verdachte

straf

Dit vonnis is gewezen door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzitter, mr. drs. H.M. Braam en mr. A. Skerka, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van den Ham-Pool, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2019.

Buiten staat

Mr. A. Skerka is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie, eenheid Oost-Nederland, district IJsselland, basisteam IJsselland-Noord met nummer PL0600-2018537076. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.